De heer Jan Edeling aan
den heer Cornelis Edeling.
Zoon Cornelis!
Den verzochten wissel zend ik u hiernevens, om de kosten uwer promotie, en wat dies meer is, daarmede goed te maken. Ik zou u gaarne eens als advokaat spreken, maar ’t stuit mij te veel, bij mijn jongen om advies te gaan; evenwel, ik dien er iets van te zeggen. Het raakt uw broeder. Hij geeft mij veel reden tot misnoegen, en ik weet niet, wat duivel hem schort. Daar is hij verslingerd geraakt op eene wilde, losse meid, die piepjong en gereformeerd is; en of ik kijk en of ik knor, ’t is boter aan de galg. Ja! zie je, zoo gaat het; nu ik vreugd aan jelui moest beleven, is er niets dan chagrijn ten beste. Mijne vrouw, uwe moeder die nu dood en weg is, heeft mij niet willen gelooven; ik was te strak, te norsch: ik mocht wat! Daar is die zedige, bedaarde zoon, wat doet hij? mij zijn ouden vader, tegenspreken. Laat hij zijn gang gaan; nooit geef ik mijne toestemming: en dit is eene goeie lws voor u, mannetje: of heb je ook al wat opgedaan? De Hemel weet, met welk eene Fransche madam je mij op ’t lijf komt. Mar je kent mij; je wwet dat ik mij geen ooren laat aannaaien. Wat zegt gij, aanstaande meester Advocaat, kan ik uw broêr dit niet beletten? Hij is meerderjarig, dat is de booze! en ik had nog nooit reden, om op den jongen te kijven: zooveel te harder valt het mij nu. Uw oom, de dominé, zal wel weêr tegen mij ageeren, als het over mijn neef te doen is. Ja, ik zal hem er niets over schrijven, en komen dus moeite voor. Neen, ik bedenk mij. Ik zal het wel doen; want mijne voorname reden is immers, dat ik geene gereformeerde schoondochter wil hebben; en dan zou Joost hem halen, als hij, een dominé, daar een Spaansch woord tegen had. Maar de meid staat mij ook niet aan. Ikwas daar van de week op mijn kolfpartijtje, buiten in den Wijnberg, en daar kwamen twee juffrouwen en twee heeren, die zoo al vrij wat drukte maakten. Zij kwamen ook bij de kolfbaan kijken en lachen. Ik vroeg aan de kastelein (in mijne jeugd zou men waard gezegd hebben): zeg, Jaap, wie zijn die snoeshanen, met de twee nufjes daar! Och! zei hij, die oudste heer is mijnheer R., die daar en daar woont, en hier zoo wel eens komt; maar de andere ken ik niet. Toen men riep: „mijnheer Edeling, uw beurt,” keek een der juffertjes mij met veel oplettendheid aan, doch zei niets. Ik dacht al, wie mag toch dit schoone kind zijn! maar bij geluk riep de andere juffrouw: „juffrouw Burgerhart, wil je ook warme melk,” en gaf haar een glas vol. Wat krik krak! dacht ik, dat zal de belle zijn; en ik bekeek haar eens terdeeg: neen, meisje, je lijkt mij niet; ik bedank je hartelijk. Zoodat, zij smaakt mij niet; en uw broêr krijgt nooit mijne toestemming.
Zij gingen heen, en ik blijf bij mijn begrip. Hoe zal ik het nu met je broêr maken? Hij is op reis naar ........., om de zaak, u bekend, ten einde te brengen. Draag u wel. Ik ben
Uw Vader,
JAN EDELING.