De eerwaardigen heer Everard Redelijk aan
den heer Jan Edeling.
Waarde Broeder!
Wat is er nu weêr te doen met uw zoon Hendrik? Hoe is mogelijk, dat zulk een eerlijk, edelmoedig man zoo gedurig met brave kinderen overhoop ligt! Denkt gij, zal gezag alleen den vader maakt? Wordt gij liever gevreesd dan bemind? Ik moet spreken, zooals ik denk, dit eischt de plicht van een eerlijk man, waarin dan ook zijn ambt of beroep bestaat. o! Wat zou het mij smarten, indien mijne kinderen mij nooit dan met eene angstige bedeesdheid aanspraken!Ik ben de vriend mijner kinderen; de uwen verdienen dat gij hun vriend zijt. De heer Blankaart denkt wel; immer naar mijn inzien. Hendrik is meerderjarig: indien gij leeft, tot hij vijftig is, zal hij dan nog geen persoon uitmaken? zal dan nog uw ik wil zijne wet wezen? Gij hebt zeer brave zoons; en ’t is bijna een mirakel, dat zij het zijn.
Ik ben het ook me den eerlijken Blankaart, over het stuk van Godsdienst, volmaakt eens. Zo heeft de zalige Luther ook gedaan. Gij noemt dit het geloof verlaten: noem het dolingen, die men voor dolingen houdt, te verlaten. Al wat ik denk, dat niet waar is, geloof ik ook niet: zoodat, dit is, in dit geval, zijn geloof belijden en beleven.
Ik sta verzet over het gezond verstand dezes mans. Hoe misselijk hij zich ook uitdrukt, zijne redenen zijn goed, en doen zooveel eer aan zijn hart, als aan zijn verstand. Ik moet kennis met dien man maken: zijne liefde voor de jonge dame neemt mij sterk ten haren voordeele in. Want, dat gij haar op die plaats met jongelieden gezien hebt, beteekent niets; dit hoef ik u niet te bewijzen, hoop ik.
Ik ben de eenigste man, zegt gij dikwijls, die u mag tegenspreken: van die vrijheid moet ik in deze gebruik maken. Nooit kan ik gelooven, dat mijn neef Hendrik zijn hart zoude schenken aan een meisje, wier karakter niet onberispelijk is. Ik ken zijne goed beginsels: ik weet, dat hij een vijand is van alle zedeloosheid, en dat gij van dien kant niets te vreezen hebt, was dit zoo (waaraan ik niets geloof of mag gelooven), dan moesten wij de zaak anders behandelen.
De eenige zwarigheid is dan deze: zij is van de Publieke Kerk. De Luthersche Leer voort te planten, door het aanwinnen van kundige belijders, is mijn plicht: en ik zou het altoos afraden, dat jonge lieden met iemand trouwen, die in geloofstukken dermate verschilden, als de Protestansche met de Roomsche Christenen: maar alle dwang is ten sterkste af te keuren. Dit heeft geen plaats omtrent Calvinistische en Luthersche Christenen. Alles, wat de heer Blankaart dit betreffende zegt, ben ik bereid te onderschrijven: ik voeg er dus niets bij.
De Kerk is om de leer van het Evangelie te verkondigen, om te stichten, te vermanen, en, moet het zijn, te wederleggen. De Apostel Pau;us schijnt het ook zoo begrepen te hebben, want hij zegt: een leeraar moet niet twisten, maar vriendelijk zijn tegen allen. Hoeverre driftige domkoppen, van onze en der Gereformeerden zijde, het spoor bijster zijn, zij betwisten echter elkander, Gode zij dank, den Hemel niet: Laat u dan vinden! of gij zult u in huiselijke verdrietelijkheden dompelen. Geen burgerlijk gezag zla u te stade komen, indien uw zoon eens geraden vond, u daar voor te brengen. — Dit is mijn antwoord. — Mijne vrouw en kinderen groeten u hartelijk. U van harten genegen
Broeder en Dienaar,
EVERARD REDELIJK.