Mejuffrouw Maria Buigzaam aan
den heer Hendrik Edeling.
Waarde Heer!
Het belang, dat ik stel in uw geluk, en mijn verlangen, om uwe beminde geluk te kunnen wenschen met eenen man, die haar verdient, bezielen mij dermate, dat ik met ijver aan uw verzoek zal voldoen.
Gij zult alles weten. Ik heb reeds het een en ander, haar betreffende, aan haren braven voogd gemeld; van dien kant mijn plicht gedaan hebbende, zal ik het mij tot een zeer bizonder genoegen rekenen, iets voor u te kunnen doen, dat u aangenaam is.
Gij weet, mijnheer, dat ik met haar naar de comedie ging, om, ware ’t voor mij mogelijk, den heer R. nader te leeren kennen, maar zoo hij geen braaf man is, dan moet hij de geraffineerdste schurk zijn, die immer een meisje tot oneer poogde te verleiden. De menschlievendheid geeft mij geen vrijheid, om het laatste zoo maar vast te stellen: ik hoop dus het eerste.
Zijn gedrag was niet alleen niet berispelijk, maar ik weet niet, hoe een fatsoenlijk heer zich beter zou kunnen gedragen: en met dit al (ofschoon ik geene groote physionomie-kundige ben) de heer R. heeft iets in ’t opslag zijner oogen, dat loos, listig, niets dat open en vrij is: ik zie dit alles door een wolk; maar waarlijk hij bedekt zich.
Wees echter gerust! Ik heb het lieve meisje meermaal ongemerkt getoetst; zij heeft geen zweem van genegenheid voor hem: en zich acht u oneindig meer, dan dezen zeer beschaafden man. Gij zult geduld moeten hebben: doch zij verdient het! Zij is geschapen voor u; en gij zijt mogelijk de eenigste man, die haar tot die zedelijke waarde kan doen rijzen, waartoe hare geheele natuur als aangelegd is.
Ik had, volgens belofte, haar niets gezegd van uw reisje. Zij wist niets daarvan. Gij weet, dat ik eens zien wilde, hoe of zij een brief van u, met dit bericht, toch zoude ontvangene. Lees de volgende samenspraak:
Uit de kerk komende, vroeg ik Frits, of hier ook iemand geweest was? Hij zeide: de heer Edeling is hier weêr geweest, doch dat gij, mij niet thuis vindende, waart heengegaan (Frits ging toen weg.)
Saartje. Alweêr. Wanneer is hij dan nog eens geweest?
Ik. Gistereen, toen wij te zame uit waren.
Saartje. Nu, ’t wandelen is goed voor iemand, die zooveel staan moet voor een lessenaar. Mogelijk komt hij wel theedrinken.
Ik. Zoudt gij dat gaarne zien?
Saartje. Wel ja, heel gaarne; twijfelt gij dan, of ik uw smaak in het uitkiezen uwer vrienden ook goedkeur; en de heer Hendrik is immers uw gunsteling, uw vriend?
Ik. Dat beken ik, en wel op zeer goede gronden.
Saartje. O! daar ben ik van verzekerd: hoe hoog ik u waardeer, echter denk ik, dat de heer Hendrik uwe vriendschap verdient.
Ik. zoo denk ik ook, ten zijnen opzichte, omtrent u.
Saartje. Wel, hij is mijn vriend; hij heeft al mijne achting! hierin verschillen wij dus niet het allerminste.
Ik. Heeft de heer R. ook uw welgevallen? behaagt hij u meer dan de heer Hendrik?
Saartje. Neen, en nog eens neen. Den heer R. beschouw ik, zooaks ik elk man beschouw, die in staat is om mij eenige hônnete vermaken te bezorgen. Doch weet gij, hoe ik ben? Al zag ik dat heerschap nooit weêr, ik zou misschien niet eens vragen: leeft R. of is R. dood? Ei wat! wie kan dit zoo alles in zijn geheugen houden?
Ondertusschen merkte ik wel, dat zij zat alsof zij iemand alle oogenblikken verwachtte, en telkens teleurgesteld werd.
Ik. Wij zullen maar vast beginnen, dunkt mij. Liefde zult gij, of zal ik schenken?
Saartje. Ik, ik! ja, kom, late wij maar beginnen; ’t is vijf uren.
Onderwijl was zij zeer langwijllig in het gereed maken, juist of zij nog al wachtte om te beginnen, tot het gezelschap voltallig was. Uw knecht komt de stoep op, en geeft een brief aan Frits, met het compliment van zijn heer aan de dames. Den brief aannemende, zei zij: een brie aan mij! Wel, dat’s mooi schrift, zou dat van Edeling zijn? en een proper cachet ook!
Ik. Denkelijk; doch gij kunt het aanstonds weten; breek hem maar open. Of wilt gij liefst wachten tot gij alleen zijt?
Saartje. (Mij zeer schalkachtig aanziende.) Ik weet, dat het onbeleefd is, in gezelschap brieven te lezen; maar, zoo gij mij het veroorlooft, zou ik hem zoo aanstonds lezen.
Ik. Uit pure nieuwsgierigheid?
Saartje. Uit pure nieuwsgierigheid: ik lees graag brieven van goede vrienden.
Wij dronken elk een kopje, en zij las den brief. Ik kon niets uit haar gelaat opmaken.
Ik. Wel, hadt gij ’t geraden? Is ’t van hem?
Saartje. Ja, ’t is van Edeling. Hij schrijft mij, dat hij om zaken van belang uit de stad moet; en hij neemt afscheid van mij, u zijn complimnet makende.
Ik. Wel zoo! en besteedt hij daar zooveel woorden toe?
Saartje. Och! hij schrijft nogal eene hoope moois van zijn liefde, en van dat ik lief ben, geloof ik; en als hij mij niet krijgt, dat hij dan ongelukkig is, enz. zooals alle jonge heeren schrijven, denk ik.
Ik. Ja, mijn hartje, gij wordt bemind van den besten man, dien ik ken.
Saartje. Indien de liefde dezen man geene kwelling veroorzaakte, dan zou ik met die liefde neit weinig in mijn schik zijn; maar wat zij hij er aan hebben, of hij mij verdriet aandoet, door mij te blijven zeggen hetgeen ik weet, en daar ik niets dan vriendschap voor in de plaats heb?
Ik. Laat zijn omgang u aangenaam zijn; leer hem op uw gemak kennen; en, zoo uw hart eindelijk niets dan vriendschap voor hem gevoelt, niemand zal u dwingen; gij blijft dezelfde.
Saartje. Ik moet u iets vragen, mijne vriendin; mag ik wel?
Ik. Gij noemt mij uwe vriendin, hoef ik u dan verlof te geven? Vraag mij alles, waaromtrent ik u van dienst kan zijn, gij zult mij altoos bereid vinden (Zij vatte mijne hand, en kust die met teederheid.)
Saartje. Hoe is ’t mogelijk, dat die stemmige, denkende, ernstige Edeling toch verliefd kan zijn op een zoo vroolijk, luchtig, stout meisje, als uw Saartje toch maar is?
Ik. Mogelijk, omdat mijn Saartje een stout, luchtig, vroolijk meisje is.
Saartje. En is zoo eene keuze een wijs man waardig? Me dunkt, dat ik, uit achting voor Edeling zelf, hem niet nemen moet. O ik ben zoo kiesch op de eer mijner vrienden: je weet het zoo niet!
Ik. Als gij geduld hebt, zal ik u antwoorden. Indien mijn Saartje niet anders was, dat hetgeen zij daar opnoemde, ja indien zij, alleen bij dit genoemde, een fraai meisje was, dan zou ik zeggen: neen, die keus is geen Edeling waardig; maar, indien mijn Saartje nu, bij dit genoemde, een deugdzaam en zachtaardig karakter en een gezond verstand bezat, dan zou ik die keuze billijken, en gij ook, denk ik. Dewijl Edeling nu meent, zooals ik ook meen, dat mijn Saartje zoo een karakter heeft, en zulk een verstand bezit, dan weet gij reeds hoe ik over zijne keuze denk, en ik kan niet afzijn van te wenschen, dat hij u de zijne mocht noemen.
Saartje. Als men jonge lieden zooveel goeds toekent, legt men hen onder de verplichting om zich wijselijk te gedragen, is ’t zoo niet? maar gelooft gij, dat ik voor het huwelijk geschikt ben? dat’s nog een vraag.
Ik. Volmaakt geschikt. onder twee voorwaarden: dat gij den man trouwt, dien gij zoo hoog acht als teeder bemint, en dat gij uwe sterke neiging tot het bijwonen van uithuizige vermaken wat beteugelt.
Saartje. Ja, als men in het huwelijksbootje is, is het uit:
tenminste, als ik mij daarin begeven heb, neem ik afscheid van alle die
kostelijke vertooningen, en daarom moet ik nu nog een hoope afdoen: wat de
eerste voorwaarde betreft, daarop zal ik u het volgende antwoorden:
Daar zijn twee zaken, waarvoor ik eerbied heb, het
huwelijk en den godsdienst. Met zekere huivering beschouw ik de heilige
plichten, die beide afeischen. En, hoewel ik ook luchtigjes over vele
onderwerpen heenzweef, zoo kan ik u verzekeren, dat ik nimmer dan met ernst aan
de groote verbintenis denk. Ik heb aan mijne dierbare ouders gezien, dat het
huwelijk brave wèl voor elkander berekende, teederbeminde menschen, aller
gelukkigst maakt; doch ik denk, dat ik nog in veere die vereischte niet heb, die
er noodig zijn om een zegen voor mijn man te wezen, terwijl hij insgelijks alles
toebrengt om mijn hart geheel aaan hem te verbinden. Gij kunt dus wel begrijpen,
dat ik nooit mij zal verbinden aan een zot, of aan iemand, die groote gebreken,
of die slechte beginsels heeft? Als ik dien stap doe, zal mijne achting al
zoozeer mijne keuze regelen, als mijne genegenheid.
Ik. Gij spreekt verstandig: gij hebt gelijk; ik geloof ook ’t geen gij zegt volkomen. Maar, mijn engel, zult gij mij niet toestaan, dat, indien gij den heer Edeling beminnen kunt en gij hem tot uw man verkiest, gij alle kans hebt om u, in alle opzichten, te volmaken; en kan uw edelmoedig hart onverschillig zijn omtrent het geluk eens mans, die u voor altoos in veiligheid stelt voor alle de listen, de streken, de verkeerde misduidingen, waaraan de meisjes, zooals gij zijt, altijd blootstaan? Gij zijt ouderloos, mijn kind, gij hebt niemand als eene tante, die u slecht heeft behandeld. — (Hier viel zij mij, met een drijvend traantje, in de reden, mij omhelsende.) Ik heb u: wat ontbreekt mij om gelukkig te zijn, zoo ik wijs genoeg ben om mij naar uw voorbeeld te vormen? Ik ben nog geen twintig jaar. O laat ik nu niet meer van die zaak hooren: wat haast heb ik? Ha, daar is mijn kostelijk vriend. (’t was de heer Brunier.) Dag Kootje: hoe zie je zoo stemmig, zeun? of is ’t omdat Letje nogal niet thuis is? kom, gij zijt een goed broeder. Weet gij wel, dat de heer Edeling uit de stad is?
Brunier. Ja, mejuffrouw, hij heeft het mij gezegd; is hij al vertrokken?
Saartje. Ik denk ja; doch ik zit niet inde geheimen raad: mogelijk neen.
Brunier. Ik hoop, dat hij spoedig terug zal komen. O mejuffrouw (tegen mij), hoeveel ben ik reeds aan hem verschuldigd! zoudt gij gelooven, dat hij zich verwaardigt om mij, misselijke jongen, terecht te brengen? en dat op eene wijze, die mij overtuigt, dat mijn geluk zijne bedoeling is?
Saartje. Ik dacht wel, dat er iets gebeurd was; want gij begint u nu zoo wijselijk te gedragen, dat ik geene gelegenheid meer heb om mij met uwe gekheden te diverteeren: nu, gij doet wel, en ik geloof, dat gij nog eens een zweem van uw vriend kunt worden, als gij maar niet achteruit leert, nu gij op u zelven staat.
Brunier. Ik hoop, dat hij over mij zal voldaan zijn: meer kan ik niet zeggen.
Vervolgens viel er niet meer voor, uwe aandacht waardig. Doch des avonds was zij onrustig, verstrooid, speelde eenige aria’s op ’t clavier, greep de guitaar, zong er bij, legde die neêr, zal op de canapé, bekeek de toppen harer vingeren, hoestte een zuchtje weg, dartelde met Lotje (die zij haar dochter noemt), knielde aan mijn schoot, om met mij te praten, sprak van haar voogd, van Letje, van Pieternel, maar niet van u; en ik heb haar al tweemaal ongemerkt verrast met uwen brief in de hand.
Ziedaar, mijn vriend, een lange brief. Gij begrijpt wel, dat ik uw antwoord aan Saartje niet kan laten zien. Bedien u van het adres, ’t welk ik u gaf. Wees welgemoed, maar heb tevens geduld. Ik hoop, dat uw vader toch op dit stuk veranderen zal, of dat zij er nooit iets van merke. Met de volkomenste gehechtheid aan uwe verdiensten ben ik
Uwe verplichtste Vriendin,
MARIA BUIGZAAM.
Wed. P. SPILGOED.