Mejuffrouw Sara Burgerhart aan
den heer Hendrik Edeling.
Wel-Edel Heer!
Mijne achting voor u moet wel zeer ongegrond zijn, indien ik ooit reden heb mij te beklagen over het schrijven dezes briefs. Dit stel ik onder het onmogelijke; ik zal dus, in dat opzicht, aan uw verzoek voldoen.
Zie mij voor zoo eene beuzelaarster niet aan, dat ik mij niet zoude vereerd achten met de gevoelens, dioe gij voor mij betuigt. Waarlijk, mijnheer Edeling, ik zie zeer wel, dt gij verdient, met onderscheiding behandeld te worden. Indien gij niet meerder begeerdetdan mijne vriendschap, zeer weinig zoudt gij meer te wenschen hebben! Doch ik zoude u onedelmoedig behandelen, indien ik u reden gaf om te denken, dat ik in u iets anders dan eenen vriend beminde. het zla mij, in dat karakter, hoogst aangenaam zijn u weêrom te zien. Want ik ben met bizondere hoogachting
Uwe Dienares
SARA BURGERHART.