Elizabeth Wolff (1738-1804) — Agatha Deken (1741-1804)

SARAH BURGERHART

Mejuffrouw Sara Burgerhart aan
Mejuffrouw Anna Willis.

Waarde Naatje!

Hebt gij waarlijk uw woord gegeven? Dan patientie! Anders, binnen een jaar aanvaard ik de waardigheid van zuster collega. Uw Smit! wel, ik ben maar weinig minder verliefd op hem, dan op mijnen voogd zelf; en zoo is ook mijne Minerva. Wel Willis, ’t is waarlijk al te veel voor u: „Hou er u maar nederingjes onder,” zout tante zeggen. Nu in ernst: geluk, duizendmaal geluk met dezen lieven, dezen achtenswaardigen man. Zoo gij nu ooit weêr donker kijkt, zal ik u waarlijk moeten kloppen. Mijn Cootje is nu in staat om tamelijk gezond te redeneeren over dagelijksche voorvallen; en ik merk, dat, als hij met een ander praat dan met mij, hij zeker nogal verdient, dat men hem antwoordt. Juffrouw Buigzaam heeft veel met den aanstaanden Eerwaardige gesproken. Ik was gehee oor, en mijne dochter insgelijks.

’t Spijt mij, dat Letje nog niet thuis is: dat zou net haar smaak geweest zijn. Luister eens, Naatje; hoewel ik het niet uit dankbaarheid doe aan de Godin der liefde (verstaat gij dat, kind?), zoo heb ik een groot vermaak in huwelijksverbintenissen uit te vinden. Wat dunkt u, dat Willem om Letje kwam, dan had hij zeker een engel van eene vrouw, en zoo eene verdient hij; — Letje was ook in veiligheid. Eéne bedenking is er maar! Ik weet niet, of mijn Letje’s hartjewel zóó vrij is, als de van juffrouw Albedil Burgerhart.

„En was ik niet zeer opgeruimd? enzei de eerwaardige dit?” VErbaasd nog toe! Ik weet echter niet, dat ik mij ergens over benauwd voel: zoodat, wees gerust; maar ik heb ook zoo mijne denkende buitjes; en omdat die mij zoo eigen niet zijn, als zij mogelijk u zijn, valt dat zoo aanstonds in ’t oog.

Edeling is uit de stad. Mijn voogd, merk ik, zou mij graag met hem getrouwd zien; mijne mama Buigzaam meent, dat zijn voorstel mijne ernstige overweging verdient: en hoopt, dat ik, ten zijnen opzichte een gunstig besluit nemen zal. Mijn hart slaapt nog in rozen; meer kan ik u niet zeggen.

Of ik mij ooit het huiselijk leven in zulk een zacht licht heb voorgesteld, als Smit het u afmaalt? Nooit anders! Ik was, schoon een kind, getuige van huiselijk geluk bij mijne altoos dierbare ouders. Dáár zit het mij niet, Naatje. Ik heb, tot nog toe, geene bepaalde, uitsluitende genegenheid voor iemand; en niets zal mij dezen gewichtigen staat doen aanvaarden, dan een man, die mijne achting en liefde beide waardig is. Zoodra ik den heer Edeling (niemand komt buiten hem in eenige aanmerking), zooveel liefde als achting kan toedragen, zullen alle mindere zwarigheden mij niet beletten om den raad mijner vrienden te volgen.

De heeren R. en Brunier zijn reeds in de zijkamer, om met Lotje en mij eene schoone wandeling te doen. Ik moet mij eens vertreden, dunkt mij; ik ben echter zeer wel. Heb ik u al gezegd, dat Edeling uit de stad is? tot wederziens! Groet uwen lieven aanstaanden dominé, kus uwe moeder (hem ook maar) voor

SAARTJE BURGERHART.