Elizabeth Wolff (1738-1804) — Agatha Deken (1741-1804)

SARAH BURGERHART

De heer Hendrik Edeling aan
de heer Cornelis Edeling.

Mijn dierbare vriend!

Ik schrijf, of begin  dezen te schrijven, aan het huis, daar de beminde mijner ziel, sedert gisternamiddag vier ure, niet is teruggekeerd... Mijn bloed stolt in mijne aderen, liefde, angst, jaloezie, drift, weemoedigheid, maar vooral de teederste bekommering, verscheuren mijne ziel dermate, dat mijne ongesteldheid sterk toeneemt.

O! Gij engel onder de menschen! Bekoorlijke, lieve, lachende lenteroos, zal een geweldige deugniet u baldadig verscheuren, en, na u bespot te hebben, onder zijne voeten vertreden... IJselijk vooruitzicht! wreede onzekerheid! alles is duister als het graf, als de paden des doods...

Kon ik, mijn broeder, maar zooveel bedaardheid herkrijgen, om u mijne ramp in eene tamelijke orde te schrijven. Ik zal het ondernemen: de waardige vrouw is, op mijn sterk bidden en aanhoudend verzoek, wat gaan liggen; juffrouw Brunier insgelijks. ’t Is nu middernacht. Niemand beweegt zich; alles is stil; ik hoor niets dan ’t gekras mijner pen.

Weet dan, dat ik gisteren na den middag, door overhaastig reizen, zeer vermoeid in de stad kwam. Mijn hart dreef mij naar dit huis; ik moest haar zien, die ik, nu veertien dagen geleden, voor de laatste keer zag. Ik had berichten opgedaan nopens den heer R., en ’t was hoogst noodig, die berichten aan de waarde mevrouw Buigzaam en aan mijne beminde ten spoedigste mede te deelen. In een blijde, gespannen verwachting, trad ik de stoep op de dame zelve deed mij open, eer ik nog had aangescheld, heette mij welkom, vroeg of ik ziek geweest was, en verzocht mij om thee met haar te drinken. Ik zag, dat zij alleen dronk. Hoe vaart, vroeg ik, mijne lieve Burgerhart; is zij thuis?

Zij. Het lieve meisje is zeer wel; en ik denk, dat zij tegen den avond zal thuiskomen. zij is met den heer R. naar den Hortus Medicus, om ik weet niet welk vreemd gewas te gaan zien (ik ontstelde zoo, dat mijn theekopje in mijne hand beefde.) Wat scheelt u, mijnheer Edeling? Gij zijt immers niet jaloersch? waarlijk, gij hebt er geen reden toe, ’t is zuiver toevallig. O mevrouw! zeide ik   (met mijn aangezicht op hare naar mij uitgestrekte handen bukkende), o mevrouw! het arme, arme meisje! R. is de snoodste kerel die ooit der sexe lagen legde: wat zal van mij — wat zal van haar worden? (Ik zweeg van smarte. Zij was eenige minuten sprakeloos, en toen ik mijn gelaat ophief, zag ik dat zij eene flauwte had. Ik sprong op, ging uit de kamer, riep Frits, zei hem zachtjes: geef azijn en zwijg. De goede man bestiert, doch gehoorzaamde; ik bracht haar weder bij, doch met moeite. Hare tranen raakten los. Volg mij, sprak zij in mijn eigen vertrek; hier kan ik niet blijven in de zijkamer. Ik ondersteunde haar; ik vergat mijzelven. Zij deed zelve de deur toe, zat neêr, wenkte mij om te zitten, scheen mij meer te willen vragen, doch kon niet. Ik moest spreken. Ik zei dan):

Ik heb u te plotseling het mij gegeven bericht van dien deugniet medegedeeld; vergeef mij dit (Zij drukte mijne hand en weende. Ik ging nog eens uit de kamer en wenkte den knecht, om mij eene flesch wijn en seltserwater te geven; hij deed zoo ik verzocht haar te drinken: zij kon niets dóórkrijgen; ik hield aan; het ging, en zij kreeg de kracht om mij dus aan te spreken:)

O! mijnheer Edeling, welk een vreeslijk nieuws vertelt gij mij daar! zoo gij twee uren vroeger gekomen waart, mij zou dit allerdroevigst geval niet zijn overkomen. Gij kent hare onbekwaamhedi om argwaan te kunnen hebben; hij gaf er ook geen reden toe; ofschoon hij mij dermate tegenstond, dat zij mij nu beloofd had, nooit meer met hem te verkeeren alleen om mij genoegen te geven (En toen weende zij weder; mijne oogen druppelden.)

Verdenk haar niet; o! zij is onschuldig! gij zijt haar vriend, zegt zij, maar ik ben gerust dat zij u bemint; zij weet dit zelve nog niet; zij gelooft het ook niet. Daar valt mij iets in. (Zij schelde.) Frits, ga eens ten eerste naar den Hortus, en vraag of daar niet een heer en eene dame is, hij gekleed in een gridelijnen rok, met zilver, en de juffrouw in ’t geel taf. zoo men ja zegt, verzoek dan, of de juffrouw ten eerste gelieft thuis te komen; zeg, dat hier iemand is om haar te spreken, die zit te wachten. — Hij vloog, doch zoo behending, dat de meiden er niets van merkten. Wel vijftig maal keken wij op de pendule, op de horlogies. Wat bleef de knecht lang uit! — Hij kan nog niet weêr zijn. — Eindelijk daar kwam hij, en binnengelaten zijnde, verhaalde hij, „dat een der tuinknechts hem gezegd had, dat zoo een heer en juffrouw reeds vóór vijf ure waren heengewandeld, en dat wel de plantage dieper in.” Zeer wel, zei mevrouw; Frits; gij weet niets, belooft gij mij dit? maar ik ken u; ga maar naar achter, doch geij moet niet uitgaan, ik mocht u noodig hebben. Hij ging zeer verslagen heen. Wij zagen elkander zwijgend aan. Zij rees op, wrong hare handen, viel op een stoel neder, met hare oogen ten hemel geslagen. O genadig Wezen (smeekte zij), bewaar een kind, dat in de handen van een monster is!

Ten achte ure hield er een rijtuig stul; mijn hart sloeg zoo geweldig, dat hij mij pijn veroorzaakte; wij zagen elkander aan, maar ’t was niet te zeggen, ’t geen wij hoopten. Daarop hoorden wij de stem van juffrouw Brunier, die met haar oom van zijn buiten kwam, en ons had meenen te verassen. Zij trad in, omhelsde mevrouw, doch terug tredende zij zij: „O God! wat is dit te zeggen? waar is mijn Burgerhartje? Is zij ziek? O ik had rust noch duur; ikvreesde, dat er iets was; ik heb ook in vier dagen geen brief gehad: ik ga bij haar...” Blijf, mijn liefde, zeide de dame: uw Burgerhartje is niet ziek; zij is wel; immers, zooveel ik weet.

Juffrouw Brunier. Wat is er toch? Ik bid, ik smeek u, zeg het mij!

Juffrouw Buigzaam. Juffrouw Burgerhart is niet thuis; de heer R... Letje, ik kan u niet meer zeggen. (Het goede meisje bestiert als haar linnen, en ik verhaalde haar al wat ik er van wist.) Zij weende, bad God, zei dan weêr eens: dat het onmogelijk waar zijn kon; dat hare vriendin zulke deugdzame begrippen had als iemand; dat zij R... in ’t geheel niet beminde, enz.; kort gezegd, zij spaarde niets om hare vriendin te verschoonen. Zij zal wel gauw thuis zijn; vervolgde zij; laten wij zoo een engel niet veroordeelen.

Juffrouw Buigzaam. Dat doen wij niet, Letjelief; maar R... is een der snoodste fielten; och, ik bezwijk, als ik er aan denk.

Juffouw Brunier. Waar is Hartog? waar is Lotje?

Juffrouw Buigzaam. Hartog is op een groot soupé en men moet haar opwachten. Lotje blijft van nacht bij haar oom en tante, daar zij mede naar den Hout is.

Het werd negen — half tien; elke koets, ieder rijtuig, deed ons luisteren, afbreken; wij bedrogen ons! De poort was nu toe, en — geen juffrouw Burgerhart!

Onze toestand gaat alle beschrijving te boven. Verbeeldt u dien, zoo ge kunt. Letje ging zich van hare pelise en hoed ontdoen, kwam boven op de kamer, die deze twee engelen te zamen hebben, en riep: „mijnheer een woord!” Ik vloog naar boven: „haal,” zei ze „onze vriendin; ik vind hier brieven.” Deze tijding gaf de zwakke vrouw krachts genoeg om, door mij geleid, met bevende treden de trap op te gaan. letje sloot de deur: ik was nooit zoo aangedaan. Ik wierp mij op den stoel neêr, waarop zij het laatst gezeten had, immers zoo ik dacht, omdat zij, totdat zij uitging, aan de bureau had zitten schrijven. De pen lag nog op ’t papier: ik kuste die.

De brief, zeide juffrouw Brunier, is, zoo gij ziet, aan mij? Zij brak dien open; zij las, doch kon niet voortgaan; zij gaf hem mij om hem te lezen. Mijne oogen schemerden: mijne tranen... Och! mijn waarde broeder! maar ik schaam mij over mijn gevoelig hart niet; gij weet wel, dat ik niet licht tranen stort. Ik las dien brief, schoon ik wel twintigmaal ophield: nu bleef mijne stem steken, dan snikte de weduwe, dan schreide Letje. Eindelijk zei de eerste: „o dat oprecht, dierbaar, edel meisje; nu ontwikkelt zich een discours, waarvan ik niets begreep!” Wij lazen den brief van haren voogd, bij wien men haar belasterd had. Ik sloeg een boekje postpapier open, en vond er een briefje in aan hare tante... Maar ik kan u alles niet schrijven; gij kent van hare historie niet genoeg. Nu zagen wij elkander aan, en, na duizend ontwerpen gemaakt te hebben, die wij allen verwierpen , was onze droefheid onuitsprekelijk. ’t Was nu één uur.

Juffrouw Hartog kwam thuis, begaf zich naar hare kamer, en naar bed: wij hielden ons stil. Mevrouw Buigzaam was zoo ongesteld, en zoo vermoeid en afgemat, door hare veelvuldige, en voor haar teeder gestel verwoestende gemoedsbewegingen, dat wij haar deden besluiten om te bed te gaan: zoo ook raadde ik aan juffrouw Letje: zij zoude zien, zeide zij, wat aangekleed te gaan liggen. — Ik ging naar de kamer der weduwe; en, na eenige oogenblikken als in mij zelven verzonken gezeten te hebben, beproefde ik, of ik zoude kunnen schrijven. ziehier, wat ik op het papier stelde. Niemand der bedienden, dan de bedaagde trouwe huisknecht (die reeds een der domestieken van den heer Spilgoed was, en zich gelukkig rekende, weder bij zijne vorige meesteresse in dienst te zijn), weet, dat ik hier ben: in alle onze ontroeringen begrepen de dames zoowel als ik dat men van dit geval een diep geheim moest maken.

’t Is half vier ure; de dag begint aan te breken,. Nog in geen uur worden de poorten geopend; daar komt iemand naar beneden... men tikt aan de kamerdeur... ik ga zien wie het is.

Het waren de dames; zij hadden geen oog geloken. De goede Frits, die ook op was, bracht ons theewater; wij ontnuchterden. Juffrouw Letje sloeg voor, om den knecht zachtjes uit te laten (de meidenkamer is achter, boven), en hem naar de Muiderpoort te zenden, om te zien... och, zei ze, wat mag ik praten! ’t Is immers te beuzelachtig. Wij zwegen, en toonden dus, dat wij ’t niet goed vonden. Wij waren dus niet in staat om maatregelen te nemen. Ik was ziek van angst en van mijne vermoeiende reis. Wij gingen zachtjes weêr alle drie naar hare kamer, omdat juffrouw Hartog ons dan niet kon hooren, en zoo al, ’t was, dit wist zij, de kamer der jonge juffrouwen, die mogelijk te zamen praatten.

Te vijf ure hield er eene koets stil: de koetsier schelde; de deur ging open; men gaf iets met veel haast aan den man. — Broeder! kan ik het u zeggen? — ’t was mijne Burgerhart! Wij zagen alles door het glasraam, in één oogenblik. Maak u uit den weg, zei mevrouw, en deed mij in een kabinetje gaan mij  inluisterende: sluit het van binnen. De lieve ontkomene vloog, met de handen voor de oogen, Frits voorbij, en wierp zich, op het punt van te bezwijken, in een armstoel neder; zij zag mevrouw Buigzaam, zag Letje, schrikte, deed een poging om op te staan; maar de brave vrouw kwam haar voor, sloot haar in hare armen, sprak niets. Saartje sprak niets. Letje sprak niets. Dit zag ik alles duidelijk door een schreef van ’t gordijn, ’t welk binnen voor een glas van het kabinetje hing, dat op de kamer licht ontvangt. Mijne  beminde zeeg weder neêr; de dierbare vrouw lag mijn bemindes hoofd tegen haren boezem; KLetje knielde aan haren schoot, en gaf haar een glas water met hofmansdroppels: beide deden haar alle mogelijke diensten. O! hoe moeielijk viel het mij, niet te durven naderen! Ik snikte eens, zelfs door mij te sterk te weêrhouden. zij hoorde het, zag wild, maar vroeg niets. „Wilt gij niet naar bed, liefde,” vroeg mevrouw Buigzaam, „gij zijt ziek.” Saartje knikte van ja en wees dat zij moest adergelaten worden, tevens te kennen gevende, dat zij hier, op de borst, zoo benauwd was. Letje zond Frits naar een Chirurgijn; en de beide dames hielpen haar uitkleeden. Vreeselijk was haar goed gehavend; hare lubben waren gescheurd, ettelijke boucles los; ik deed het gordijn toe: men moest de vrouwen eerbiedigen.

Nauwelijks te bed zijnde, kwam de Chirurgijn, een oude vriendelijk man, die dit huis bedient, hij deed de lating, voelde haren pols, en zei dat hij oogenblikkelijk iets geven zou om in te nemen. Nu weende zij; dat verlicht mij, zei de zoete dame. Och, mijne dierbare vriendinnen! Verdenk mij niet! God is mijn getuige... Ik heb u niet misleid, maar ik ben den schurk ontkomen: ongedeerd, indien dez ontsteltenis mij niet hindert. Ik kan u nu niets zeggen; wees gerust; ik dank den hemel, dt ik onbedorven terugkom. Mevrouw Buigzaam dankte God, zoo ik juffrouw Letje; zij schoof de gordijnen toe, verzocht haar stilte liggen, en te zien, of zij in rust kon komen, haar verbiedende een woord meer te zeggen.

Onder voorwendsel, dat juffrouw Letje de afgelegde kleêren in het kabinetje ophing, sloop ik voorbij. Mevrouw volgde mij. Letje bleef boven.

In hare kamer gekomen zijnde, viel zij mij om den hals; geluk beste der mannen! (was hare sterke uitdrukking), de engel is behouden. Zorg nu voor u: doe u terstond aderlaten, en zie, of gij een kleine wandeling doen kunt, vóór gij naar uw huis gaat; ik zal u tegen den avond weêr wachten.

Ik volgde haren raad, en kwam tegen negen ure bij vader aan huis, die mij uitermate vriendelijk ontving, en ontstelde, dat ik er zoo aangedaan uitzag. Ik zei dat ik adergelaten en zeer onpasselijk was. Hij raaddemij naar bed te gaan, zooasl ik ook deed, en nu, twaalf ure, vervolg ik den brief, in een ander huis begonnen. Vaarwel mijn beste vriend,

HENDRIK EDELING.

P.S. Dewijl ik niet weet, waar gij u thans bevindt, zla ik dezen niet afzenden; ik hoop u alles, deze zaak betreffende, te doen weten, al ware het, dat ik u de brieven zelf overleverde.