Elizabeth Wolff (1738-1804) — Agatha Deken (1741-1804)

SARAH BURGERHART

Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp aan
Mejuffrouw Suzanna Hofland.

Lieve Vriendinne!

Daar heb ik, als ik het nareken, zoo een twee dagen en drie uren in de macht des Satans geweest: hij gaf mij die goddeloosheid in. Hij heeft mij verleid. Och, zusje, zusje! ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben ellendig. Die duizendkunstenaar was het, die mij dien gruwelijken brief deed schrijven. Zoo heb ik te veel op eigen krachtjes vertrouwd! och ja! mocht ik er maar door geraakt zijn, en nooit weêr op mij zelf vertrouwen. O! het ging mij, zooals de Eerwaarde van de Kwast placht te zeggen: de conscientie is de klapperman uit de hartestraat, die de menschjes waarschuwt voor den brand van de Hel. Gelukkig, dat mijn oude mensch niet te diep was ingeslapen; och! dat was recht dierbaar.

Verbrandt toch alles om der vromen wille. Gij kent de diepten des Satans. Mag ik morgen bij je komen, en dan blijven op ’t geen je maar hebt? Schrijft mij dit, of ik verval tot wanhoop.

Uw zwakke zuster,

CORNELIA SLIMPSLAMP.