Mejuffrouw Suzanna Hofland aan
Mejuffrouw Stijntje Doorzicht..
Lieve Vriendinne!
Ik ben te beschaamd, om je onder de oogen te komen, daarom schrijf ik u dezen brief. Och! ik ben een verloren menschje!Had ik toch naar je gehoord! maar, wat zal ik zeggen? ik geloof, dat mijne zonden mij al deze ellenden hebben op het hoofd gehaald. och ja! ik was recht toornigjes op u, toen gij laatst bij mij waart; want ik meende, dat je zoo niet tot het diepste van ons wegje waart doorgekropen: dat het allegaar zoo maar stukwerk was, omdat je zoo weinig zin had aan broeder Benjamin. Wat heb ik mij voor den Heere vernederd, omdat ik eenige achterdocht omtrent dien huichelaar plaats gaf! ’t Is een Belials kind, een witgepleisterd graf, van binnen vol stank en doodsbeenderen. En zij is een Jezabel. zij heeft mij strikken gespannen, zij heeft mij op mijn droggrond neêrgezet. zij heeft mij wijsgemaakt, dat al mijne ongerustheid ingevingen des Duivels waren. Zij is eene Achitofelinne, die mij nog voor acht dagen zoo een goddelooze raad gaf, met opzicht tot mijn nichtje Burgerhart. Maar de Heere liet zijn schepseltje niet los: en toen schreef zij mij een briefje van berouw, in zulk een gezalfde stijl, Stijntje! zij kermde daarin, dat zij nu twee dagen en drie uren in ’s Duivels macht geweest wat. O, ’t was een zoo dierbaar briefje! En toen wat het, dat zij tegen den Hypocriet zei: kom laten wij een graf graven, ende Sanneke daarin werpen; want zij liet mij belet vragen; zij had zalving voor haar verbrijzeld herte noodig, en broeder zou dan, nu des Heeren ijver hem vervulde, eens recth ziel-naderend en gemoedelijk oefenen. Wat stelde ik mij een gezegend dagje voor! ja, Stijntje, ik liet het gemeste kalf slachten, en de zegeningen der linkerhand werden niet gespaard. Och, ik ben toch altoos zoo een kruipertje op het genadewegje, en was zeer gesticht,. Benjamin was eerst een recht Boanerges, en toen een zone der vertroosting; en Slimpslamp was geheel heilige vreugde, zoo zei dat ezeltje,. Ik merk, zei de goddelooze man, dat hier vanavond een bizondere zegen over het werk van mijn dienst is. Uw huis is een Bethel, zuster, een Nieuwkerk, laten wij dan blijde zijn: drink, vriendinnetje, je bent al bedroefd geweest, en je leven is den Sionieten dierbaar. Nu moet je weten, Stijntje, dat ik niets verdragen kan; mijn hoofdje is zoo zwakjes, zoo zwakjes; och ja! en toen raaden zij mij wat te gaan liggen, en dat deed ik. O wat bezorgden zij mi!jmaar ik was danig bedwelmd. — ’s Ochtends ontwaakte ik vrij wel, maar ik was toch bezwaard, omdat ik onder zooveel stichting mij door het schepseltje had laten vangen. Brecht was ook ziek, zei ze. ’t Was laat, toe we opstonden; zij was stomdronken geweest. Daar ga ik in mijn binnenkamer, en zie mij geldkoffertje niet, daar het plag te staan: „Brechtje,” riep ik, „heb jij ’t kistje verzet?” — „Och neen,” zei zij, „is ’t weg? en ook ’t zou mij wat zwaar zijn alleen.” Want, Stijntje, ik had veel contant geld van afgeloste obligatiën, en van een huis, dat ik verkocht had, en mijn juweelen lagen er ook allegaar in; en daar hing zoo een groen kleedje over; och ja, Stijntje. Brecht vertelde mij toen, dat Keetje haar wijn had ingedrongen (maar dat zei ze ook eens van mijn nichtje), en dat zij haar toen in de keuken op kussens hadden neêrgelegd; meer wist zij niet te zeggen. Nog dacht ik geen kwaad van die hellewichten. Och dacht ik, Brecht zal de deur hebben opengelaten, en ’t Kistje zal gestolen zijn! Ik zond een kruier naar Benjamins kamer, en naar die van Kee, maar de buren zeiden, dat de kamers leeg waren, dat zij voor een dag of acht wel meubeltjes hadden zien wegbrengen maar zij wisten niet waarhenen. Ik ging voort naar dominé P., die mij raadde het in de courant te zetten, en zoo te zien, dat zij in handen der justitie kwamen. Dat zal ik doen. Nu ben ik wel twee derde deel van mijn goedje kwijt. En al mijn nichtjes goed hebben zij laten staan. Brecht, nu zij weet dat ik arm ben, bejegent mij vreeselijk en vreeselijk. Nu zal dat jonge, dartele Saartje lachen, en mij bespotten; en de heer Blankaart, haar voogd, komt ook thuis. ’t Water aan de lippen. Ja, dien man heb ik ook zoo belasterd; och ja!
Hij heeft het wel gezegd! Sanneke! zei hij, dat volk loopt op je zak; ze bedriegen je. Je bent een rechte Saulus, zei ik dan. En wat gaf Benjamin niet voor dat hij zoo een innerlijke dingsigheid voor mij had; hij was jong, moet je weten; hij hoopte dat wij nog eens tot ééne vleesche zouden worden, wij die twee waren van natuur. Wel heden, Stijntje, het er niet een heel praatje gegaan, dat ik één juk met den broeder zou aantrekken; en heeft de heer Blankaart, heel in dat paapsche Frankrijk, er zich niet mede bemoeid? Als ik zoo alles nadenk, zou ik men grijze haar wel uit men hoofd scheuren. Mijn geld, mijn kostelijk geldje is weg, ik ben bedrogen. Och! wat ben ik een droevig sukkeltje! En hoe zal mijne nicht nu tot opspringens toe blijde zijn! Nu, zal zij zeggen, straft onze lieve heer mijne tante, die mij zoo kwalijk bejegend heeft. Zie, ik moest je dat zoo allegaar eens schrijven. Schrijf een lattertje aan
Uw ellendig zusje,
SUZANNA HOFLAND.