Bedenking op myn eigen verjaardag

Agatha Deken (1741-1804)

Ik heb dan achtntwintig jaaren
Geleefd! geleefd? neen; verr van daar:
Die schoone tyd is weggevaaren:
k Bewoog my achtntwintig jaar.
Leevensorzaak! wat is leeven?
Is t laag en ydel tydsverspil?
Neen; t is aan u zich overgeeven;
t Is wandlen naar uw wyzen wil.
Dan, ach! myne uuren zyn verlooren!
Die dierbre gift onnut verdaan!
Help! God! wat lot is my beschooren!
Waar zal ik uw gezicht ontgaan?
Waar vlugte ik!... waar? k vlugt in uwe armen;
Ik berg my in dien hoogen nood,
Vol hoop op t vaderlyk ontfermen,
Ik berg myn hoofd in uwen schoot.
Ach! wil de dwaashen my vergeeven,
De dwaashen van myn losse jeugd!
k Wyde u, God! myn volgend leeven:
Ik kenne, ik achte, ik kies de deugd.
Myn vyand waakt, zou ik dan slaapen,
En zorgloos sluimren in t gevaar?
Gaf my de Heilvorst schild en wapen,
Om t stil te leggen by elkar?
Ik zal.. wat durve ik toch belooven?
Ik schaam my zulks voor u, Heer!
En woord zal ligt myn yver dooven,
En, ach! n vyand werpt my ner.
k Heb duizendmaal, God, der goden!
Aan u met ernst myn hart beloofd,
Ja zelfs gewillig aangeboden,
Doch duizendmaalen wer ontroofd.
Zal ik, God! altoos dus zwerven?
Nooit vast staan op den weg der deugd?
Uw gunst en s waerelds vreindschap derven?...
Vaar wel dan, vrede en kalmte en vreugd!
Dan slyte ik ik kwynende all myn dagen;
Dan kruipe ik hygend naar myn graf,
Want s Hemels ongunst weg te dragen
Is t hardste leef, de zwaarste straf.
Neem, k gryp wer moed: gy zult my sterken
In u, myn hulp, myn hoofd, myn kracht;
Dan wordt het willen en het werken,
God! in y door u volbragt.
Dan wordt, door gonzende ydelheden,
Myn zielrust niet gestoord,
Dan nadere ik, met snelle schreden,
Het land dat nu myn ziel bekoort;
Tot ik, eens al t gevaar ontvaaren,
In t vol genot van t hoogste goed,
My-zelf al juichend zal verjaaren,
Met zelfvoldoening in t gemoed.