1e BRIEF.

Blankaart noemt zichzelven gaarne een „ouden vrijer” of een „niets beduidenden ouden vrijer.” Dezelfde uitdrukking past Aagje gekscherend op zichzelve toe in een brief van 10 October 1785. „Zie kind, ik ben nu maar een oude, nietsbeduidende vrijster” (Brieven, Uitg. Dyserinck, blz. 272.

Honderd halve rijertjes” was ongeveer f 275 naar onze munt.

„Lastig beslissend welopgepronkt Jan Hagel dat men Petits maîtres hiet.” Beslissend beteekent „aanmatigend” en aan de „petits maîtres,” de fatten en modegekken hadden Wolff en Deken een innigen hekel. Breeder hieronder, als wy er een van die soort zullen tegenkomen.

Naar de 1e brief.


2e BRIEF.

Een „kwakerinnetje,” een „fijntje.” Een zedig, stemmig., proper maar eenvoudig gekleed zusje. De kwakers vormden in de dagen van Betje en Aagje te Amsterdam nog eene kleine, afnemende gemeente, vergaderend in een huis op de Keizersgracht tusschen de Leliegracht en de Prinsenstraat, waar een driehoek boven de deur geschilderd stond. Stille, eenvoudige, menschen, die zich van al het wereldsche verre hielden. Platen uit dien tijd toonen ons kwaker en kwakerinnen in hunne simpele kleedij, waarin zij ook preekten in hunne vergaderingen. Wolff en Deken waren deze, uit Engeland naar hier gekomen, protestansche secte zeer genegen en hebben haar sympathiek geschilderd in de persoon van den zachtmoedigen Willams in de Cornelia Wildschut.

Op den Nieuwendijk,” toen nog door deftige koopmansfamilies bewoond.

Door het logeeren van dames.” Mejuffrouw de weduwe Spilgoed hield dus wat wij een pension noemen.

Naar de 2e brief.


3e BRIEF.

„Daar lag mijn vreugd in ’t voetzand,” op den grond.

Rousseau’s compositie.” De beroemde Fransche schrijver was ook componist o.a. van eene opera „Le devin du village.” Van zijne had is voorts verschenen eene „Lettre sur la musique française ” (1753). Betje Wolff dweepte aanvankelijk met hem, den „grooten, den goeden, den uitmuntenden Rousseau” en zijn portret hing op haar kamer tusschen die van Hugo de Groot en Erasmus in. Later bekoelde die bewondering ietwat.

Zeuzerijen,” deuntjes. „Lollig” is niet ons tegenwoordig plat woord voor prettig, maar zeurderig. Vergelijk in den 16en brief „dat’s een gelol.”

Naar de 3e brief.


4e BRIEF.

Achitofel.” Vergelijk voor deze toespeling 2 Sam 17, 23: „En Achitofel, ziende dat zijn raad niet was opgevolgd, zadelde zijn ezel, maakte zich op, ging huiswaarts naar zijne stad, stelde orde op zijne zaken verworgde zich en stierf.”

Over de „kijvende huisvrouw” zie Spr. 13, 13b, 27, 15, 21, 9, 19, 25, 24. Saartje zegt, „aan de zijde des daks.” Er staat „op den hoek van het (platte) dak.”

Naar de 4e brief.


5e BRIEF.

Een bestorven meisje,” eene wees met fortuin.

Fijnen, die zich zelf vromen noemen”. Voor dezen hebben de juffrouwen Wolf en Deken geen genade. Het waren niet wat nu streng orthodoxen heeten, maar de kwezelaars en femelaars, die de godzaligheid in diskrediet brachten, die een walgelijke taal van averechtsche godsvrucht spraken en middelerwijl niet schroomden den duivel zijn offfer te brengen. Zij bezochten geene kerken, maar kwamen zamen in „oefeningen.” Uit hare brieven blijkt hoezeer Betje en Aagje reeds vroeg deze fijnen verdacht hebben en zij spreken zeer bitter over hen (Brieven, blz. 3, 108, 131, 213). In hare romans hebben zij met har buitengemeen talent de fijnen zoowel in de hoogere kringen als onder den kleineren burgerstand geschilderd en hun weerzinwekkend beeld voor goed in ons geheugen gegrift. Mevrouw Renting in de Willem Leevend is er eene van, in wier huis op een ontvangavond, de knecht na de thee op een zilver schenkblad ettelijke keurlijk ingebonden kleine octavo bijbels aanbiedt met dit compliment: „Gelieven de juffrouwen ook gediend te zijn ven het Woord?” (III, 296 vergel. 209); broêr Benjamin en Cornelia Slimpslamp uit onzen roman zijn een paar andere vertegenwoordigers van de soort, wier beeld al bizonder scherp geteekend is. De op dezen volgenden brief van Cornelia is in zijn soort onovertroffen en broêr Benjamin zoekt in onze letterkunde zijn weêrga, al moet men toegeven, dat Reynier Adriaansz. in Asselijn’s Jan Klaasz. of de gewaande dienstmaagd hem dicht nadert (1682). Voor onze kennis van de ellendige en terugstootende tale Kanaäns dezer nagemaakte vromen gaan wij bij niemand zoo goed als bij Betje en Aagje ter schole. Opmerking verdient nog, dat haar kunst haar voor de karikatuur heeft bewaard en dat zij met kieschen tact eene van de oefeningen dezer fijnen laten beschrijven door Stijntje Doorzicht, eene oude, vrome, orthodoxe burgervrouw. Ook de spectatoriale geschriften polemiseeren tegen deze „hoofdhangsteren, zuchtsteren en achterbakselingen,” maar de Sara Burgerhart steken zij niet naar de kroon.

Wolff „de ratio sufficiens der dingen” Christiaan Wolff 1679-1754 vereenigde de resultaten van de wijsbegeerte van Leibnitz tot één groot bovennatuurlijk stelsel. Aan Leibnitz is ook ontleend het begrip van de „raison suffisante,” tengevolge waarvan wij aannemen, dat geen feit waar is en geen uitspraak waarachtig kan zijn, indien er geen toereikende grond voor bestaat, dat de zaak is en wel zóó is als ze is. Op deze „genoezame reden” doelt Saartje. Dat voor Leibnitz de laatst „raison suffisante” God is, is bekend (verg. dr. Ritter, Monadenleer v.Leibnitz, 1822, blz. vlgg.)”

Waarom weet Joost.” Een der vele namen voor den duivel. Niermeyer, Verhandelingen over het booze wezen, 1840 blz. 22. Verg. Willem Leevend VI, 247: „Want je bent net zoo een knaap als de Joost van de Negers, je wordt gevleid, omdat men bang van je is,” in welke woorden Betje blijk geeft te weten, dat de booze geesten bij de natuurvolken ’t meest worden gediend.

Geene van Merken.” Lucretia Wilhelmina van Merken, gest. 1789, eene in die dagen bekende dichteres, door Betje zeer vereerd, die echter voor hare fouten niet blind was. Lucretia dichtte o.a. dat Nut der tegenspoeden (1762), dat Mejuffrouw van Naslaan op het avondje bij de familie Stastok een „heel mooi verzenboek” vindt en waarvan de titel door den heer Dorbeen wordt verstaan als „het nut der regenhoeden.”

„Mijne pelise is van een ouden zijden falij gemaakt.” De arme Saartje moest loopen met een avondmantel (sortie) uit een soort van regenmantel van hare grootmoeder gemaakt. En haar groote linnen muts was heel wat modes ten achteren, want reeds in 1670 waren de zeekapers, de flodderhoeden en de prinsessenkappen ouderwetsch. In Saartjes tijd kapte men zich enkel in ’t haar net een klein kornetje op. Overigens wisselde de mode snel van ’t eene uiterste naar ’t andere. Voor een grondig en aangenaam overzicht der kleeding uit deze periode verwijzen wij naar de J. Hartog, de Spectatoriale geschriften 1741-1800, blz. 77 vlgg. Aardige illustraties geeft W.F.H. Wunderlich, de Pruikentijd blz 12. vlgg. In de Willem Leevend beschrijft Alida een deel van haar toilet (I, 231) met de sieraden van het kapsel er bij. Overigens wordt men ’t best ingelicht door de plaatwerken uit de periode zelve, de kostuumplaten, de historrieprenten en de illustraties van romans en tooneelstukken.

Julia Mandeville” Willem Godwin (1756-1836), een schrijver van Engelsche zedenromans, gaf behalve zijn „Caleb Williams” nog een roman „Mandeville” (prof. dr. R. Wülcker, Gesch. de Englischen Litter. S. 425). Het is zeer waarschijnlijk, dat Saartje dezen roman bedoelt. Wij weten, dat Betje Wolff sterken invloed van de Engelsche litteratuur heeft ondergaan.

Naar de 5e brief.


6e BRIEF.

Vergelijk de noot over de fijnen bij den vorigen brief.

de Aquila’s en de Priscilla’s” Volgens Handel. 18, 2, 18, 26 woonde Paulus te Corinthe bij een vromen Jood Aquila en zijne vrouw Priscilla, die later met hem naar Efeze gingen.

Rabener” Gottlieb Wilhelm Rabener (1714-1771) een Duitsch satyrikus van goedmoedig temperament.

Gellert” De beroemde Duitsche schrijver, van wiens „liederen en gezangen” Betje’s vriend J. E. Grave eene vertaling gaf, (1774). Natuurlijk waren al zulke dichters bij de fijnen verdacht.

’t is er zoo vrij en zoo welletjes” Vergelijk Aagje Deken in een brief aan juffrouw Schiere: „Aangenaam is het mij, dt gij het in het huwelijksfuikje zoo heel welletjes, zeggen de fijne smulbroertjes, zo heel welletjes hebt (Brieven blz. 273.)”

Naar de 6e brief.


7e BRIEF.

Toen broeder Benjamin zei.” Van het ontstaan en de geschiedenis der bijbelboeken zeggen de oefenaars allerlei domheden.

Naar de 7e brief.


10e BRIEF.

Zog van een bollebuisjeswijf.” Zog staat voor zeug, een dik, schommelend vrouwpersoon (Weiland, Woordenboek op „zeug”). Bollebuisje is de naam voor een soort gebak, poffertje of appelbeignet (Nederlands Woordenboek s.v.) vergel. (Cornelia Wildschut V, 251 en Natuur is mijn Zanggodin (ook van Betje Wolff) 49.)

Broeders palmhouten pruik.” Aldus naar de kleur der pruik.

Naar de 10e brief.


11e BRIEF.

Aan de fep.” aan de drank.

Naar de 11e brief.


12e BRIEF.

Dames du ton,” die in de wereld leven. Met dezen brief van Anne Willis, Saartjes stemmige, bedilzieke vriendin, die haar in den grond niet vertrouwt en denkt, dat haar verblijf bij vroolijke, uitgaande jonge meisjes haar schade zal doen, vergelijke men den eersten brief dien Aagje aan Betje schreef vóór zij haar kende, Brieven, blz 157-160, waarin Aagje zonder de Beemster domineesvrouw anders dan bij geruchte te kennen, haar ook van allerlei kwaad verdenkt.

Naar de 12e brief.


13e BRIEF.

Uwe vijanden van binnen” uwe lusten en hartstochten.

Eenparig” rustig, in evenwicht. Chrisje Helder noemt zich zelve eenparig onder den invloed van een prachtigen zomermorgen. Willem Leevend I, 400 Vergelijk dezelfde: „eenparig beredeneerd braaf” I, 10 en over deze stemmingdrukking mijn artikel Tijdspiegel 1904, cap. II.

Naar de 13e brief.


17e BRIEF.

De apostel zegt.” Wat tante Santje hier aanhaalt komt in dezen vorm in het N.T. niet voor en is zeker niet naar den geest van Christus

Daar hij zegt: ik kom niet.” Zij denkt aan Psalm 1, 1.

Teeken des Beestes” Het Beest uit Openbaring 13. Menschen, die het merkteeken van het Beest dragen, zondaren en godslasteraars. Openbaring 16, 2.

Een el hoog gekapt” Over de hooge kapsels der toenmalige dames zie de de bij de vijfde brief aangehaalde bladzijden van dr. Hartog. Ook een vertoog in de Denker VIII, 261 vlgg. Willem Leevend III, 39 vlgg. Er was een kapsel, „en herison” omdat er een opgezet stekelvarkentje op werd gezet, een ander „en chien couchant,” omdat daarbij een opgezet hondje tot sieraad diende.

Naar de 17e brief.


18e BRIEF.

Moesjankerij;” het werkwoord „moesjanken” in de Cornelia Wildschut V, 223, minneklachten uiten, aan het raam (der beminde) staan blauwbekken. (Tijdschr. voor taal- en letterkunde. III, 269)

Naar de 18e brief.


19e BRIEF.

Coccejaansch, Voetiaansch en Lampiaansch” Johannes Coccejus en Gijsbertus Voetius, de twee groote godgeleerden in de helft der 17e eeuw, elkanders tegenstanders in bijbelbeschouwing, in opvatting van den sabbath, in preekmethode; Voetius vertegenwoordiger van de streng gereformeerde, Dordtsche theologie, Coccejus, voor dien tijd, vrijzinniger. Van den tusschen hen gevoerde strijd kan hier niet gesproken worden. In de dagen van Betje en Aagje had hij trouwens zijn felheid reeds lang verloren. Maar de naam van Voetius leefde voort, als van den voorstander van strenge Zondagsrust. „Zoo voetiaansch, zoo sabbaths zien zij er uit ” zegt Alida Leevend in Willem Leevend III, 288. En van een strengen burgermeester heet het: „hij is zoo ijselijk Voetiaansch, dat hij stoeien, kaatse, kolven ...... houdt voor sabbathschenderij” Cornelia Wildschut I, 46. Verg De Zedemeester der kerkelijken I, 29: „Vermaant men den Zondag te houden, men is onwedersprekelijk een Voetiaan.” Lampiaansch komt van den naam van Friedrich Adolf Lampe, geb. 1683, van 1720 tot 1727 hoogleeraar te Utrecht, gest. 1729. Hij stond in zijn werken een christendom voor, dat afstand doet van de genoegens der wereld en stichting zoekt in vrome gemoedsbevinding meer dan in de streng dogmatisme. Zijne boeken zijn gretig gelezen en de herinnering aan zijn persoon was in Betje’s dagen nog niet verdwenen. Zij spreekt ergens van eene „strikte, zuiver Lampiaansche matrone,” Willem Leevend VI, 66.

Je mocht wat, een struif;”struif: ommelet. „Hij mogt een struif, wat zou hij, ” (Marin, Woordenboek, 1730, s.v. „struif”).

de Mousen,” de smousen, de joden.

de advokaat naast den gouden ketting;” op de Keizersgracht bij de Reestraat, war de gouden ketting uithing, zooals nog in 1865 uit eene apotheek daar ter plaatse en ik meen nog

Naar de 19e brief. - Naar de 133e brief.


23e BRIEF.

het misselijkste zelf is het uitvloeisel van zijn gezond verstand,” in den zin van eigenaardig-flink, eigenaardig-oprecht. Zoo zegt Willem Willis (39e brief): „Gij weet ik ben in sommige opzichten een misselijke jongen.

Naar de 23e brief.


24e BRIEF.

Jij bent een atheïst, een armiaan, een sociaan, een deïst.” Een godloochenaar; een aanhanger van Arminius, den Leidschen hoogleeraar (1560-1609) naar wien de remonstranten arminianen heetten; een aanhanger van Laelius Socinus, gest. 1562, en Faustus Socinius zijn neef, gest. 1604, die de leer der Drieëenheid loochenden; een deïst was in de praktijk de gangbare naam voor een vijand van het geopenbaard christendom, die alleen het gezond verstand als maatstaf aannam en, zoo hij al in God geloofde, Hem geen invloed op wereld en menschen toekende. In den mond van broêr Benjamin zijn het slechts afgeluisterde scheldwoorden, waarvan hij de zin niet verstaat.

Naar de 24e brief.


26e BRIEF.

nooit dan uit Voet of Schutte zingt.” De Haagsche geneesheer Voet en de Amsterdamsche predikant Rutger Schutte hebben veel gedaan om het in hun tijd (1745) afschuiwelijke kerkgezang bij de hervormden te verbeteren. Bij de kleinere kerkgenootschappen en vooral bij de Collegianten werd veel beter gezongen(uit Camphuyzen, Oudaen, Rooleeuw). Van de hand van Voet en Schutte hebben wij „bundeltjes uitgeknipte gezangen” die met graagte werden ontvangen door allen, die nog andere stichtelijke liederen begeerden te zingen dan Datheen’s al te vaak smakelooze berijming. Uitvoerig bij dr. R. Bennink Janssonius, Geschiedenis van het kerkgezang bij de hervormden in Nederland, 1860.

Naar de 26e brief.


30e BRIEF.

Trek mijn japon uit.” In huis droegen de heeren eene met watten gevoerde, gebloemde, zeer wijde soort van kamerjapon.

een electische, ik mag zeggen Musschenbroeksche schok. Peter van Musschenbroek, Leidenaar van geboorte (14 Maart 1692) en later ook hoogleeraar aldaar in de natuur- en wiskunde, gest. 1761. Hij heeft ten onzent de leer van Newton bekend gemaakt en over verscheiden deelen der natuurkunde nieuw licht verspreid. Bij het groote publiek is hij bekend als de uitvinder van de Leidsche flesch (de condensator), het bekende instrument dat bij electische proeven dient.”

Naar de 30e brief.


31e BRIEF.

In mijn soubise,” ook een soort van kamerjapon. Er waren er in den loop der jaren zóóvele verschillende, dat tante Stastok, naar men weet, er een kast vol van hangen had.

nog eenige tonca-boontjes sorteeren.” Onze petit-maître hield zich bezig met het gewichtig werk om voor zijne zuster en hare vriendinnen de geurige zaadjes van de tonca-boon uit te zoeken, waardoor aan de snuiftabak hooger aroma (geur) werd bijgezet. Want ook de dames snoven toen en op de saletten (d.w.z. op avondpartijen) boden de jonge heeren hunne dames uit verschillende doozen verschillende soorten snuit aan. Vergel. den 26en brief waar juffrouw Hartog snuift, den 90en, waar de heer R. Lotje eene snuifdoos present doet, de Cornelia Wildschut VI, 165, waar juffrouw Harris naar haar snuifdoos zoekt, de Philosooph II, 29, waar het heet, dat de willekeurige mode den vrouwen het snuiven toestaat en het rooken weigert.
In dezen dan doet de„petit-maître” zijne intrede (verg. onze laatste aanteekening op den eersten brief). De juffrouw Wolff en Deken hadden zulk een afkeer van deze ontaarde, popachtige, ontzenuwde afstammelingen van krachtige vaderen (vergel. hare Brieven blz. 134) dat deze beuzelende fatten in hare romans telkens over den hekel gaan en het voorgeslacht met weemoed daarbij herdacht wordt. Zie de Brieven van Abraham Blankaart III, 107. Zie de koddige beschrijving, die Chrisje Helder van een harer aanbidders geeft, Willem Leevend II, 50 vlg. Dat de kleeren den man maakten bij deze heertjes, wordt elders aldus gehekeld: „Terwijl de lichamen onder de kleederen verborgen, van weinig belang schijnen, zo vereischt onze pligt om alsdan ook de kleederen met eerbied te groeten. Mijn Heer uw roks onderdanigste dienaar. Ik heb de eer van uw zijden kamizool te groeen, en een langduurige glans toe te wenschen. Hoe vaart de triomphante rok van mejuffrouw uw beminde? Ik heb dezelve in lang niet gezien. Mijn Heer ik ben je juweele broeks dienaar. Ik verzoek vriendelijk de dienstpresentatie aan de charmante gestikte zijde onderrok van mejuffrouw uw zuster.” Zinrijk en Schertsend Woordenboek, 1759, I, 240. Over het leven dezer petit-maîtres Hartog, a.w. blz. 89-100.

Naar de 31e brief.


33e BRIEF.

Zegeningen van de linkerhand.” Toespeling op Mattheus. 6, 3, weldaden in ’t geheim bewezen.

kerjeusde schoenen” kosterlijk, sierlijk. Vergelijk tante Martha over grootje  Rijzig: „Zij breidde tot haar zeven-en-twintigste paar fijne kousen voor haar zoon en ’t was kerjeus werk. Willem Leevend II, 124. Kerjeus, curieus naar de oude betekenis; mndl. curioos, keurig; in het middel. latijn curiosus = elegans d.i. sierlijk (bij Ducange).”

Armiaansche slikgrondje.” De broeder bedoelt: beter zich bezwaard te voelen om zijne zonden dna zooals de Arminianen, bouwen op een onzeker fondament van eigen goede werken. Men ziet hoe meesterlijk de juffrouwen Wolff en Deken het onheilig geteem van deze oefenaars hebben afgeluisterd.

Naar de 33e brief.


34e BRIEF.

Ik ben gisteren in de Fransche kerk geweest” enz. In de Eglise Wallone ten onzent werd van ouds goed gepreekt, maar in onze periode werd er aan het zwierige, het luchtige geofferd ten koste van de degelijkheid en de kracht. Verg. Hartog, Geschiedenis van de predikkunde 174, vlgg. 190, 402 vlg. 109 vlgg. Overigens behaagde het onze schrijfsters allerminst dat de „de kinderen uit ouwe Hollandsche families zo bij de Fransche dominés ter kerke” liepen. Willem Leevend II, 215. Cornelia Wildschut I, 82.

Naar de 34e brief.


35e BRIEF.

rijpen,”rupsen.

gij zijt geen Grandison,” toespeling op den held in de Engelschen roman Sir Charles Grandison (1753) van Richardson.

veldiep” verdiensten, die niet dieper gaan dan de huid, zeer oppervlakkig zijn. Zóó in Huygens’ Hofwyck 233 vlg. „’t Is swart volck , maar dat swart is veldiep, en van binnen maeck ikse mijns gelijk...„”

Naar de 35e brief.


36e BRIEF.

Denk aan Claartje Harlowe.” Toespeling op de niet slechte maar lichtzinnige heldin in een anderen roman van Richardson, de Clarissa Harlowe (1748), waarin ook Lovelace, de schurkachtige verleider voorkomt, door Saartje in den volgenden brief bedoeld.

Naar de 36e brief.


37e BRIEF.

Leerredenen van Solicoffer en Doddridge.” James Solicoffer, Engelsch prediker, ten onzent bekend door Reukwerk der Heiligen of nieuwe geopende schatkamer van gebeden, Amsterdam 1769. Meer valt van Philip Doddridge te zeggen, eveneens een Engelsch predikant, man van groote verdraagzaamheid en mildheid, wiens beroemde preeken niet slechts door den vorm uitmuntten, maar, eenvoudig en hartelijk, meer voor het hart dan voor het verstand waren. In ons land werd hij van ketterij verdacht door de streng gereformeerden. Doddridge stierf 26 October 1751. Van zijne leerredenen werden in ’t Nederlandsch vertaald Preeken over de genade en de kracht van Kristus, Amsterdam, 1748 Preeken over de wedergeboorte, 1748. Verg. o.a. Ypey, Geschiedenis van de kristelijke kerk in de 18e eeuw, 1807,  VIII, 17 vlgg. 560. Merk op, dat Wolff en Deken in het huis der weduwe Spilgoed, met wie zij immers hoog wegloopen, juist deze verdraagzame, niet-confessioneele preeken laten lezen!

Naar de 37e brief - Naar de 133e brief.


38e BRIEF.

boucles,” krullen. De vergelijking tusschen de kleeding van eene dame du ton en haar verdorven hart, door Cornelia Slimpslamp ten beste gegeven, is een kunstig model van de denkbeelden in de kringen der fijnen.

Naar de 38e brief.


40e BRIEF.

idoliseeren.” verafgoden.

Naar de 40e brief.


41e BRIEF.

deed haar bij herhaling aderlaten.”Tegen het misbruik van herhaalde en overvloedige aderlating kwamen toen reeds vele kundige medici op. Vergel. Boltenstern, Neuer Geschichte der Medicin, S. 188 over Anton de Haan (1704-1776). Niet algemeen bekend is zeker, dat in Middeleeuwsche kloosters de vrijwillige aderlating voorkwam als noodzakelijk voor de gezondheid. Dit geschiedde op den lateldag (= laatdag, zooals trouwelschat voor trouwschat, snuteldoek voor snuitdoek, vastelavond voor vastenavond enz.) waarover uitvoerig Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn invloed 1875, I, 200 vlg.

’t is billijk, dat zij des nachts rusten.” In de inleiding wezen wij er op, dat Wolff en Deken warm voelen voor „dienstbaren” en „ondergeschikten.”

Boëtius.” Letje leest dus in het beroemde geschrift des Romeinschen wijsgeers (gest 525 n. C.) misschien in de vertaling van Coornhert, Van de vertroosting der wijsheid, 1616, of van Cargon, Vertroostinge der wijsbegeerte, 1703, of in de Fransche vertaling La consolation de la philosophie, den Haag 1774.

Moulin, Vrede der ziel.”Vermoedelijk de Nederlansche vertaling van een Engelsch stichtelijk boekje. „Peace and contentment of mind”van Pierrre de Moulin of Petrus Molinaeus (1660-1684). Hij was de zoon van den beroemden Franschen, gereformeerden theoloog, die van 1593 tot 1598 te Leiden de wijsbegeerte had onderwezen, daarna naar zijn vaderland was teruggekeerd en in 1611 bedankte voor een hoogleeraatsstoel aan dezelfde universiteit.

Naar de 41e brief.


43e BRIEF.

De bekende, geestige beschrijving van een oud-hollandsch uitgaansavondje. De dames Wolff en Deken, hoezeer ook ons nationaal leven  liefhebbend, waren niet blind voor de schaduwkanten. Overigens verbazen wij ons hier weer over de soliede gegoedheid en over de gezonde magen der vaderen.

„de zware gouden beugel was op het tablier geschoven,” de beugeltasch hing dus op haar voorschoot, haar schort. Tante Martha draagt als zij op haar paaschbest is ook een gouden beugel (Willem Leevend VIII, 239).

Naar de 43e brief.


44e BRIEF.

Eliëzer alias Frits,” toespeling op den trouwen knecht van Abraham, Genesis 15, 2 en 24. Eene andere, allerkomiekste toespeling van de ondeugende Alida, Willem Leevend III, 288.

onze tranen spraken sterk” Een van de vele uitdrukkingen, die ons thans sentimenteel voorkomen. Wil iemand zien hoeverre Wolff en Deken van de sentmentaliteit afstonden (vergelijk de Inleiding), men leze Rhijnvis Feith’s Julia, dat één jaar na de Sara Burgerhart uitkwam, overvloeid van akelige, smeltende tranen en zuchten en, wonderlijk genoeg, vier drukken beleefde. en het groote verschil is klaar als de dag.

in Holland beteekenden zij niet veel;” het weelderig leven in de Hollandsche koopsteden verslond nog schatten.

om mijn eigen kind zelf te zoogen.” De gewoonte om kinderen aan gehuurde minnen toe te vertrouwen vind in Wolff en Deken heftige bestrijdsters. Al hare heldinnen zogen hare kinderen zelven en roemen daarin (Willem Leevend IV, 347 vlgg. hieronder 171e brief, Cornelia Wildschut V, 383 noot). In een brief aan Coosje Huet-Busken van 1798 prijst Betje haar, omdat zij geheel en al moeder harer kinderen is d.o. zelve hen zoogt (Brieven blz. 292). Ook hier staan onze schrijfsters onvervaard gezonde, zuivere zeden voor. Want zij roeiden in tegen een sterken stroom.

kreeg de kinderpokjes.” In onze periode en daarvóór altijd het verkleinwoord genoemd. De sterfte door pokken epidemieën was nog altijd groot, ook al was het al eeuwe bekend, dat wie de ziekte eenmaal had doorstaan, daarna onaantastbaar was en al werden er daarom reeds lang kunstmatig pokken aangebracht. (Boltenstern, a.w. S. 233 ook over lady Montague). De geboort dag van onze koepokenting is 14 Mei 1769 toen Jenner voor ’t eerst koepokstof van den eenen mensch op den ander door inenting overbracht. Van Betje’s en Aagje’s vriendelijke gastvrouw in Trévoux, de burgermeester Michallet heet het, dat zij haren kinderen de kinderpokjes inoculeerde, Cornelia Wildschut V, 383 noot. Het bijgeloof dat door de koepokenting uit de ledematen der ingeënten kalfskoppen groeiden, vindt men afgebeeld op een plaat o.a. in het Museum van de Mij. voor geneeskunde (Stadsmuseum, Amsterdam). Van „inenting van het vee en dat met zeer gelukkige gevolgen” is spraken al daar IV, 327. Waartegen? Misschien tegen  de veepest, die van 1769 tot 1775 alleen in N.- en Zuid-Holland bijne 300.000 runderen wegnam.

aannemende kalmte” toenemende kalmte. Een scheepsterm op wind en golven toegepast, „eene aannemende koelte” (Nederlands Woordenboek op aannemen (onzijdig).

Naar de 44e brief.


45e BRIEF.

lachen, praten, badineeren onde het spelen van de zielroerendste treurspelen thans du ton” Terecht komen Wolff en Deken, zooals trouwens ook de spectatoren tegen dit onhebbelijk misbruik op, juist zijn. Brieven van Abraham Blankaart II, 268-275, Willem Leevend II, 307. Verg. nog Philantrope III, 106 vlgg. Spectator de Studenten blz. 193 vlgg.

slavonjer,”masc. van „Slavonie,” slavonier, dan ein de beteekenis van heiden, zigeuner (Oudemans, Woordenboek op Brederoo blz. 347.)

Naar de 45e brief.


46e BRIEF.

afgeknarpt” ook ontknarpen (Willem Leevend II, 302) ontfutselen.

Naar de 46e brief.


47e BRIEF.

negligeant” eenvoudig.

Naar de 47e brief.


54e BRIEF.

Ik mag wel Sanche zeggen.” Misschien bedoelt Cornelis den vermaarden schildknaap Sancho Panza van den beroemden Don Quichote. Maar ik herinner mij de spreekwijze niet.

Naar de 54e brief.


55e BRIEF.

fourgon,” een rijtuig met een gaffeldissel. Het tegenwoordig Fransche fourgon beteekent pakwagen, bagagewagen. Maar in onze periode ook een rijtuig voor personen. Trouwens ook later. In de Gedichten van den Schoolmeester, „De koffieveiling,” zegt Dadelpracht: „En verder met mijn fourgon ten twee makke paarden.

jenevertje-lief.” Aan geheelonthouding in onzen zin dachten Wolff en Deken niet. In een harer brieven aan J.E. Grave: „Je moet  ons eerst ontdooijen met een goede slok vaderlandsche morgendrank, een glaasje klinkklare genever.” Brieven blz 226. De Spectatoren bepalen zich tot de bestrijding van misbruik.

hij is thans bezitter van een mooi inkomen.” In de romans van Betje en Aagje gaat finatiëel alle helden en heldinnen naar den vleesche.

behagen in elkander is er echter niet van uitgesloten,” d.i. wij zijn ook verliefd op elkander. Dit is niet preutsch en het is geene aanstellerok. Wèlopgevoede meisjes spreken zóó. In de Willem Leevend is Coosje Veldenaar daarin bizonder ver.

Ze willen ier nieuwe Zalmen ebben.” Eene geestige bladzijde, waarin de dames Wolff en Deken den tegengstand schilderen tegen de toen nieuw ingevoerde psalmberijming, bestemd om die van Datheen te vervangen. Deze nieuwe was midden 1773 gereed gekomen en in het volgende jaar verspreid. Met blijdschap ontvangen vond zij hier en daar verzet bij de uiterste rechterzij.

Naar de 55e brief.


57e BRIEF.

als een hond op een zieke koe,” om te zien of zij spoedig sterven zal.

Naar de 57e brief.


59e BRIEF.

Epitafium,” grafschrift.

Naar de 59e brief.


60e BRIEF.

„de Publieke Kerk,” d.i. de Nederlandsche Hervormde Kerk, die onder de republiek wel geen staatskerk was in den strikten zin, zooals Engeland b.v. een staatskerk bezit, maar toch bevoorrrecht.

Naar de 60e brief.


61e BRIEF.

Dat rijdt, dat rost enz.” Wat Abraham Blankaart op deze en volgede bladzijde op zijne eigenaardige manier zegt, is helaas niet overdreven. Uit al de ons ten dienst staande bronnen blijkt, dat het zedelijk leven der „jeunesse dorée” (de „bloem der jongelingschap”) alles te wenschen overliet. Het zal juist daarom goed zij te herinneren, dat althans eene meerderheid aan onze schrijfsters de modellen kon leveren voor Hendrik Edeling, Willem Willem, Abraham Rijzig e.a. In dit opzicht staaan haare romans boven de uit der aard eenzijdige spectatoren.

Smousen.” In de inleiding merkte ik reeds op, dat de juffrouwen Wolff en Deken groote vriendinnen waren van de joden. Dit woord moet met dan ook nemen voor enkelen van die woekeraars, die hun voordeel deden met de lichtzinnigheid der petit-maîtres.

bargueeren,” argureeren in Mndl. het voor en tegen bepleiten.

Naar de 61e brief.


63e BRIEF.

het kon u over een jaartje vrij meer nadeel doen;” dergelijke toespelingen, toen ook bij jonge meisjes zeer gewoon, zou men tegenwoordig ongepast vinden. Maar er stak geen kwaad in.

Wegslechter,”wegbereider (als Johannes de Dooper). Vergeeflijk bij dezen, ook zielkundig zoo fijn bedachten brief, waarin Saartje verontwaardigd tegen Anna’s verdenkingen opkomt, onze laatste aanteekenningen op den 12en brief

Naar de 63e brief.


64e BRIEF.

omdat ik den dominé niet zien noch hooren kon.” Tegen het misbruik, dat onbemiddelden het in de kerk met zulke slechte plaatsen stellen moesten, komt ook de oude juffrouw Christina de Vrij op in de Willem Leevend I, 100.

of dat het te Keulen hoorde donderen daar onze koetsier vandaan is.” Busken Huet in Oude Romans 1877, I, 102, zegt van dit meesterlijke zinnetje: „wel mag men vragen of het mogelijk zij, korter en krachtiger dan met dien éénen trek eene geheele rijkeluis dienstbodenwereld te teekenen.”

om ook een van te hebben.” De kleine burgerij stelde het nog in onze periode met achter den voornaam Thomaszoon of Pietersdr. te zetten, maar  langs ambtelijken weg kon men zich een achternaam verwerven.

Naar de 64e brief.


67e BRIEF.

eene looze maling geven” of ook uitdeelen (b.v. Brieven aan Abraham Blankaart I, 35. II, 318) een oorveeg, een draai geven. West-Vlaanderen ook, „een pak slaag” (Nederlands Woordenboek op „maling.”)

de bekeerde lichtmis de beste man.”Evenals hier Abraham Blankaart verzet zich tegen dezen noodlottigen en leugenachtige stelregel zeer krachtig de Philantrope I, 234 vlg., aan ’t einde van zijne strafrede de hoop uitsprekend dat de „jonge juffrouwen mannen van eer en deugd den moet niet zullen willen benemen, door zig, in de keur van haare galanten, te gedragen even als of eerloosheid en ondeugd het kragtigst middel was om hare harten te winnen.”

om peper moet,”het land verlaten en dienst nemen b.v. bij de Oost-Indischen Compagnie.

zijn koorntje groen at,” niet wachten tot het rijp is gezegd van lichtmissen, die hun kapitaal opeten. In Zuid-Nederland nog: van de hand in den tand leven (Stoett, Spreekwoordenboek no. 1062).

Naar de 67e brief.


68e BRIEF.

attisch zout,” geest en vernuft.

quelle sottise ma chère,” wat een dwaasheid, mijn waarde.

insipide,” smakeloos, laf.

vous êtes ma confidente,” gij zijt mijne vertrouweling.

je soupire, je crains,” ik zuch en vrees.

homme de goût,” man van smaak.

un air imposant,” een indrukwekkend uiterlijk.

cela est bien vrai,”dit is zeker waar.

tout ensemble,”het geheel.

hij addresseert zich niet bij mij,”hij maakt geen werk van mij.

hij houdt zijne distance comme il faut,”hij bewaart den afstand, zooals behoorlijk is.

Onze Bolingbrokes, onze Tindalls, onze Voltaires.”
    Henry St. John, burggraaf van Bolingbroke, gest. 1754, Engelsch staatsman en wijsgeer onder koning Gerorge I. Zijne wijsgeerige werken zijn in vijf deelen na zijnen dood uitgegeven en bevatten o.a. zeer uitvoerige beschouwingen over den joodschen en christelijken godsdienst. De eerste is volgendes hem louter het gevolg van de bedriegerijen van Ezra, die de O-Testamentische boeken zelf heeft gemaakt. De tweede mist ook allen voldoenden historischen grond, en wel heeft Christus eenige zuivere zedelessen gegeven, maar Paulus, een ongerijmde beuzelaar, heeft oorspronkelijke goede ervan vervalscht. God heeft het heelal geschapen, maar laat er zich niet mede in. De ziel is niet onderscheiden van het lichaam en niet onsterfelijk. In de Nederlandsche vertaling verschenen zijne Brieven over het lezen en het gebruik der geschiedenissen, Amsterd. 1755. Men moet erkennen, dat hij omtrent het ontstaan van sommige bijbelboek dingen heeft gezegd, door  het later wetenschappelijk onderzoek bevestigd. Overigens is zijn betoogtrant verward, zijn spot met het heilige kwaadaardig, zijne bestrijding van den godsdienst oppervlakkig. Zijn zedelijk leven was bedorven, „een schandvlek der natie en van het hof” zeggen sommigen, ofschoon het hof der Georges, waarover voor niet-historici, zoo uitnemend en onderhoudend door Thackeray geschreven is, zelf zóó vol vlekken zat, dat een meer of min er niet toe deed.
    Mattheuw Tindall, gest 1733. Hij ging uit het roomsch-katholicisme tot het protestantisme over onder onzen koning-stadhouder Willem III en heeft vooral naam gemaakt door zijn werk Het Christendom zoo oud als de Schepping of het Evangelie eene nieuwe bekendmaking van den natuurlijken godsdienst, 1730, een boek, dat zoo grooten opgang maakte, dat het de „Bijbel der deïsten” is genoemd. Hij leert daarin, dat de ware godskennis bij de schepping is ingeplant en door de rede kan worden verstaan. Maar deze zuivere, redelijke godsdienst is door de gewaande openbaring bedorven, waarvan het christendom spreekt, en die vooral heet te rusten op de bedriegelijke voorzeggingen der profeten en de veel te hoog aangeslagen wonderwerken van Christus.
    Francois Marie Aronet de Voltaire, gest. 1778 is de beroemde Fransche dichter en wijsgeer, de „koning der vrijdenkers,” de „god der goddeloozen.” In het bestek dezer aantt. worde slechts herinnerd, dat de dames Wolff en Deken, die tot de vrijzinnigen, tot de vooruitstrevenden behoorden, met schrijfvers als dezen, vijanden des christendoms, niet uitstaande wilden hebben. In hare romans wordt Voltaire b.v. veroordeeld, omdat zijne boeken het hart aansteken of het gezond oordeel beleedigen, omdat zij onnadekenden zeer nadeelig zijn geweest (Willem Leevend I, 164, Cornelia Wildschut II, 49, 67). In are Brieven wordt Voltaire als dichter geroemd, maar zijne gorve en vuile spotternijen worden streng gegispt (blz, 35, 36, 123, 186). In de voorreede vóór hare vertaling van Craig’s Leven van Jezus keurt Betje ook Voltaire’s vinnige geest en onheilige spotternij af, waarom, zegt zij, sommigen van hare deïstische vrienden te Rotterdam kwaad op haar zijn (Brieven blz. 34). Om deze redenen laten zij dus hier Bollingbroke , Tindall en Voltaire prijzen door Cornelia Hartog, de deïstische, anti-Hollandsche, min of meer „feministische,” malle oude-vrijster. Ik verwijs voorts naar mijn Tijdspiegelartikel sub V, waarin ook over de verhouding van Betje en Aagje tot allerlei openbaringen van deïsme en inzonderheid over La Mettrie gehandeld wordt. Over de deïsten tenslotte nog ééne opmerking. Ofschoon zij zonder twijfel het heilige-zelf niet zelden hebben bespot, gold hunne bestrijding ook vaak bijbeloof, kerkelijke misbruiken, onjuiste bijbelbeschouwing, die (ook naar hun eigen oordeel trouwens) voor velen den godsdienst deden vallen of staan. Wij, ruime een eeuw later, erkennen, dat zij daardoor  (zonder het te bedoelen) tot eene juistere opvatting van het wezen van den godsdienst hebben bijgedragen. Hunne aanvallen op den bijbel waren vinnig en hunne aardigheden (als van Voltaire op de verhalen van Genesis in La bible enfin expliquée) vaak smakeloos, Toch heeft Voltaire als Bolingbroke, met scherpen blik de fouten der oude bijbelbeschouwing gezien en, om één merkwaardig voorbeeld te noemen, al erkend, dat het boek Jozua met de dusgenaamde „ vijf boeken van Mozes” zeer nauw samenhangt (veg. Philosofie de l’Histoire p. 221). Wie over Voltaire en zijn invloed goed wil worden ingelicht raden wij de lectuur aan van L. F. Bungener, Voltaire et son temps, 2 dln. 1851 ook in Hollandsche vertaling van dr. W.G. Brill verschenen, Voltaire en zijn tijd, Amsterdam 1871.

une fille comme moi,” een meisje als ik ben.

Essay on man.”het wijsgeerig leerdicht van den Engelschen dichter Pope in 1733. Alexander Pope (1688-1744) heeft in dit gedicht de vraag naar den oorsprong der zonder behandeld, naar wat de mensch in dit leven moet trachten te doorgronden, niet God maar zichzelven, naar het verband tusschen de onvolkomendheden der menschen en de plannen der goddelijke voorzienigheid, maar de ware gelukzaligheid, die slechts in de deugd kan worden gezocht... het geheel een mengelmoes van christelijke en deïstisch-wijsgeerige bespiegelingen. In des dichters eigen tijd hoog geroemd, kan het ons maar matig meer voldoen wat den inhoud aangaat. Essay (proeve) is een vorm van letterkundig geschrift dan de „vruchten van wetenschappelijk onderzoek en van wijsgeerige beschouwing voordraagt, zonder in wetenschappelijke bewijzen te treden, op algemeen bevattelijke manier en in aangenomen vorm” (Brill, Stijlleer2, 1880 blz. 130).

point de Hollandais,” geen Holllandsch.

Naar de 68e brief.


69e BRIEF.

Mejuffrouw Charlotte Rien du Tout,” juffrouw Lotje Niemendal. Als alle namen in den roman doorzichtige namen d.w.z. die het karakter aanduiden. Het naschrift van Wolff en Deken doent ons even glimlachen als wij denken aan hare eigene onzekerheid op spellingsgbied.

Naar de 69e brief.


70e BRIEF.

een halve stuiver boven Jan,”uitdrukking ontleend aan het kaartspel jassen: meer dan de helft punten hebben, die men maken moet (Stoett, Spreekwoordenboek no. 816).

Naar de 70e brief.


71e BRIEF.

Historie de beide Indiën door Raynal.”Bedoeld wordt Histoire philosophique et politique des établissements en du commerce des Européens dans les Deux-Indes van G. Th. F. Raynal, gest. 1796. Het boek verscheen zonder naam des schrijvers in 1771 met den valschen plaatsnaam Amsterdam (want inderdaad wat het te Parijs gedrukt) en werd wegens de liberale denkbeelden op het gebied der koloniale politiek in 1781 in ’t openbaar verbrand.

de heer R.” Hier verschijnt voor ’t eerst de adelijke lichtmis ten tooneele, die het op Saartjes deugd zal toeleggen. Merk op hoe kunstig de schrijfsters de argeloosheid van het meisje schilderen en zie in de Inleiding het gezegde over Betjes ondervindingen te Vlissingen.

chef-d’oevre,”meesterwerk; „pièces volantes,” lectuur van den dag, waartoe ook de Bibliothèque des Arts behoort, pièces figitives.

de dichters Pope, Thomson enn Akenside.” Voor den eerste zie hierboven de aantekeening bij den 68e brief; voor den tweeden zie beneden de aanteekening bij den 78en brief; de derde, Mark Akenside (1721-1770) een medicus, die ook te Leiden heeft gestudeerd en dichter o.a. van de Vreugden der Verbeeldingskracht (Pleasures of Imagination).

Oui ma chère Marianne: virtue alone is happiness below.” Om Saartje voor zich in te nemen zegt de schijnheilige een versregel op van denzlefden Pope in zijn reeds genoemd leerdich Essay on man en wel in Epist. IV een vers of 100 van ’t eind af:

„Know then this truth (enough for man to know),
„ Virtue alone is happiness below.”

d.i. „Hoor deze waarheid (beter is er geen)
„Het waar geluk in de deugd alleen.”

Door degelijke aanhalingen techt de schavuit Saartjes hart te winnen.

une superbe bibliothèque,” eene prachtige boekerij. Ironische toespeling op de meest zeer schuine boekenverzameling van de toenmalige jongelingschap.

un homme du ton peut-être, mais un homme d’esprit,” een man naar de mode misschien, maar geestig.

in ons pavilloentje,” met gordijnen omhangen ledikant.

’t zal bij mij altemaal verwilderen,” t.w. in den tuin harer vriendschap voor Anna.

spelden,” Spellen van woorden.

Naar de 71e brief.


72e BRIEF.

Wilkinson over de genoegzaamheid der Deugd.” Ik ken het boekje niet, maar het gesprek naar aanleiding er van gevoerd, is in zich zelf duidelijk. Juffrouw Hartog verdedigt de stelling der toenmalige deïsten, dat de deugd zonder meer te allen tijde geluk verschaft; Edeling (met wien Wolff en Deken het eens zijn), dat slechts hij, die uit godsdienst deugd betracht, om zich bij God welgevallig te maken, waarlijk gelukkig is en bij vooortduring deugd zal betrachten.

Naar de 72e brief.


75e BRIEF.

In dezen en de volgden brief verschijnt Jan Edeling, Hendrik’s vader, een oud, rijk, streng-luthersch koopman, die niet il, dat zijne van oude luthersche familie in de war wordt gebracht door eene hervormde schoondochter. In de dagen, dat onze roman verscheen, broeide het in de Amsterdamsche Luthersche gemeente, waar van de zes predikanten er drie, Mutzenbecker, Baum en Sterk tot de vrijzinnige richting behoorden, onder den invoed vooral van den Duitschen hoogleeraar J. S. Semler. In 1786 voerde dit tot een aanklacht van sommige gemeenteleden tegen de genoemde predikanten, waarin hun sub 11o werd verweten gezegd te hebben, „dat men in alle gezindten zalig kan worden.” In dit opzicht was Jan Edeling dus niet goed orthodox, wan top ’t einde van de 76en brief schrijft hij: „zij (nml. Saartje) zal in haar kerk ook wel zalig worden.” Maar zeer vertoornd zal hij geweest zijn (hij leefde toen volgens de „nareden” van onzen roman nog) over eene uitspraak, aan ds. Baum ten lastet gelegd: „Waar Christus als koning geëerd wordt, is de ware christelijke kerk, en ieder lid der Kerk kan zich zonder schade voegen bij de gezindte, die het meest met zijne overtuiging overeenstemt.” De begeerte om de grenzen der kerkgenootschappen uit te wisschen lag in den geest des tijds en Betje en Aagje voelden daarvoor. In elk geval zal zal Everard Redelijk later naar haar hart spreken, zoo als Abraham Blankaart het reeds doet in den 79en brief. Vergel. nog F. J. Domela Nieuwenhuis, Geschiedenis der Amsterdamsche Luthersche gemeemte, 1856, blz 179 vlgg.

Kwijlbabbe.” Het woord o.a ook in de Warenar 1002. (Vergel. in de uitgave van M. de Vries blz. 201.) Babbelaarster wier mond nuet stil staat. „Babbe” is een kwijldoekje voor kleine kinderen (Nedel. Woordenboek op babbe) Het woord ook in den 146en brief.

Naar de 75e brief.


76e BRIEF.

den Inktkoker” Volgens de overlevering geschiedde dit op den Wartburg, 1521. Maar de oudtste bronnen waten van die sage niets. Zij heeft zich gevormd naar aanleiding van een vlek aan den muur van onbekenden oorsprong. Ook in Koburg en Wittenberg wijst men zulke vlekken aan. Verg. Köstlin, Martin Luther, 1903, I 440 en 773. dat de heer Jan Edeling dus dien inktkoker bezat, is zeer kras. Ook de genoemde Dischreden weten er niet van. Dit zijn de tafelgesprekken door Luther in den loop der jaren in zijne gastvrije woning gehouden en door de gasten op schrift gebracht en naar de onderwerpen gerangschikt. In het hoofdstuk „Van den duivel en zijne werken” komt sub 39 wel het verhaal voor van booze geesten, die hem op den Wartburg plaagden, maar niet van den inktkoker. Het is jammer an het verhaal; gelukkig is Luthers leven zóó rijk aaqn treffende gebeurtenissen,d at er nog genoeg overblijft

Bunjan” Bij dezen naam denkt ieder allereerst aan John Bunyan’s hoofdwerk The pilgrims progress from this world to that which is to come, voor ’t eerst verschenen in 1678, waarvan tien jaar later al meer dan tienduizend exemplaren verspreid waren en dat over de gansche wereld zou gelezen en geliefd worden. Het is waarschijnlijk, dat de heer Edeling dit boek bedoelt, waarvan reeds velen Hollandsche vertalingen verschenen waren o.a. eenen met aantekeningen van L. de Beveren Christens reize na de eewigheit, 1762 en dat ook in deze Bibliotheek zal worden opgenomen. Maar ook bedoeld, in ’t Nederlandsch vertaald en met graagte gelzen, b.v. De tedere ingewanden van Christi liefde aan den zondaar open gelegt en vertoont, Leeuwarden, 1718 (Gospels Thruths opened); De heyligen oorlog, Amsterdam, 1720 (The Holy War). Van Bunyan’s Grace abouding to the Chief of Sinners, waarin hij zijn eigen leven beschrijft met zijne „worstelingen” en   „aanvechtingen” vóór hij tot den „staat der genade” gekomen was, verscheen nog in 1882 een Nederlandsche overzetting: Genade verheerlijkt aan den voornaamste der zondaren. Al deze geschriften kunnen nog slechts genoten worden in de kringen van „bevindelijke vromen;” de Christenreize daarentegen overal waar het „heimwee naar een beter vaderland” wordt gekend. Bunyan komt nog een bij Wolff en Deken voor, als de goedige tante Martha en Christenreize met de reis van Bontekoe verwart (Willem Leevend I, 273).

Arends Paradijshofje” Ik denk dat bedoeld is: J. Arent, Het vernieuwde Paradijs-Hofjen vol allerhande stichtelijke gebeden. Nedelandsche vertaling uit het Duitsch van F. van Zeesen pl.m. 1730. (Catalog. Bibl. Mij der N. Letterk. I, 652). Gebedenboeken, zooals het straks te noemen van Mell, waren zeer in eere en werden vooral gebruikt bij de huiselijke goedsdienstoefening of bij eenzame overpeinzing. Dat ook deze laatste gewoon was blijkt wel hieruit, dat eene verlichte, beschaafde, aanzienijke vrouw als Mevrouw Helder „ter uitoefening van haaren morgen aandagt altoos in haar kamer blijft” (Willem Leevend IV, 274).

Naar de 76e brief.


77e BRIEF.

rijdt je de witkwast” Ik ken de uitdrukking niet. Misschien eene komische verdraaiing van „rijdt je de nachtmerrie” of „rijdt je een booze geest.”

Naar de 77e brief.


78e BRIEF.

Het buitenleven.” Hendrik Edeling is er vóór, juffrouw Hartog is er tegen. Het is dus duidelijk welke zijde Wolff’s en Deken’s sympathieën lagen. Inderdaad wordt in al hare romans (en naar den geest van Rousseau’s bewonderaars) het natuurlijke, gezonde, rustige buiten-zijn verre verheven boven het tegen-natuurlijke, ongezonde, drukke stadsleven. (Willem Leevend I, 399 vlgg. II, 268 vlgg. 291 vlg. Brieven van Abraham Blankaart II, 185). De buitenplaatsen waren zeer talrijk en daar de steden zooveel kleiner waren, kon ook de „kleine man” gemakkelijk in de vrije natuur komen. Maar onder de „grooten” ware er veelen, die Vondel’s Wildzang overdreven noemden:

„Waar groeien elken t’Amstedam,
    O kommerrijke beurs,
Daar nooit genoegen binnenkwam;
    Wat mist die plaats al geurs!

en liever zijnen guitigen raad maar niet opvolgden:

„Wie nu een vogel worden wil
    Die trekke pluimen aan,
Vermij de straat en straat geschil
    En kieze ruimer baan.”

Onze vriend Pope.” De dichter zegt deze woorden in zijn Windsor-forest. Zij beteekenen: Gelukkig wie zich naar deze schaduwen terugtrekt en wien de natuur bekoort en de zanggodin inspireert. Er staat eigenlijk: Happy next him... enz. En een paar regels verder: „Zelfs de nijd moet erkennen, ik leef onder der grooten.” Ook dit is van Pope t.w. in zijne nabootsing van sommige satyren en andere gedichten van Horatius (boek II, sat 1, reg. 25 van ’t einde af)

de natuurminnide Thomson.” Vergel. zijne jaargetijden (the Seasons) het bekendste gedicht van den beroemden Engelschen dichter (1700-1748), in onze periode vertaald door Johannes Lublink den jongen, Amsterdam 1787, die in zijne voorrede over den dichter en zijn werk ’t een en ander verhaalt. Hij heeft Thomson’s rijmloozen jamben in proza overgebracht. Het gedicht is nog altijd de lezing zeer waard. De hier aangehaalde versregel „falsely luxurious will not man awake” d.i. „valsche weelderigheid zal niemand doen opstaan,” (of iets dergelijks) kan ik niet thuisbrengen.

koopvaardijschip zou afloopen.” In deze dagen was her verval dus niet zóó groot of er werden nog schepen aangebouwd.

Naar de 78e brief.


79e BRIEF.

Uit Mell.Verg. de laatste aantekening bij den 76en brief. Indertijd heb ik, deze plaats vermeldende, twee boeken genoemd, die mogelijk door Abraham Blankaart konden bedoeld zijn. Sedert heb ik een derde leeren kennen, dat hier veel beter past: De lust der heiligen in Jehova. Of Gebedenboek tot nuttig gebruik in allehande tijden, staaten en gelegenheden. Door den zeer geleerden en zeer godvruchtigen dr. Coenraad Mell in Husfeld. Nederlandsche vertaling. Vóór mij ligt de 19e druk zonder jaartal, maar uit de 18e eeuw; bewijs van de wijde verspreiding. Het geeft morgen- en avondgebeden voor iederen dag der week en bevat voorts rubrieken als „de biddende koopman,” „de biddende landman,” „de biddende weduwe,” „gebed bij zwaar weder,” „gebed als men denkt te trouwen,” „gebed bij slapelooze nachten,” enz. enz. Bij het doorlezen vindt men wel hier en daar schoone gedachten; met dat al geven wij ons Saartej groot gelijk als zij zegt: „ik bid uit mijn eigen hart; ik weet immers beter wat ik nu noodig heb, dan Mell vóór vijftig jaar dat raden kon.”

Naar de 79e brief.


80e BRIEF.

Jantje spreek je niet tegen dien Heer.” Wie denkt niet aanstonds aan Hildebrands’„Spreekt uweé niet tegen meheer, Sorsetje?”

Vivent les gens d’esprit... enz.” Leve al wie geestig is; de duivel hale den domoor!

Naar de 80e brief.


81e BRIEF.

in de Meer.” Hendrik en Saartje gaan wandelen in de Watergraafs- of Diemermeer, sinds 1629 bedijkt, aan de oostzijde van den Amstel, nauwelijks een kwartiertje van de stad. Ik denk, dat zij langs den Middelweg zijn gewandeld, die den polder dwars doorsnijdt, met iepen- en lindeboomen was beplant en die een twintig jaar geleden (1762) van het eene tot het andere einde bestraat was. Uitvoerig bij Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst enz. 1767, III, 89 vlgg. Van deze meer heet het:

„Een mier, daar eertijds holle stoomen
En baaren stooven, nu maar stof;
Een meir dat nu, met hooge boomen
En schoone plaatsen, heerlijk prijkt,
En voor geen hooge landen wijkt.”

(Daniël Willinks, Amsterdamsche Temps, 1721, blz. 29) terwijl van onzen minnaar gelden mocht:

„Die ginds komt met zijn lief getreden
Aanvalligheen en zoet gelaat
Ontvouwen zijn genegenheden,
Hij noemt haar zijn beminlijk beeld
Die hem alleen kan ’t hart behagen” enz.
(ibid. blz. 24).

de ridder Coverly.”Sir Roger de Coverley is de naam van den landedelman, die herhaal;delijk voorkomt in de Spectator, het Engelsche tijdschrift van Steele en Addison, waarvan het eerst nummer verscheen in Maart 1711, en dat zijn naam heeft gegeven aan al dergelijke vertoogen, zooals ze ook in ons land, wij zagen het reeds, in menigte verschenen en die wij kortweg spectatoren of spectatoriale geschriften noemen, Over Addison en zijn aandeel in den Spectator bestaat een voortreffelijk artikel van Macaulay Essays, (Tachnitz, vol 5, no 189). Wat nu betreft dat „uithangbord waar veel voor en tegen zou kunnen gezegd worden,” in dien Spectator, no 122 van het uithangbord waarvan de waard, om zijn ouden meester sir Roger te eeren, diens portret had laten schilderen. De baron, niet bijzonder ingenomen met de goedbedoelde vriendelijkheid, zeide den man, dat de eer te groot was voor iemand, die althans geen hertog was en dat hij zorg zou dragen, dat het kunststuk zou worden veranderd. Op bevel van Sir Roger had eenschilder toen een paar bakkebaarden aan het gezicht geschilderd, de gelaatstrekken wat vergroot en er zóó een Turkekop van gemaakt. Maar de oorspronkelijke gelijkenis was nog niet geheel verdwenen en toen, bij een bezoek aan de herberg de brave, oude baron aan zijn vriend, den spectator, vroeg, of het uithangbord nu op hem of op een Saraceen geleek, gaf deze een ontwijkend antwoord door te zeggen dat „voor beide opvattingen veel te zeggen was.” Misschien wil men ten slotte nog weten, dat ook de Spectator in het Nederlandsch werd vertaald (door A. G. L. R. in 9 dln., Utrecht 1720-1744, een derde druk Amsterdam 1743-1759).

Naar de 81e brief.


82e BRIEF.

Stijntje Doorzicht.” Uit de schepping van deze figuur in den roman blijkt hoe ruimen blik Wolff en Deken hadden. Stijntje behoort ook tot de „vromen,” maar hoeveel hooger staat zij dan b.v. de verachtelijke Cornelia Slimpslamp.

Komries ware en valsche genade.” Alexander Comrie, predikant te Woubrugge, woordvoerder van de strenge orthodoxe, tegelijk, als Schortinghuis, man van „hemelsche bevindingen,” van den staat de natuur overgegaan in dien der genade, vol „innerlijke ontroeringen” en zich verdiepen in zichzelven. Niet juist de man door wien onze tante Suzanna tot helder inzicht van hare dwaling zou kunnen komen. Van dezen strijder voor de onvervalschte rechtzinnigheid in o.a. het woord dat alle begunstigers van de leer de christelijke verdraagzaamheid vrede met den Antichrist toonden te willen maken. Zijn optreden in de hervormde kerk valt ongeveer 30 jaar vóór onzen roman. Wier den man uitvoerig wil zien beschrijven leze het boek overhem van dr. A. C. Honig, Utrecht, 1892.

Naar de 82e brief.


83e BRIEF.

Garrick.” David Garrick (1716-1779) de beroemde Engelsche tooneelspeler, die de stukken van Shakespeare weer op het tooneel bracht. Hij heeft ook tooneelspelen geschreven, De heimelijke bruiloft, De leugenachtige dienstknecht, e.a. De hier opgenomen aria bezingt de zachtheid en de teederheid der vrouw, waardoor zij haar man blijvend aan zich zal binden.

Naar de 83e brief.


86e BRIEF.

De vrede tusschen Anna en Saartje (Aagje Deken en Betje Wolff) is gesloten. Vergelijk de laatste aantekeningen op den 12en en 63en brief.

Naar de 86e brief.


90e BRIEF.

Heintje Pik.” de drommel, de duivel.

zeker boek van Bitaubé, genaamd Jozef.” Bedoelt wordt Joseph, poéme en prose, door Paul Jerémie Bitaubé (1732-1808), den vertaler van de Ilias en de Odyssaea. Maar ik weet van geene oudere uitgave dan van 1768 en onze roman is van 1783. Wolff en Deken moeten dus een ouderen drik hebben gekend.

Voltaire, d’Alembert, des Clairauts.” Over den eerst zie boven op den 68en brief, de tweede is een geleerde uit zijnen kring, met den derde wordt vermoedelijk bedoeld Alexis Claude Clairault, de Fransche wis- en sterrekundige (1713-1765).

Endorsche kol,” de toovenares van Endor, de vrouw met de waarzeggenden geest 1 Samuel. 28.

Josephs drouv end bli eindet spel enz.” De hier bedoelde uitgave te Groningen 1721 is de verneuwde door E. E. Crous van het oorspronkelijke door J. Tonnis, Groningen, 1639 (Catal. Bibl. Mij d. Nederl Letterk. afd. Tooneel sub 3895 en 3893). Eene grap van dezlefde soort alt tante Martha’s vergissing met de Christenreize.

Blondel.” Een beroemde kapper in Saartjes dagen was te Amsterdam Monsieur Solair (Hartog a.w. blz. 82) vandaar in de Willem Leevend Belair (I, 272).

Naar de 90e brief.