Elizabeth Wolff (1738-1804) — Agatha Deken (1741-1804)

SARAH BURGERHART

De heer Willem Willis aan
mejuffrouw de weduwe Willis.

Teederbeminde, Hoogstge-eerde Moeder!

Ik kan mijzelf het genoegen niet onthouden, dat er voor mij gelegen is in u mijne gedachten mede te deelen, en om u hetgeen mij, is het van eenig belang, ontmoet, te schrijven. Uwen dierbaren brief heb ik met de oprechtste dankbaarheid en eerbied gelezen. Ik hoop, dat ik niet ten eenenmale zal hebben teleurgesteld omtrent uw verlangens nopens de beminnelijke juffrouw Burgerhart. Hetgeen mij hier is voorgekomen, geeft mij, ter bereiking van uw oogmerk, nieuwe vermogens, omdat ik waarlijk zóó wensch te doen, als uwe moederlijke liefde van mij vordert.

Toen ik te Parijs kwam, was mijn eerst werk om den heer Blankaart op te zoeken; dit gelukt mij, na veel loopens en dravens. ik vond hem denzelfden man, als ik hem altoos vond. Hij was zeer verheugd mij te zien, en heeft, om met mij en nog een Amsterdamsch heer, Cornelis Edeling, te kunnen reizen, zijne reis nog drie dagen uitgesteld. Wij logeeren bij hem. Hij moet zeer rijk zijn, want hij leeft hier net als in zijn eigen huis. Gij kunt wel denken, lieve moeder, dat ik voort naar mijne beminde vroeg. ’t Was alles wel, zei hij. Des avonds bij elkander zittende, nadat wij den maaltijd gedaan hadden, zat hij in zijn praatstoel, en vroeg ons, of wij nog geen meisje hadden? Ik zuchtte. Edeling lachte. „Dat zou,” zei de jonge heer, „schande zijn voor ons, geen meisje, en drie en vier-en-twingtig jaar!” — „Eer heeft uw hart,” riepde goede man, en wreef in zijne handen van genoegen. „Nu Willem (tegen mij), hoe zit het bij u?” — „Hopelooze liefde, mijnheer Blankaart; ik bemin juffrouw Burgerhart, en ben overtuigd, dat zij mijne vrouw niet worden kan.” — „Wel, voor haar dan eene andere, die u beter lijk,” hervatte hij.

Ik. Daar kan ik niet aan denken.

Hij. Nu, ’t is nog vroeg in ’t gasthuis; doch op Saartje moet gij geen staat maken. Ik zal voor u ook wel een goeie vrouw opschommelen, en die voor u veel beter zijn zal; want ziet, Willem, al had ik eene eigen dochter, en gij kost er gelukkig meê zijn, ik gaf ze u, met de helft van mijn goed er bij: ik hou veel van u: en ook, hier onzen vriends broêr verkeert naar haar, en zoo zijn vader mij maar niet te veel malens aan de kling maakt, zal ik haar geven: hij is de man, dien zij hebben moet; dat zeggen alle menschen, die hem en haar kennen. Kom, je moet niet bleek worden, Willem; ik zal u ook helpen: laat ik zelf maar te Amsterdam zijn; ik weet zooiets voor u dunkt mij.

Edeling. Lieve, goedaardige heer! mag ik mij ook wel in uwe gunst bevelen?

Hij. Hoe, moet ik voor u ook zoeken? Neen, neen! dat niet: met Willem is ’t wat anders; ik moet hem schadeloos stellen.

Edeling. Kom, ik zal alles maar opbiechten, op hoop van eene goede absolutie te krijgen: maar laten wij eerst uwe gezondheid eens oud vaderlandsch drinken. (Wij deden zoo, en de heer Blankaart gloeide van genoegen.)

Ik heb juist, uit vrees voor mijn vader, die de beste, de eerlijkste, maar ook in sommige opzichten de wonderlijkste man is, iets gedaan, dat mij, vrees ik, drovig zal opbreken! — Ik ben daar zoo maar op mijn eigen houtje verliefd gaan worden, toen ik te Leiden studeerde. Het meisje is al, wat men van de Goden zou kunnen wenschen, doch zij en hare heele familie schijnen niet zeer in de gunst van een zeker mal, blind, capricieus oud wijf te staan, en zijn daarom niet meer dan burgerlijk gegoed.

Blankaart. En wie is die leelijke torntoffel? de eene of andere kwezel van een tante, denk ik! (Hij lachte tegen mij, of hij zeggen wilde, ik denk aan tante Hofland.)

Edeling. Och! ’t is een ellendig wijf; en ze leeft met de menschen, als de duivel met de takkebossen.

Hij. Is ’t een Leidsch maaksel?

Blankaart. Neen; men zegt, dat zij van Amsterdam herkomstig is, en nu durf ik, om dat hagelsche wijf, er nog minder van kikken! want mijn vader is niet gierig, doch hij zegt altijd, men kan van eene mooie tafel niet eten; en, dewijl hij mij op het advocaten besteld heeft, zal ik vooreerst mijn geld wel alleen tellen kunnen.

Hij. Hoe heet dat leelijke vrouwmensch?

Edeling. Mejuffrouw de Fortuin.

Hij. O, gij platvisch! daar heb je een ouwe rot in den val (en hij schaterde van lachen).

Edeling. Wilt gij nu voor mij ook een goed woordje spreken bij papa; want het zal vreeselijk op mijn land waaien: en zeker, ik heb alles zoo niet bedacht.

Hij. Wel, zoo ’t buiten dat wel is, daar is mijn hand, jongen. Ik zal wel zien, dat je er genadiger afkomt, dan je verdient; zie, ’t is uw vader; en jij hebt niet bon gedaan. (Hij trok zoo een potsig bakkes, dat ik hem niet aan kon zien zonder lachten.)

Edeling. Daar is wat aan, maar hoe zal ik het nu redden! Want mijn meisje is al wat ik in de wereld begeer, zooals men zegt: dit is waar, dat ik haar oprecht bemin, en dat zij mij liefheeft: zij is wèl opgevoed, en van een oud eerlijk geslacht. Zooals ik zei, spreekt een woordje voor mij, mijn lieve heer Blankaart!

O! hoe beminnen en achten wij dezen dierbaren man! Lieve moeder, is ’t niet jammer, dat de heer Balnkaart geen vader is van een talrijk huisgezin? Dat zeiden wij ook eens. „Ja jongens,” zei hij, „dat spijt mij genoeg, maar alle brave, nijvere, goede jonge meisjes en jongens zie ik aan voor mijne kinderen, daar ik ook wel wat goed voor moet zorgen. Ik zeg altijd, Abraham Blankaart, een eerlijk man heeft altoos erfgenamen, mijn vriend; en terwijl ik leef, doe ik zooveel goed, als ik nu aan al mijn geld, als ik een Neer, een niemands-vriend was? En nu, wel, ik ben overal welkom. Meisjes, jongens, jonge vrouwen, kleine springertjes, al dat goed is om mij, alsof er goud uit mij te halen is; en ik ken geen grooter werelds genoegen, dan bemind en geacht te zijn van goede menschen; al ’t overige maar wawelingen.”

Groet mijne lieve tante, waarde zuster en vriend Smit, dien ik mondeling hoop te feliciteeren en te bedanken voor zijnen broederlijken brief. Ik ben met de teederste hoogachting,

Uw gehoorzame Zoon,

WILLEM WILLIS.