91e BRIEF.

Brief van den heer R. Wij zeiden al, dat de lichtmisfiguren bij Wolff en Deken de beste niet zijn uit kunstoogpunt: zij zijn te dik opgelegd..

een galg in ’t oog.” de lucht van iets hebben, lont ruiken, in de gaten krijgen. (Nederlands Woordenboek op „galg”).

Naar de 91e brief.


95e BRIEF.

heele en halve en kwart Pelagianen” Pelagius leerde tegenover Augustinus, kort gezegd, den vrijen wil, d.i. de zedelijke vrijheid als het vermogen om altijd en in gelijke mate zoowel goed als kwaad te kunnen willen.Semi-pelagianisme is de leer volgens welke ’s mensche vorming en bekeering voor de eene helt als het werk des menschen zonder God, voor de andere helft als het werk van God met uitsluiting der menschelijke werkzaamheid, werden aangemerkt. „Vromen” als Cornelia die een fijnen neus voor ketterijen hebben, spreken nog van kwart-pelagianen, wat dan zijn moeten zijn, die een kwart aan zichzelven en de rest aan God toeschrijven! Vergelijk J.H. Scholten, Leer der Hervormde Kerk, II, 102-113.

Lamsgezinden” d.w.z. de doopsgezinden, die te Amsterdam bij ’t Lam kerk hielden, tusschen de Beulingstraat en ’t Koningsplein. Vroeg stond. Vroeger ston daar een pakhuis tot de brouwerij ’t Lam behoorende en in 1639 tot kerk verbouwd. Deze zelfde gemeente had nog een kerk „bij den Tooren.” Eene tweede gemeente vergaderde „in de Zon,” eene derde naast de herberg „De zes kruiken.” Deze laatsten heetten ook Vlamingers of Dantzigers, in den mond „kruikjes.” Wagenaar, a.w. II, 196 vlg 201, 203. Plaatsenover de tallooze secten onde de doopsgezinden in mijn artikel Tijdspiegel 1904, sub IV. Verg. nog een brief van Aagje Deken van 9 Febr. 1800: „wij beiden zijn in het politieken ook Lams Menist” (Brieven, blz. 336). Zij bedoeld: vredig, zacht, stil. In die beteekenis ook benist in ’t algemeen, „en ik geloof dat zij benist is, want zij zag er zo zachtmoedig en zo dik en zo vetjes uit” (Brieven, blz. 356). Voor onze brave Cornelia Slimpslamp zijn zij allen verfoeielijke ketters.

Demas” Verg. 2 Tim. 4, 10. „Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld lief gekregen.

Naar de 95e brief.


96e BRIEF.

Huwelijk en godsdienst.” Saartje spreekt hier Wolff’s en Deken’s innigste gevoelens uit. Huwelijk was haar schier zoo heilig als godsdienst en in hare romans hebben zij gedaan wat zij konden, om het huwelijksleven te verdedigen en hoog te houden tegen alles waat het in hare dagen belaagde. Let men voorts op de wijze, waarop Edeling Saartje’s hart tracht te veroveren, dan stemt met toe, wat prof. Van der Vlugt zegt van eene vroegere periode, maar ook van de onze geldend: „de ontwikkeling der vrijaadje tot een tactische kunst met hare duizend regelen en conventiën, haar voorpostenschermutselingen, hare loopgraven en tegenmijnen, hare bedekte aanvallen, hare afgesproken teekenen van verweer of capitulatie.” Zie in zijn artikel „Levend volksrecht” Gids, 1895, III, 37.

Naar de 96e brief.


97e BRIEF.

voor den predikstoel.” Verreweg de meeste huwelijken werden tijdens de republiek in de kerk gesloten door den predikant als bevoegd ambtenaar gesloten. Zij, die geen leden waren der heerschende kerk werden ten stadhuize door schepenen getrouwd, terwijl zij daarna gelegenheid hadden hunne kerkelijke huwlijksplechtigheden te verrichten. Allengs werd zelfs aan hervormden vrijheid gelaten tusschen predikant of schepenen te kiezen. Uitvoerig in mijn artikel „De gereformeerde kerk in haren strijd om het wettig huwelijk.” Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis, 1903, II 217-275, 359-396.

de liefde verfijnt tot vriendschap.” Ook een van de geliefkoosde opvattingen van Betje en Aagje, uitgesproken o.a. in de Willem Leevend V, 140, VII, 42 vlg. en in een brief van Aagje zelve, Brieven, blz. 334.

Naar de 97e brief.


100e BRIEF.

ooren laten aannaaien”, zich iet laten wijsmaken. Tante Martha gebruikt de uitdrukking ook (Willem Leevend II, 127). Eigendlijk tot een ezel maken, dus als dwaas ten toon stellen. Ook „iemand een vlassen baard maken,” mndl. maar ook later. Beide uitdrukkingen koomen in één versregel voor bij Jeremias de Decker, Rijmoefeningen I, 204:

„Wat poogt men ons goed recht met snorken t’overkraeien
  En u een vlassen baart of ooren aen te naeien.”

Naar de 100e brief.


109e BRIEF.

„een Azers deel.” Vergelijk Genesis 49, 20: „Azer, zijn brood is vet en hij levert koninklijke lekkernijen.”

„Een Enakskind,” een reus. Vergelijk Numeri 13, 28 en 33: „daar zagen wij de Enakskinderen,... de reuzen, waarbij wij in eigen oog als sprinkhanen waren.”

Naar de 109e brief.


112e BRIEF.

„de consciëntie is de klapperman” enz. De uitdrukking is van Wilhelmus Eversdijk in zijn bundel Messiasheerlijkheid, 1700.

Naar de 112e brief.


116e BRIEF.

Opgewarmd bier en broodskind,” biersop met brood, pap. Een kind met slappe kost opgebracht.

to bliktri” Van deze uitdrukking vermag ik geene verklaring te geven.

Naar de 116e brief.


117e BRIEF.

„de priester van Boileau.” Eene toespeling op eene plaats uit le Lutrin van  den Franschen dichter Boileau, die aldus luidt: „Son menton sur son sein descend à double étage” d.i. ongeveer: „Zijn kin rust op zijne borst met eene tweedubbele verdieping” De toespeling is dus niet geheel juist. Bij Voltaire, Epitre 6, vs. 2 vlg. komt een priester voor met een driedubbele onderkin.

Naar de 117e brief.


120e BRIEF.

uw Jonathan,” uw vriend. Toespeling op Jonathan, de zoon van Saul en op zijn onbaatzuchtige vriendschap voor David, dien hij beminde als zijn ziel. (1 Sam. 18, 1.)

Naar de 120e brief.


122e BRIEF.

Hortus Medicus”Tusschen de Heeren-, Muider-, Baan- en Rapenburgergraht was van de nieuwe vergrooting der stad een groot, langwerpig stuk land overgebleven. Dit werd tot een Plantage aangelegd, waarvan de naam nog thans over is en waarop de vroeger genoemde Daniël Wilkins zijn hoogdravend lofdicht in twee boeken zong. Een gedeelte dier plantage, langs de Heerengracht werd in 1682 tot Hortus Medicus of artsenijtuin aangelegd. Men trad er binnen door een steenen poort en zag allereerst eenige gebouwen, waaronder een fraai Oranje-huis en voorts kleine musea van dieren op sterk water, mineralen, opgezette vogels en kapellen. De hortus-zelf was sierlijk aangelegd en bezat tal van vreemde gewassen uit onze kolonieën in hooge kassen en broeibakken. Wagenaar a.w. II, 388 vermeldt een Drakenbloedsboom, die boven ’t dak uitgroeide en om welks kruin een nette glazen koepel gezet was. De besproeiing geschiedde door Vechtwater in een schuit uit Weesp aangebracht. De toegang stond zes werkdagen open voor 4 stuivers voor ’t publiek, voor dokters, hoogleeraren, apothekers- en chirurgijsleerlingen golden afzonderlijke bepalingen. In dezen tuin dan zal ook Saartje door haren belager worden rondgeleid... zooals zij denkt.

Naar de 122e brief.


126e BRIEF.

gridelijn,” gris de lin, vlaskleurig grijs.

Naar de 126e brief.


127e BRIEF.

Jezabel,” de booze vrouw van koning Achab.

Achitofellinne” vrouwelijk van Achitofel. Vergelijk 1e aantekening 4e brief.

Boanerges” hetwelk is zonen des donders, bijnaam van Jacobus en Johannes, Marcus 3, 17.

Bethel” d.i. huis Gods. Ook eene heilige stad in Palestina.

Nieuwkerk” Te Nijkerk op de Veluwe had zich in 1749 en volgende jaren, onder invloed van ds. G. Kuypers, die er zelf een boek over schreef, eene godsdienstige „opleving” vertoond, zoo ongeveer als thans in Wales: extatische tooneelen van genadewerking en bekeering, roepen, schreien, jammeren, boetedoeningen en wat meer de gewone openbaringen van zult een goedbedoelde, maar toch noodlottige uitbarstingvan dweperij zijn. Wollf en Deken hebben deze „Nieuwkerksche schreeuwpartij” niet opgehad, zulk een bekeering was haar te onstuimig. (Willem Leevend I, 178, 391. Brieven van Abraham Blankaart II, 33) Wie een kort bericht over de beweging wil lezen name S.D. van Veen, Uit de vorige eeuw, Utrecht 1887, blz 1 - 40.

Saulus,” naam van Paulus vóór zijn overgang tot het christendom.

Naar de 127e brief.


128e BRIEF.

Simon de toovernaar” uit Samaria, die voor geld van de apostelen de macht op den Heiligen Geest te geven koopen wilde en door Petrus wordt bestraft; met andere woorden ecth dan door Stijntje worden aangehaald. (Handelingen 8, 9-24).

gebroken bakken enz.” Aldus Jeremia 2, 13: „Want een dubbel kwaad heeft mijn volk bedreven: mij, de bron van levend water hebben zij verlaten, om zich regenbakken uit te houwen, gescheurd, die geen water houden.” In de Willem Leevend II, 245 pas ds. Heftig dit woord toe op de lectuur van vrijzinnige Engelsche boeken.

Naar de 128e brief.


129e BRIEF.

vaste tranen, zij vloeien zeldzaam.” Zóó zegt ook de oude Mozes tot Frida van Rambow: „der alter Jud’ hat flieszen lassen die Thränen über Sie, und das vergieszt er nicht, den sie sind ihm geworden knapp, die Thränen” d.i. „de oude Jood heeft vloeien laten zijne tranen over u en dat vergeet hij nooit, want zij zijn hem geworden krap, die tranen.” Fritz Reuter Ut mine Stomtid III. cap. 45.

Jolen,” pretmakers.

ik vernibbel mij,” ik verkneuter mij.

Naar de 129e brief.


130e BRIEF.

„een zoet boekje, het hiet Thomas à Kempis.” Suzanna bedoeld de Navolging van Christus van onzen beroemden Thomas van Kempen, gestorven 1471. Van dit „gulden boekske,” na den bijbel het meest gelezen boek, bestaan meer dan 2000 uitgaven in ’t oorspronkelijk Latijn, en er is bijna geen taal, waarin het niet werd overgezet. Voor wie het in ’t Hollandsch wil lezen, wijzen wij op de Vertaling van ds. J.P. Hasebroek (Jonathan) 1558, die in de Inleiding van allerlei over dit onvolprezen boek vertlet. Gelukkig, dat tante Suzanna het in handen kreeg: zij had er meer aan dan aan al haar oefeningsboekjes.

Naar de 130e brief.


133e BRIEF.

Live,” een mij onbekend schrijver. Noch de Encyclopaedia Brittanica, noch de Lee’s Dictionary of National Biography kent hem.

Tersteeg.” Gerard Tersteegen, een Duitsche Mysticus (d.i. iemand bij wien het gevoelsleven overheerscht en zeer innig en diep is), dichter van geestelijke liederen en schrijver van Geestelijk Bloemhofjen en Vroome loterij. In 1770 verscheen eene Nederlandsche vertaling van sommige zijner boekjes. Door zijn evangelisch, bijbelsch christendom heeft hij grooten invloed geoefend zoodat „men van  Amsterdam tot Bern zijne vele aanhangers vond.” In de Vervolgbundel op de Evangelische gezangenis hem gez. 274: „Komt laat ons voortgaan kinderen...”

Deknatel.” Johannnes Deknatel, dichter o.a. van lijkdichten op M. Oosterbaan, 1723, op H Schijn, 1727.

Lodesteyn” Jodocus van Lodenstein, beroemd godgeleerde, dichter en mysticus uit het midden der 17e eeuw, predikant te Utrecht. Stijntje zong uit zijn bundel stichtelijk liederen Uitspanningen, waarover men lezen kan bij Dr. P. Jzn. Proost, Jodocus van Lodensteyn, 1880, blz. 97 vlgg. In 1769 was er een 15e druk van verschenen.

Boddaert.” P. Boddaer Czn. gaf Stichtelijke gedichten, waarvan te Leiden in 1765 reeds de 5e druk verscheen.

Camphuizen.” Van al de genoemde verreweg de beste. Dirk Rafaëlsz. Camphuizen, als remonstrantsch predikant afgezet, rondzwervend sinds, om in Dockum te sterven (1627), de hoogbegaafde, zoetvloeiende, beminnelijke dichter. STijntje bedoeld ’s mans Stichtelijke rijmen om te lezen of te zingen, waarvan de 1e druk met muziek bij het eerste couplet van ieder gedicht verscheen in 1624. Het boek beleefde schier tallooze uitgaven (vóór mij ligt ééne van 1713) en verdient in zijn geheel te worden gelezen. Wie nochtans eene goedkoope bloemlezing begeert neme Uitgelezen stichtelijke rijmen van Dirck Rafaëlsz. Kamphuyzen door J. van Vloten 1861 (Klassiek letterkundig Pantheon no. 73, Schiedam, Roelants) Van zijne hand verscheen ook eene zeer dichterlijke berijming van de 150 psalmen. Prof. G. Kalff nam enkele van zijne gedichten op in zijn Dichters van den ouden tijd, 1904 blz. 23-32. het beste boek over Camphuysen is dat van dr. L. A. Rademaker, Gouda 1898, waarvan de lezing warm mag worden aanbevolen. Wolff en Deken stelden hem hoog en zingen meermalen zijn lof bij monder van Christina de Vrij in de Willem Leevend.

Zuster Timmermans.” Zij was ± 1760 eene geliefde spreekster in de kleine, afnemende Amsterdamsche gemeente der Kwakers. Vergelijk nog Cornelia Wildschut, VI, 170 vlg.

„de Jongeling.” Vergelijk Markus 10, 17-23.

Een brief als deze (behoef ik het te zeggen?) is een schitterend voorbeeld van de kunst der juffrouwen Wolff en Deken. Hoe volkomen hebben zij zich ingedacht in het geestelijk leven dezer eenvoudige ziel! En welk een volmaakt schilderijtje meteen geleverd van de toenmalige kringen van den kleinen burgerstand!

Naar de 133e brief.


134e BRIEF.

Zijn er leeuwen op de weg.” Vergelijk Spreuken 22, 13. 26, 13 „De luiaard zegt: een leeuw daarbuiten! Ik mocht eens midden op straat gedood worden?”

Zijne gematigde denkwijze” enz. Eene kostelijke parodie op wat toenmaals een predikant in trek deed zijn.

Naar de 134e brief.


136e BRIEF.

op marode gaan,”op den dril gaan, aan den zwier zijn (ook „op marode loopen” in Brieven van ABraham Blankaart). Vergelijk Stoett, Spreekwoordenboek nr. 405.

„de wijze man,” Salomo.

Naar de 136e brief.


139e BRIEF.

Verhaal.” Vergelijk het in de inleiding gezegde over Betje’s eigen herinneringen, in Saartjes verhaal verwerkt.

„de Muiderpoort,” de thans nog bestaande; daarbuiten alles nog natuur in Saartje’s dagen.

Naar de 139e brief.


140e BRIEF.

brief van de kust van Bengalen.” Brieven bleven sons al zeer lang onderweg. Eén voorbeeld uit eene vroegere periode. Ds. Wiltens schreef 29 Juli 1612 een brief uit Thornate, die 6 Augustus 1614 aan Heeren Bewindhebbers der O. I. Compagnie te Amsterdam bezorgd werd! (Rijksarchief).

Naar de 140e brief.


141e BRIEF.

niet bemorst met bloed en tranen,” wat anders met Oost-Indisch geld maar al te vaak het geval was.

Naar de 141e brief.


146e BRIEF.

„de ouwe babbe,” vergelijk de 2e aantekening bij den 75en brief.

Naar de 146e brief.


149e BRIEF.

„ik heb zoo mijn spikkelatie,” ik heb zulk een schik.

kissebissen,”nog in de dialecten voor „met veel drukte heen en weêr loopen,” Ook in Willem Leevend I, 99. De eerster helft van ’t woord kan ik niet thuisbrengen; voor de tweede zie de Jager, Frequentatieven, I, 26 en Nederlandsch Woordenboek op bijzen, zich drukmaken.

Onze schilder Troost”, van win o.a. de illustratie zijn van de tooneelstukken van Asselijn bovengenoemd (Mauritshuis).

Nero niemands-vriend” dezelfde uitdrukking in de Willem Leevend van den heer van Oldenburg.

huispostillen” stichtelijke dagboeken voor de huiselijke godsdiennstofeningen.

braspenningen zweeten;” braspenning, penning om te brassen, te verteren. De uitdrukking beteekent „op zolder weggelegd zijn (van koopwaren) om later, bij hooger markt, voordeling verkocht te worden.” Nedelandsch Woordenboek i.v. Carolus Tuinman, Oorsprong en uytlegging van dagelijks gebruikte Nederduytsche spreekwoorden, Middelburg 1720, II, 123.

vrouwtje van Thekoa.” Vergelijk 2 Samuël 13, 17a, 14, 20. Als Absalom drie jaar in ballingschap geweest is, verlangt David weer naar hem. Joab, dit bemerkende,. zendt tot den koning eene vrouw uit Tekoa die zich als een rouwdragende aanstelt en hem verhaalt, dat zij weduwe is en twee zonen had van wie de een den ander doodsloeg en dat nu de familie het leven van den broedermoorder eischt, waardoor zij kinderloos dreigt te worden; de koning belooft haar zijne hulp. De vrouw vraagt dan , waarom David ook niet zoo met Absalom doet en hem terugroept? (Leidschen Vertaling van het Oude Testament.

Naar de 149e brief.


156e BRIEF.

kwam maar juist van pas binnen,” namelijk vóór poortsluiten.

Naar de 156e brief.


158e BRIEF.

„niet woont in ’t water, noch in ’t vuur,” Toespeling op I Koningen 19, 11: „niet in den stormwind was de Heer,” 12: „niet in de aardbeveving was de Heer, niet in ’t vuur was de Heer.”

„een Jozua’s besluit” vergelijk Jozua 24, 15b.

Naar de 158e brief.


159e BRIEF.

Young.” Edward Young (1681-1785). Engelsch geestelijke, hof kapelaan van koning George II, heeft veel geschreven, dat niemand meer kent, maar één werk heeft hem beroemd gemaakt: Night Thoughts on life, time, friendship, death and immortality (Nachtgedachten over leven, tijd, vriendschap, dood en onsterfelijkheid) door hem in dagen van diepe melancholie gedicht. Wel geeft hij daarin vele schoone, dichterlijke gedachten,wel gelooft hij in God’s macht en de eindelijke overwinning der deugd, maar de doorgaande stemming is somber, dood en vergankelijkheid houden hem vooral bezig en het geheel is inderdaad zwart als de nacht. De weduwe Spilgoed, kan zoo zij geen Engelsch verstond, de Nederlandsche vertaling van 1766 hebben gebruikt Nachgedachten over het leven, den dood en de onsterfelijkheid der ziel, Amsterdam in 2 deelen. Er is nog eene vertaling van 1735 in 4 deelen door J. Lublink den jongen en eene van A.C. Schenk 1805, bewijs voorde belangstelling, waarmede ook ten onzent het boek werd gelezen.

Naar de 159e brief.


160e BRIEF.

„De knoop is gelukkig gelefd.” Zelfde uitdrukking als bij ’t huwelijk van Willem Leevend en Chrisje Helder. Bij dezen brief is het noodig te herinneren, dat in Wolff’s dagen de vreemde gewoonte van de huwelijksreis nog niet bestond. Het jonge paar bleef in ’t huis, waaruit de bruid trouwde en de feesten waren op den eigenlijke trouwdag niet afgeloopen. Het vrijeen en trouwen onzer voorouders verschilde in allerlei opzicht hemelsbreed van   onze manieren. Tallooze, vaak zijnrijke, gebruiken, toen nog daarbij in eere, zijn thans uitgestorven. De toon die er heerschte, de liedjes, die werden gezongen, waren, in onze  gouden eeuw, zeer openhartig en soms kortweg vies, maar in de toespelingen op toemkomstig kinderbezit ligt de gezonde opvatting van het huwelijk als voortplanting van het geslacht en de overtuiging, dat kinderbezit een zegen is. En is de toon dartel, men schaamde zich zijn levenslust niet. In onze periode waren gebruiken en liederen al gekunstelder geworden, maar ze waren ern nog talrijke dan men uit Saartje’s bruiloft zou opmaken.Van het Commissarismaal (bij den ondertrouw) is sprake bij het huwelijk van Alida Leevend. Zie vooral: Van het vrijen en trouwen door mr. N. de Roever, Haarlem 1891. In de Oude Tijd vindt men voorts aardige artikelen „van vrijen en trouwen;” overigens is de literatuur te uitgebreid om aan het opnoemen te beginnen.

Naar de 160e brief.


166e BRIEF.

Correspondenten” handelsvrienden. Bij wat mejuffrouw Willis hier zegt over ’t samenwonen van twee vriendinnen, denkt men aan Betje en Aagje zelven.

Naar de 166e brief.


168e BRIEF.

onnatuurlijke schrikbeelden.” Men vergete niet, dat de verloskunde in onze periode wel groote vorderingen had gemaakt, dat hij gebruik van een tang, na lang als geheim middel slechts om hoogen prijs te zijn medegedeeld, thans de vernieuwende ontdekking van den Gentenaar Palfijn (1723) ook ten onzent algemeen werd gebruikt, dat het vroedvrouwenonderricht zeer verbetert was, dat in het land van onzen grooten Van Deventer te overtuiging zicht gevestigd had, dat de kunst slechts dáár is om de natuur te hulp te komen — maar dat men tegenover de zware gevallen toch noch al te machteloos stond en het gevaar voor besmetting groot was, omdat men de  „kraamvrouwenkoorts” als door onreinheid veroorzaakt, nog niet in haar juist karakter kende. En de schrijfster van dezen brief telt bovendien nog allerlei oorzaken op, voor „sterven en deerlijk mishandelen van jonge vrouwen,” waartegenover zij enkele goede raadgevingen stelt

Naar de 168e brief.


171e BRIEF.

„hij lei met den vroedmeester zijne vrouw in ’t ledikant.” Saartje was namelijk naar de gewoonte dier dagen, in de kraamstoel bevallen waarvan er verscheidene soorten bestonden, een door onzen Van Deventer uitgevonden, een andere door onzen Solingen. Bij enkele oude families vindt men ze soms nog op zolder terug. Afbeeldingen, behalve in de boeken over de geschiedenis der verloskunde, ook in de toemalige handboekjes voor vroedvrouwen (uit Saartje’s tijd b.v. in ’t Boeck van de vroet-wijfs, Amsterdam, 3e druk, 1770 op blz. 37). Dat Hendrik Edeling zijn vrouw „in ’t ledikant legde” zou ook aldus kunnen worden verklaard, dat zij in plaats van in den kraamstoel bevallen was op de schoot eener vrouw. Zulke „schootsters” komen, behalve in de 16e eeuw, voor in latere boeken (Solingen, Embryulcia, 1698 op blz. 369 en 1e druk van 1673 op blz. 157) en nog uit het jaar 1835 is er een curieus verhaal, waarin van deze „schootsters” melding wordt gemaakt (Witkowsky, Histoires des accouchements, 1887, p. 383). Ik noemde in de voorlaatste aanteekening bij den 44en brief het Museum van de Maatschappij der Geneeskunde. Dáár bevindt zich ook een geheel in op ’t prachtigst ingerichte kraamkamer, waarin niets ontbreekt, wat er in behoorde, gevolgd naar een plaat van Troost, ongeveer een halve eeuw vóór onzen roman. Een gids door dit hoogst belangwekkend museum verschijnt dezer dagen van de hand van den ijverigen bibliothecaris van genoemde maatschappij dr. C. E. Daniëls.

aan huis gedoopt,” wat in tegenstelling van den kerkdoop, vaak geschiedde.

en in allen opzicht moeder,” zij zoogde zelve haar kind. Vergelijk de 4e aantekening bij den 44en brief.

Naar de 171e brief.


173e BRIEF.

Jan Luykens liedje op den Morgenstond.” Een van de allerschoonste gedichten van dezen zanger (1649-1712)

„O welkom schoone dageraad
die uit een gulde kamer gaan
met glans van held’re stralen... enz”

Vergelijk. dr. C.B. Hylkema, Stichtelijke verzen van Luycken, 1904, blz.57. Het vers is ook opgenomen in prof. Kalff’s bovengenoemde Bloemlezing blz. 182 en in Levenslicht, verzameld door P.H. Hugensholtz, Amsterdam 1901, blz 397.

„het gebed des goeden mans vermag veel,” vergelijk Jacobus 5, 16.

Naar de 173e brief.


NAREDEN.

besteld zes weken aan zijn collega’s,” vraagt hun zijne beurten waar te nemen.

Naar de nareden.


Mij rest ten slotte nog de aangename taak mijnen dank te betuigen aan de heeren prof. dr. J. Verdam, J. de Josselin de Jong en dr. J. J. Salverda de Grave voor enkele vriendelijke inlichtingen die zij mij wel hebben willen verschaffen.

20 April 1905.    —    L. KNAPPERT.