Elizabeth Wolff (1738-1804) — Agatha Deken (1741-1804)

SARAH BURGERHART

Mevrouw de weduwe Spilgoed
aan Mevrouw Sara Edeling.

Allerteederst-beminde Vriendin!

Mijne ziekte vermeerderde door het treurige bericht, ’t welk de vriendelijke Willis mij bracht. Ware het eenigzins mogelijk geweest, ik zoude de koets niet ledig hebben laten terug laten gaan. Uwe zusterlijke vriendin Letje smeekte mij zoo ernstig om mij niet te wagen; de dokter verbood mij er aan te denken! wat kon ik doen, dan voor u bidden? Ik ben alweêr adergelaten, zoo ontstoken was mijn bloed; een zware verkoudheid heeft dit alles veroorzaakt. Ik zal vooreerst wat spaarzamer gebruik moeten maken van de gelegenheid, die ik hier heb om te wandelen, hoe goed dit ook voor mij in vele opzichte is. Stel u gerust; indien er niets  voorvalt, gelijk ik nu nog sterker hoop, zal ik in acht dagen bij u zijn. De heer Blankaart heeft mij verzocht om mij te mogen afhalen. Letje zal mij tot Amsterdam verzellen, een dag of zes bij u vertoeven, en vervolgens naar den heer Helmers vertrekken, om er tot na uwe bevalling te blijven, en vervolgens met mij naar buiten te gaan. Wij beiden verlangen onuitsprekelijk om u te zien! Hoeveel tranen uw brief ons gekost heeft, ga ik met oogmerk voorbij... Gij weet, dat wij teeder liefhebben; dat wij uwen uitmuntenden man recht doen... Niet meer hiervan; dit denkbeeld is mij te heftig, het verscheurt mij! Hoe bemin ik uwe tante Redelijk! Hare zorg voor u maakt haar dierbaar voor mij! En schoon ik niet twijfel, of de brave vrouw zal niets verzuimen, wat eenigszins voor u dienstig is, zoo kan ik mijne teedere genegenheid voor u niet weigerenen, het volgende te schrijven:

Laat de liefde voor uwe man niet uit het oog doen verliezen, dat gij hem nu al de zorgvuldigheid niet geven kunt, die gij hem, indien gij in eenen andren staat waart, geven zoudt. Uwe gezondheid, mijn hartje, is volmaakt; maar zij is als een goudschaaltje, er is zeer weinig noodig om die uit het gelukkig evenwicht te brengen. Gij hebt meer levendigheid, dan krachten, meer moed dan vermogen. Zorg dan nu voornamelijk voor uzelve, nu uw echtgenoot buiten gevaar is. Indien gij door waken uw bloed verdikt, kunnen de gevolgen voor u en uw kind hoogst nadeelig worden, zonder dat gij uwen man eenig wezenlijk nut doet. Alle sterke aandoeningen zijn uwe verdelgers, en ik schrijf uwe aanhoudende gezondheid grootelijks toe aan die gelukkige zielsgesteldheid, waardoor gij de dingen dezer wereld altoos of met onverschilligheid, of van de blinkendste zijde beschouwt. Gij zoudt niet gelooven, mijn engel, hoe wederkeerig, hoe betrekkelijk onze ziel en ons lichaam werken. En wie kan den invloed ontkennen, dien eene moeder heeft op dat schepsel, dat nog in hare schoot ontwikkeld wordt? Beur u dan op, liefde; stel u, onder Gods oogen, in staat om eene gelukkige verlossing tegemoet te zien. Vorm u toch geen onnatuurlijke schrikbeelden, die nimmer iets goeds uitwerken, en altoos hoogst nadeelig zijn. Gij hebt immers wel moed om aan de groote wet der natuur te gaan voldoen? Gij vertrouwt immers op den bijstand van dien God, die zijn zedelijk, plichtmatig schepsel, als het tot hem roept, in genade hoort? Eéne verrrukking uws dankbaren mans, een aanblikje uws kinds (i ik zeg niets, dan ’t geen ik zelf weet), zijn meer dan genoegzaam, om u de smartelijkste oogenblikken te doen vergeten.

Gij weet, mijne liefde, dat ik de vrouw niet ben, om u aan te drijven tot zorgeloosheid; om uwe aandacht af te leiden van den aanstaanden dag. Neen: die dag is altoos zeer gewichtig; maar ik tracht alleen „mogelijke omstandigheden, van hetgeen natuurlijk en eigen aan de zaak zelve is, af te scheiden.” Men sterft in de kraam,; men besluit hieruit, dat dit omtrent zoo natuurlijk is, als te sterven aan eene beroerte: dit besluit is verkeerd. O! de God der natuur is veel wijzer en goedertierener, dan al de stervelingen bevatten kunne. Onze verkeerde levenswijs, waardoor wij genoegzaam den aanleg onzer natuur verwrikken; onze dwaze manier van kleeden; onze vadzigheid; onze gemaakte teederheid; onze ongeregelde omkeeringen van dag en nacht; onze spoorlooze driften; de versmadelijke lapzalverijen van onkundige, gemeene wijven (om niets meer te noemen), ziedaar dit zijn de oorzaken van het sterven, van het deerlijk mishandelen der jonge vrouwen. En gij, zeker, hebt te veel verstand om niet te zien, dat dit geene natuurlijke gevolgen eener geheel natuurlijke ontbinding, die het nu voldragen kind van zijne moeder afscheidt, zijn kunnen. Beweeg u veel; onttrek u van den balsemieken invloed der vrije lucht niet; kleedt u zoo los en gemakkelijk als gij zelve verkiest; kleedt u zoo los en gemakkelijk als gij zelve verkiest, niet al te warm.

Onze Lotje is reeds bij oom Dirk, en ik merk, dat zij er gansch geen onnut lid uitmaakt. Het goede mensch! O wat zij de vermogens onderscheiden, en hoe lief heb ik u om de goedhartigheid, die gij altoos voor haar betoondet! Zij zegt ook, dat zij u liefheeft, en blijde is, dat gij zulk een schoon huwelijk gedaan hebt; en zij meent hetgeen zij zegt.

Van onze freule hoor ik niets in het allerminste. Mogelijk schrijven de beide savanten wel eene verhandeling over de zonnestofjes. De trek, dien zij ons speelde, maakt haar onze aandacht onwaardig; en daar lijdt zij niet ter wereld bij.

Mijne waardige vriendin Willis is reeds naar Zuidwijk vertrokken; zij heeft mij zeer verzocht om haar van tijd tot tijd te schrijven. Ik hoop, bij u zijnde, veel stof te hebben. Letje groet u teederlijk. Willis zit thans bij haar, en ik zie, dat zij beide volkomen gelukkig zijn met elkander. Hij zal u dezen brief zelf brengen. De heer Blankaart zal den dag mijner overkomst aan u komen bekend maken. Ik blijf, met moederlijke genegenheid en met de achting eener vriendin,

Uwe Vriendin,

MARIA BUIGZAAM.

Wed. SPILGOED.