Mejuffrouw de weduwe Spilgoed.
Mejuffrouw de weduwe Willis.
Hoogst-geëerde Vriendin!
Nu kan ik mijn droevige dagen vergeten: ik ben gelukkig, gelukkig in mijzelve, in mijne vrienden, en een der waardigste vrouwen vereert mij met hare allerbizonderste vriendschap als een der kostelijkste geschenken, die ik immer van de Voorzienigheid ontvangen heb. Zij geve, dat wij nog eenigen tijd hier te zamen mogen leven om ons meer voor te bereiden voor de groote standverwisseling, om onze jonge lieden nuttig te zijn, om alle menschen wel te doen.
UweUwe liefde voor Letje doet haar zeer veel eer, maar zij is die waardig en zal die gedurig meer waardig worden. Zij bemint uw zoon, kent dus zijne waarde, dit geeft mij zeer voordeelige denkbeelden van haar verstand. Saartje had haar voorbereid, om hem met onderscheiding te beschouwen, en placht, half ernstig, half spottende, te zeggen: „mijn Willem geef ik aan niemand dan aan mijn Letje.” Ik heb met hem niets over haar gesproken; ik moet eerst zien, of uw zoons hart los genoeg is van zijne eerste beminde, om Letje met liefde te kunnen beschouwen. Indien dit zoo zij, dan is juffrouw Brunier alzoo geschikt om uwen zoon, als juffrouw Burgerhart om Edeling gelukkig te maken. Letje is minder levendig dan Saartje, heeft ook veel minder vernuft, maar een gezond oordeel en is met een zacht woord te leiden. Zij heeft geene heele sterke neigingen tot iets, wat ook; en zoo zij iets te doen heeft, zal zij dat eenparig volvoeren, zonder het om uitspanning neêr te leggen. Letjes karakter is eenparig goed. Saartje is groot, edel, wat romanesk; maar het kan zoo goed, zoo eenparig goed worden als Letjes. Beiden hebben den sterksten afkeer van het onbetamelijke, doch zij moeten in goede handen zijn om zoo goed te blijven als zij zijn, ja, om nog veel beter te worden.
Naarmate de trouwdag nadert, wordt Burgerhartje denkender; zij heeft wel eens vochtige oogen. Ik zal u een discours, met haar dezen avond gehouden, mededeelen.
Ik. Zijt gij niet wel, liefde? gij zijt zoo stil, zoo statig. ’t is of al de vreugd er uit is.
Zij. Ik ben zeer wel, en zeer vergenoegd, maar ik ben, ’t is waar, wat peinsachtig. Hemel! nog maar weinige dagen, en —
Ik. (Haar invallende.) En gij zijt de vrouw van een onzer beste, beminnelijkste jongelieden; van en man, die u bemint, als zijn eigen leven. Ontrust u die vooruitzicht?
Zij. Ja en neen! ik weet het zelve niet: (zij omhelsde mij teederlijk) en u te moeten verlaten, nu ik alle oogenblikken uwe lessen zal noodig hebben, u, die ik onder alle vrouwen het meeste bemin en waardeer! och, ik kan, ik kan daar niet aan denken. Mocht ik onder uw oog den zorgelijken huwelijksheuvel opwandelen, dan zou ik meer moeds hebben! O! ik ken mijne zwakheden: ik vrees voor het vermogen, dat ik op het hart mijns Edelings heb; ik vrees, dat mijne scherts hem wel eens zal dringen om verkiezingen in te volgen, die ik nog geheel moet afleeren.
Ik. Doet gij uzelve geen ongelijk? zoudt gij u ooit van uw invloed op uwen man willen bedienen om u vrijheden te bezorgen, die gij zelve niet goedkeurt?
Zij. Zoolang ik denk, neen; maar ik vrees, dat ik niet altijd zoo denken zal! Eén lichtzinnig oogenblik! en wi is daarvoor beveiligd?
Ik. Komaan, liefde, ik zal u eens eenen raad geven, die ik u niet zoude geven, indien ik niet verzekerd ware, dat gij een edelmoedig karakter hebt. Eerst nog: trouwt gij Edeling alleen uit liefde, uit een personeel behagen in hem, of omdat gij besluit, dat dit huwelijk voor u best is?
Zij. Ik trouw Edeling uit liefde, uit personeel behagen, uit overweging, dat dit zoo best isl en ik acht geen man in de wereld zoo hoog als hem. Met één woord, ik verkies mijn besten vriend tot mijnen man.
Ik. Deze bekentenis doet u eer aan! Daar dit nu alles zo is, en daar gij overtuigd zijt, dat hij u met teederheid bemint, uwe waardij kent en erkent; daar gij zulke goede beginsels hebt; daar gij uzelve, zeer verstandig wantrouwt; waarvoor zijt gij dan bekommerd?
Zij. Voor hersenbeelden, die mijne oogen eigen dwaasheid mij aan de hand geeft. Dat denk ik eens: zal zijne liefde duurzaam, zal zijne achting bestendig zijn? Zal ik den toegevenden vriend in den ernstigen echtgenoot behouden? Zullen onze humeuren wel genoeg harmonieeren? zal hij geduld met mij hebben, als hij kan bevelen? Hoe zal die inwoning bij zijnen vader gaan? Ben ik een meisje, dat een redeloos ik wil het zoo, kan eerbiedigen? Zal ik kunnen dulden, dat mijn lieve, verstandige man begrouwd, of als een jongen behandeld wordt? Wat zal ik met zoo een vader aanvangen, die, met al zijne goede hoedanigheden, de liefde zijner eigene kinderen nooit heeft weten te winnen? Mijn humeur, weet gij, is moeielijk: maar weet gij, waartoe verdriet mij zou brengen?
Ik. Ja! gij zult òf ziek worden en wegkwijnen; òf gij zult gemelijk en stout worden.
Zij. Sloof ik mij dan niet kostelijk uit? Met dit alles had ik niets te maken, zoo ik bij u bleef. Hoeveel zet ik op de huwelijkskaart? en wat trek ik, zoo het al ten beste loopt? Eene groote drukte, beslommering, en een huis vol zorg.
Ik. Gij vergeet iets en dat is ook nog al zoo iets; veel of weinig, ’t moet er toch bij opgenoemd.
Zij. En wat, zoo het u blieft?
Ik. Gij vergeet iets en dat is ook nog al zoo iets; (DEZE REGEL IS DUBBEL EN ER ONTBREEKT EEN REGEL) bruiken, op de huwelijkskaart zet, gij doet winst. ’t Is waar, gij wordt maar meesteresse van zijn hart; gij komt maar onder de bescherming van uwen besten vriend. Evenwel, dit is nog als iets, liefde.
Zij. (Zij glimlachte.) Nu hebt gij mij aardig beet. Laat ik er u een kus voor geven.
Ik. In ernst, mijn Burgerhartje, zoo gij inderdaad (en daar ben ik voor mij zeer van verzekerd), den huwelijkswweg inslaat met het zuiver voornemen om uwen plicht te doen, dan zult gij zoo gelukkig zijn met uwen man, als men aan deze zijde des grafs ooit worden kan. Gij verliest niets; al de winst is zoowel aan uwe, als aan zijne zijde, dewijl gij maar één belang hebt. Ik wil u niet verzekeren, dat alle uwe dagen schoone zomerdagen zijn zullen: er zijn vele, niet eens noemenswaardige voorvallene die ongenoegen kunnen veroorzaken. Eene kleine ongesteldheid, een onaangename ontmoeting, een weinig hoofdpijn, maken de redelijkste menschen wel eens wat luimig. Hiervoor is uw Edeling zoomin beveiligd als een ander; daarbij komt nog, dat hij zeer vele zaken heeft. Zoo ik nu iets op u vermag, gebruik in alle zulke beuzelingen uw verstand. Laat uw vernuft hem dan doen lachen! Kijk niet statig, als hij al te weinig met u schijnt op te hebben; dit brengt wel eens verwijtingen en groote verdrietelijkheden voort. Begrijp, dat, als iets moet besloten worden, uw man de beslissende stem heeft. Iedere vrouw, die een man van verstand en van een gevoelig hart trouwt, begrijpt, dat zij dit recht aan hem moet afstaan; doch zij zal bij de uitkomst zien, dat in deze ook alweêr haar plicht haar geluk is.
Zij. Ik bedank u voor uwen raad. Ik zal dien altoos in acht nemen. Beloof mij maar iets.
Ik. Wat, mijn kind, moet dan zijn?
Zij. Dat gij mij, zoodra gij ziet, dat ik niet wèl doe, mij dat herinnert; met één woord, waak over alle mijne schreden. Ik weet het, dat ik u eerlang zal moeten verlaten. Ik kan mijne tranen niet weêrhouden, als ik denk, dat ik u alle daag niet zien zal, dat ik u niet ten gedurigen voorbeeld hebben zal! en ik ben nog zoo jong... kom in eene vreemde familie. (Zij was zeer bedroefd.)
Ik. Mijn allerliefste meisje, alles, wat ik voor u doen kan, zal ik doen; ik zal mij het vertrouwen, dat gij in mij stelt, waardig maken. Iets moet ik u nog vragen: hoe meent gij uwe levenswijs te richten?
Zij. Zóó, dat ik mij durf vleien met uwe, en met der waarde juffrouw Willis goedkeuring. Ik meen in mijn mans huis en in zijn gezelschap datgene te vinden, ’t welk ik elders te vergeefs zocht — vreugd en genoegen. Ik meen mijn zalige moeders voorbeeld te volgen, de huishoudster zoowel als de vrouw, en, als ik kindertjes heb, geheel moeder te zijn. Ik meen geen saletten, geen speelpartijen te houden; maar mijn gezelschap zal bestaan uit de familie van mijn man, die van juffrouw Willis, van mijn lieven voogd en van nog iemand. Kunt gij raden van wie?
Ik. Mogelijk van de weduwe Buigzaam; wat weet ik het zoo netjes, liefste?
Zij. Ja, van u, o dierbaarste vriendin! Wij zullen kleine concertjes hebben; wij zullen, als ’t ons in ’t hoofd komt, eens een uurtje omberen; wij zullen zelden uitloopen, zoo er niet een heerlijk muziek, of een schoon treurspel te hooren is. Wij zullen naar vader Edelings buiten gaan, zoodra ’t mogelijk is, en wij zullen God alle avonden danken voor gelukzaligheden, die wij genieten en aan anderen uitdeelen. Wij zullen lezen en onze handwerken beijveren, en de levensdag zal om zijn, eer wij er aan denken. Dan gaan wij, de eene wat vroeger, de andere wat later, weltevreden, van het levensfeest, naar de stille graven en slapen, totdat de dag der eeuwigheid aanbreekt. Is het Young niet, die zich zoo uitdrukt?
Ik. God zegene uwe voornemens, en geve, dat wij ons, door een heilig leven, voorbereiden tot eenen staat, waartoe hij ons geschapen heeft, die der kennis en des volmaakten geluks. Nu moet ik nog een ander woordje met u spreken. De heer Blankaart heeft mij verzocht om, schoon gij stil verkiest te trouwen, op den avond van uwe echtverbintenis, hetzelfde gezelschap te zien, als toen gij verjaardet. Ik denk, dat gij daar niets tegen hebt?
Zij. Niets. Schik dit alles zooals gij wilt.
Ik. De oude heer Edeling is er sterk voor om aan zijn eigen huis een groote partij te geven; maar ik heb aan uw bruidegom verzocht, dat dit acht dagen later mocht zijn. Dan kunt gij al dien tijd nog hier blijven met uw man, en dan dient de partij meteen voor eene welkomst in de familie en in uws vaders huis.
Zij. Maar acht dagen! o mij!
Ik. Ja, liefde, ik durfde niet meer bedingen; ’t zou zijn, dat gij geene genegenheid voor uw mans familie hadt; en zulke opvattingen doen nimmer goede uitwerksels. Mijne eigen kamer zal zoo lang de uwe zijn: ik zal die van Hartog gebruiken.
Zij. Hoe zal ik uwe liefde en zorg beantwoorden?
Ik. Door te gelooven, dat ik u bemin als mijne dochter, en u van mijnen raad te bediene.
Ziedaar, mejuffrouw, het gesprek. Hebben wij reden om een zeer goed huwelijk tegemoet te zien? Huiselijke bezigheden doen mij dus spoedig eindigen: ik had nog wat meer te melden: dit nu mondeling, zoo wij de gelegenheid maar hebbe. Ik ben
Uw hoogachtende vriendin,
MARIA BUIGZAAM,
Wed. P. SPILGOED.