De heer R. aam den heer G.
Jan Lief!
Haal mij de Satan! ik ben nog even wijs! ja, ik zie het heksje nu en dan; ik ben ook met haar op het concert geweest; maar ik ben nog even na, als toen ik begon. Hoe moet ik het aan leggen? Liflaffen? dan lachte zij mij van mijn stuik; maar met een stemmig bakkes zeggen, dat ik haar bemin? Och! dat gaat haar niet aan haar koude kleêren (zooals de meisjes zeggen). Had ik haar maar ergens daar mijn haan koning kraait, dan zou ’t proces spoedig afloopen: en zij zal niet zot genoeg zijn, om zich te durven inbeelden, dat ik een burgerdochter zal trouwen. Sultane favorite, Jan, is dat niet dubbel wal als ik, Frederik de eerste, haar Soliman ben? Ben ik evenwel niet een opgewarmd bier en broodskind, gelijk mijn oom, de kapitein, zijne matrozen noemt, dat ik zoo een charmante meid niet tot mijne vrouw maak? Lief heb ik haar, waarachtig: dat is waar! Anders zou ik zoolang niet het masker voorhouden. Zij stond al lang op de groote lijst. Maar wat praat ik van liefde tegen zulk een liederlijken knaap al gij zijt? Eene vrouw is bij u eene vrouw —loop, gij zijt mijn gebabbel niet waardig. Ik heb echter nu een ander plan: dat zal niet missen; en, zoo de weduwe het in ’t hoofd krijgt om hare jonge vriendin te geleiden (zij ziet er ook wel uit), dat zal den koop niet breken. Zoudt gij niet zeggen, dat ik al een gansche kerel ben, als gij mij zoo hoort snoeven en pochen?
Waarlijk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik het wicht, of ik ben razend zot naar haar; en wat denkt gij? ik heb nog nooit hare hand gekust; ’t is waarachtig, Jan. Zij is onnoozel, dat is het, dat mij zoo ingetogen maakt; want hoevele vrouwen ik ook bedierf, ik heb nog al regard voor brave meisjes. Een lichtvaardige is mijn pop niet, al was zij zij schoon als deze meid. — Doch dit is to bliktri voor u.
Vaar dan wel!
R.