Mejuffrouw Suzanna Hofland aan
Mejuffrouw Stijntje Doorzicht.
Waarde Stijntje.
Wat heb ik daar een dobbingen en een strijdje gehad! Een recht pluishaartje met den ouden mensch na het lezen van je zoet briefje. Ik stond of men harsens niet gesloten waren. Och! ik ben maar een heilig teutelkousje, een dauweltje; ik voelde wel, dat ik er zoo over getild moest worden, wil ik spreken, en, onder veel zuchtens en hartbrekens, kwam ik er toch door, door dat enge poortje, daar vleesch en bloed wel eens aan de posten en kozijnen blijven hangen, zooals zuster Babbelia zoo fraai in haar boekje ergens zegt. Nu, daar is ook wat van de ikheid afgescheurd! Wat had de bedorven wil uw zoet verzoekje graag een procesje willen aandoen! Wat ging er al om in mij zelf ruizietjes en geestelijke knorpartijtes. ’t Was ellendig! Wat zal je met dat eigen werk doen? riep de oude mensch. Geef je maar gevangen aan de zalige onmacht, riep de geestelijke luiheid. Wat wil je doen? schreeuwde de Satan, jou recht onhandig heilig kruipstertje, geef je aan mij; je bent mijn gevangene, ik moet je hebben, mij kan je niet ontkomen, meê met mij, met mij: en me docht, dat hij me dan zoo leelijk aangrijnsde, dat ik niet durfde opzien. Maar ik volgde uw raad, en ik ging in ’t Evangelie en in de brieven van Paulus zitten lezen, en toen ik: Heere! hier is immers uw woord; en Stijntje heeft wèl gesproken; ja, dat moet ik maar doen! het Evangelie leert een werkend, geen lijdend Christendom, en toen was ’t of er tegen mij gezegd werd: volg Stijntjes raad, en daarna zal ik tot u zeggen, wat gij meerder doen moet. Och, toen stond ik op en schreef een briefje, en zie, daar krijg ik dit antwoord! Zou er nog niet wel een zaadje voor den Heere in dat hartje liggen, Stijntje? Brecht is in eene bierkroeg verhuisd, met pak en zak, en ik zit nu moedermensch alleen. Ik heb daar zoo een zoet boekje gevonden, het hiet Thomas à Kempis. Wat is er een zalving in dat boekje? het wil ook ’t verloocheneningswegje op. Stijntje schrijf mij toch nog eens; och, ’t is mij zoo veraangenamend. Ik ben
Uw boetvaardige Zuster,
SUZANNA HOFLAND.