Elizabeth Wolff (1738-1804) — Agatha Deken (1741-1804)

SARAH BURGERHART

De broeder Benjamin aan
Mejuffrouw Cornelia Slimslamp.

Zusje Lief!

Ik ben tweemaal vergeefs aan uwe wonign geweest. Ik ben doodsverlangen. Daar ben ik bij haar geweest en heb haar zoo dobbend, en in zulk een afgezakten staat gevonden, o Kéa! Kéa! wij zullen haar verliezen: wn wij hebben haar zoo noodig; zij is rijk, en geeft veel verkwikkinkjes aan ons, vromen in den lande. Wij leven grootendeels van haar: de kruike is voor ons niet verzegeld gebleven, en ons deel was een Azers deel, vol vettigheid en vol zoetigheid. O mij is bange, mij is zeer bange: wij, vrome menschjes, zullen bekend worden. Die Blankaart! ik beef, als ik om hem denk; ’t is een Enaks kind, groot van stature; ik ben een stinkend niet bij hem.

Zij is danig ontsticht door jou brief; schrijf dan een briefje, dat je berouw hebt, en geef den Engel Satanas de schuld: je weet, die is onze wrijfpaal. Schik u wat naar heur zwak geloof. Overleg dit alles zoo eens: ik heb geen tijd. Denk, dat wij haar noodig hebben.

Zusje, zusje, ’t zweet breekt mij uit. Ik zal al mijn achting, ik zal mijn kostwinning verliezen; wie zal mu van mij ’t geloof leeren? Wij moeten ons haasten. De kwaaie is nabij! Wij zullen voor Blankaart moeten bukken. — Overleg deze dingetjes zoo eens in uw harte. Ik heb rust noch duur. Stel mij gerust, dat je er iets op weet. Gij zijt zeer wijs, dat weet ik. Je weet, Kéa, hoe de zaakjes tusschen ons staan? dat mijne ziele aan uwe ziele kleeft: dat heb je immers bij bevinding, hertje. Wij moeten haar houden, kind Ofschoon gij mij tot een gouden vat verstrekt, zij is echter een aarden vat, dienstig tot ons gebruik. Is het zoo niet, liefstetje! Wees toch nooit meer jaloersch: och! jij hebt geen reden daartoe: ik heb mijn deeltje aan u; dat heb ik, och ja! Ik vergezel dit briefje met een geestelijken liefdekus, en ben uw eigendom.

BENJAMIN.