DE pruikentijd. Wie, bij het lezen van dit woord, roept zich niet aanstonds de tweede helft de 18e eeuw voor den geest, onder deze weinig vleiende benaming algemeen bekend? Hoe weinig het zijn moge, dat menschen van de geschiedenis des vaderlands onthouden hebben, over den pruikentijd hebben zij hun oordeel gereed. Een tijd van nationaal verval, van teren op de oude glorie, zonder voor eigen roem zich langer in te spannen. Tijd van rijkdom nog wel in de deftige koopmansgeslachten, maar waarin het landsvermogen inkrimpt met den dag. Weelde in de statige huizen aan Keizers- en Heerengracht, aan Leuve- en Wijnhaven; in de met zorg onderhouden buitenplaatsen langs den duinzoom of in grazige polders; weelde in meubileering, in huisraad en servies, in kleedij en tafelgenot. Maar geen kracht meer of energie, een leven, dat wegdommelt in luie stoelen, van merg en pit beroofd, klagelijk overblijfsel van die stoere kracht der vaderen, waardoor Amsterdam de hoofdstad van een werelddeel geworden was:

„Aan d’Amstel en het IJ daar doet zich heerlijk ope’
„Zij, die als keizerin de kroon draagt van Europe.”

Rustig liggen de theekoepels der patricische buitenverblijven zich te spiegelen in Amstel en Vecht, waarin de blanke zwanen drijven; kwistig opgepronkte saletjonkers met licht gepoeierde pruik, de driekante steek onder den arm, in rood lakensche kamizool, het degentje op zijde omhoog-gewipt, trippelen over de gladde vloer de koele ontvangzaal binnen der lommerrijke buitenplaats en buigen in zwierige behaagzucht voor hooggekapte jonge dames, met vierkant uitgesneden halzen, die aan mozaiek ingelegde tafeltjes kaartspelen en babbelen. Het kleine vaderland is in partijen verscheurd en in de colleges d.z. de sociëteiten vlamt de politieke hartstocht zóó hoog op als de algemeene verslapping nog toelaat. Daverend klinken de gezwollen frazen der polikasters, kwart-poëten galmen hunne bombast-verzen uit, terwijl van verre reeds de roep klinkt van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Het onweder rommelt in de verte, maar men is als die in onwetendheid dansen boven een vulkaan. Naar Frankrijk richt zich der patriotten verlangende blik; middelerwijl kaapt de Engelsche buurman, als van ouds visschend in troebel water, onze koopvaarders weg en onderzoekt belangstellend de sterkte en den rijkdom onzer kolonieën. Alles klein en beuzelachtig, zonder grootsche idealen, zonder heilige geestdrift; de republiek een bouwval, het volk verarmd, de regentadel verdorven, de zedelijkheid verworden, de kunst namaak, de godsdienst een uitgebluscht vuur...... slaperige, geestelooze, geparfumeerde, malle pruikentijd!

Ziedaar de gangbare meening. Dat er een goed deel waarheid in steekt, ontkent niemand. Het is noodig te zeggen, dat voor een ander deel de smaad onverdiend is. Want te midden van de oude dingen, die verdwenen, gelijk de gansche vermolmde bauw van het gemeenebest immers was inééngestort, waren de nieuwe bezig zich te vormen. De verroeste machine der staatsinstellingen beweegt zich al langzamer; onderwijl peinzen knappe koppen over leniger, vrijzinniger constitutie. Moge een deel der natie genoeg hebben aan de wufte geneugten van het tegenwoordige, er zijn ook mannen en vrouwen, die niet alleen droomen van, maar ook plannen maken voor eene toekomst, waarin de breede burgerij stem zal hebben in regeeringszaken, waarin bevoorrechting en geërfd privilege zullen plaats maken voor zelfverdiend en welverworven recht en monopolie zal wijken voor vrije mededinging. Het holle zwetsen der vrijheidsmannen mag ons niet doof maken voor al die stemmen van eerlijke en nobele vaderlanders, die wel de wegen niet wisten te wijzen, om uit der verwarring te komen, maar toch de komende dagen afschilderden als een tijd van rechtvaardigheid, onomkoopbaarheid en onzelfzuchtige vaderlandsliefde. Er werd veel gewerkt, veel gelezen en ook veel gedaan, „tot nut van ’t algemeen.” Godsdienst mocht bij velen zijn ontaard in koud dogmatisme of in akelig-nuchtere redelijkheid, de stille, oprechte vromen, rein van hart en onergerlijk van wandel, ontbraken allerminst en aan het wetenschappelijk onderzoek naar het eigenlijk wezen des christendoms was de eerste hand geslagen. De kunst had hare gouden eeuw verre achter zich, nochtans was het loutere vuur niet gansch gedoofd. Neen, het geslacht van den pruikentijd was niet volstrekt ontzenuwd en ontaard. De storm van de Groote Omwenteling heeft er over gewaaid; de Fransche Tijd heeft het gelouterd en beproefd, en het is niet heengegaan vóór het zonen en dochteren had voortgebracht, die, onder gunstiger omstandigheden, de nieuwe, betere verdeeling zouden grondvesten.

Midden dan in dien tijd van verval, maar ook van beloften, leven de twee Nederlandsche vrouwen, die de nationale eer zoo schitterend hebben ontplooid en ons nagelaten wat gelezen en genoten worden zal, zolang de Nederlandsche taal leeft. Betje Wolff en Aagje Deken — de tijd harer miskenning is lang voorbij, de dagen harer glorie zijn aangebroken. Door Bilderdijk nog met bitse woorden veroordeeld, tot over de helft de 19e eeuw schier vergeten, beginnen zij thans zelfs meer of min in de mode te komen. Zij hebben dit vooral zichzelven te danken; toch ook aan de verlevendigde belangstelling in onze historie, met name van de 18e eeuw, die dat voorrecht deelt met de 15e. Geschied- en letterkundigen hebben het lot en leven van Betje en Aagje tot in de kleinste kleinigheden onderzocht; de brieven, die zij aan allerlei tijdgenooten schreven, zijn thans algemeen eigendom; hoe zij er uitzagen en waar zij woonden en met wie zij omgingen en hoe zij haren dag verdeelden — het is al met zorgzame liefde nagespeurd; een litterator als Busken Huet heeft in zijn „Oude Romans” twee harer werken smaakvol en smakelijk behandeld; dr. Dyserinck op eene tentoonstelling in 1895 van allerlei samengebracht wat op de beide vrouwen betrekking had; best van al, hare boeken worden inderdaad gelezen en (ook weder door de hier volgende uitgave) tot telkens meerderen gebracht. Men is verantwoord, als men dit eene groote weldaad neemt voor het Nedelandsche volk.

Wie waren zij dan, die ons thans nog die weldaad bewijzen? De eene, Elisabeth Bekker, de jongste uit een gegoede Vlissingsche familie, klein van postuur, geestig en vroolijk, in hare jonge jaren al vol liefde voor de letteren, als meisje van 17 jaar ter nauwernood ontsnapt aan de lagen van een te argeloos vertrouwden, schurkachtigen minnaar, op 21-jarigen ouderdom gehuwd met den 30-jarigen ouderen Beemster predikant Wolff (18 November 1759), in 1777 weduwe en sinds in de Rijp, de Beverwijk, Trévouz in Bourgondie hare dagen slijtend, om in Den Haag te sterven. De andere, Agatha Deken, van boerenouders te Amstelveen geboren, opgevoed in het welbekende weeshuis der Amsterdamsche Collegianten, d’Oranjeappel, wel ontwikkeld, letterkundig van aanleg, eerst van tegenzin voor Betje vervuld, maar bekeerd en gewonnen en sedert (1776) met haar verbonden door een vriendschap van het zuiverst en edelst allooi. Beide vrouwen te zamen wonend en te zamen arbeidend aan de romans, die haar beroemd zouden maken, gezamenlijk haren geest, haar vernuft, humor en menschenkennis spillend, in eendrachtige en gemeenschappelijke toewijding aan Holland’s taal en Holland’s kunst, die zij zoo oprecht hebben bemind en zoo zelfverloochend hebben gediend.

Niet om eene ook maar korte, biografie is het hier te doen. Zij werd wel vaak al gegeven: Betje’s min of meer eentonig leven in de Beemster pastorie, al gaven de talrijke buitenplaatsen door hare bewoners des zomers levendig verkeer. De zooveel oudere echtgenoot, over wien zij zich in de eerste jaren haars huwelijks spotziek en liefdeloos uitlaat, maar dien zij later althans is gaan achten. Het aangenaam en vredig verblijf der beide vrouwen, zonder aardsche zorgen, en in druk verkeer me allerlei vrienden, op „Lommerlust” in de Beverwijk, thans de pastorie der R.K. gemeente; nog staat in den prachtigen tuin het koepeltje waarin de vriendinnen zaten en schreven, beroemde plek nu in de geschiedenis der Nederlandsche letteren. Rustige dagen in een rustige omgeving, de natuur nog niet overal terugwijkend voor de al voortrukkende huizenmassa’s, dagen, waaraan wij uit ons jagend, kilometerend leven met weemod, terugdenken, van Betje en Aagje straks vervangen door het verblijf in een afgelegen Fransch stadje, van trotsch natuurschoon omringd. Want zij waren ijverige patriotten en na de Pruische tusschenkomst ten behoeve van Willem V (1787) uitgeweken nar het bekoorlijke Trévoux. Van het rumoer der Groote Omwenteling drongen daar maar flauwe geruchten door. Hier woonden zij en sloten vriendschap met de vriendelijke menschen en wandelden en lazen en schreven tot 1798, toen het bericht kwam, dat de beheeder van haar geld en goed bankroet had gemaakt en zij alles verloren hadden. Dan keeren zij terug naar het vaderland en leven stil en sobertjes in Den Haag, hard werkend nu voor haar brood door vertalen, schoon door hare vrienden niet vergeten, Betje door de smarten van een allerpijnlijkste kwaal geteisterd, beiden door den ouderdom geplaagd, maar van geest ongebroken, vroom van geloof, sterk van wil, het tintelend vernuft tot het laatste ongedoofd. Totdat zij, kort na elkander, Betje den 5en Aagje den 13e November 1804 uit het aardschen leven zijn weggereisd. Zij werden te Scheveningen begraven.

In de daareven genoemde, onlangs uitgegeven verzameling harer brieven ligt het karakter der juffrouwen Wolff en Deken op voor ons. Betje levendig, druk, hartstochtelijk, niet zonder behaagzucht, ongedwongen met mannen op het al te vrije af, satiriek, maar door en door oprecht, trouw in haar vriendschap, geestig, opgewekt onder beproevingen, veerkrachtig en arbeidszaam. Aagje wat stemmigjes, stiller, minder naar buiten levend, met even grooten zin voor humor, maar niet zoo sprankelend vernuft, even trouw, even arbeidzaam. Beiden ontwikkeld en wel opgevoed, maar Betje van veel rijker belezenheid. Beiden vrijzinnig in denken en gevoelen. In Aagje niet weinig van dien vrijen geest der Rijnsburger collegianten, die onder de godsdienstige richtingen tijdens de Republiek het anti-confessioneele standpunt vertegenwoordigen, zij zelve meteen van eene vroomheid, die haar nog in haren ouderdom liederen deed dichten voor een gezangbundel van Haarlemschen doopgezinden. Betje behoorde eveneens door lectuur, door levenservaring en nadenken tot de toenmalige liberalen. Zij had omgang en stond in briefwisseling met bekende vrijzinnigen op godsdienstig en staatkundig gebied en verdedigde in haar geschriften het vrije onderzoek ook van de dingen van dien godsdienst. Menigmaal heeft zij lustig gesold met bekrompenheid en enghartigheid, maar vooral de schijnvroomheid onbarmhartig onder de spitsroeden laten doorgaan. Bij beide vriendinnen eene duidelijke voorliefde voor dissenters en voor secten, die toen ter tijde, naast de (schoon minder dan men vaak denkt) bevoorrechte, hervormde, publieke kerk, zich miskend voelden. Voor de doopsgezinden, zoowel als voor de kwakers koesteren zij groote sympathie, slechts de „bloemzoete, gniepige hernhutters” kunnen zij niet uitstaan. Den joden dragen zij een warm hart toe en niemand minder dan tante Martha in de „Willem Leevend” en Samuel de Groot in de „Cornelia Wildschit” maken zij tot hunne pleitbezorgers. Deze vrijzinnigheid gaat samen (wat in ’t geheel niet vreemd is) met groote belangstelling in godsdienstige vraagstukken, met theologische kennis, die haar bv. een Engelsch „Leven van Jezus” kon doen vertalen (van W. Craig 1770), met eigen, warm godsdienstig leven eindelijk, dat haar op den naam van christinne prijs doet stellen en het haar mogelijk maakt vroomheid in andere vormen dan de hare niet slechts van uit de verte een vriendelijk woord toe te werpen, maar te begrijpen en naar ’t leven af te beelden, als o.a. in ds. Heftig uit de „Willem Leevend.” In juffrouw Christina de Vrij, uit dezen zelfden romen, vinden wij Betjes ideaal eener vrijzinnig-godsdienstige vrouw terug.

Wie de juffrouwen Wolff en Deken als taalkunstenaressen en schrijfsters roemen wil moet van lagen adem zijn. Ik denk hier vooral aan wat zij te zamen uitgaven. In een harer brieven heeft Aagje ons een complete lijst gegeven van wat Betje alleen heeft gedicht en vertaald en van wat zij te zamen hebben geschapen. Onder de eerste zijn zeker werken van beteekenis: het „Winterbuitenleven,” de „Santhorstsche geloofbelijdenis,” de „Menuet en de dominees-pruik,” ook voor de geschiedenis van den tijd bizonder belangrijk. Van de vertalingen herinner ik aan het genoemde „Leven van Jezus” en aan de „Geestelijke Don Quichotte.” Maar haren roem danken Betje en Aagje terecht aan haar wezenlijk gezamenlijk geschreven romans: de „Sara Burgerhart” in 2, de „Willem Levend” in 8 (het 9e deel is onecht, immers een schandelijk schotschrift tegen Betje door Aagje verontwaardigd weerlegd), de „Cornelia Wildschut” in 6 deelen. Voorts de „Brieven van Abraham Blankaart” in 3 deelen, de „Wandelingen door Bourgogne” in 4 zangen, de „Oeconomische liedjes” en de „Gezangen voor het vaderland.” Was poëzie intusschen hare sterke zijde niet, in het proza zoeken zij haar meester. Het is het proza van den briefstijl, wat de drie romans bestaan nagenoeg geheel uit brieven, naar het voorbeeld van den Engelschen schrijver Richardson. De kunst van briefschrijven, thans in verval, werd nog met voorliefde behandeld; ook hadden de menschen er meer tijd voor en voor de beschrijving der karakters en hunne ontwikkeling leent de brief zich uitnemend.

Wolff en Deken dragen zorg op het titelblad te vermelden dat hare romans niet vertaald zijn. Neen, oorspronkelijk werk was het, onvervalschte, nationale kunst. En zij hadden gelijk daarop zoo nadruk te leggen. Want ook te dezen opzichte is de verschijning harer boeken eene gebeurtenis. Wij hadden wel werken als Heemskerk’s „Batavische Arkadie.” romantische beschrijving van eene „herderlijke” spelevaart door Holland’s landouwen; ook schelmenromans, waarin de een of andere gewikste en talentvolle gauwdief ten tooneele komt, maar wezenlijke romans van hooge kunst in onze taal ontbraken. De 18e eeuw heeft spectatoriale vertoogen geleverd, bespiegelingen, zedekundige verhandelingen en Betje-zelve heeft daaraan (in de „Grijsaard”) medegewerkt. Maar ofschoon onder de lange rijen der spectatoren begaafde schijvers zeker niet ontbreken (Justus van Effen’s „Kobus en Agnietje” is zelfs onder het groote publiek bekend geworden); ofschoon wij voor onze nauwkeurige kennis van het tijdperk er niet gaarne één zouden willen missen...... hoe treedt alles in de schaduw bij de frissche bekoorlijkheid, de buitengewone gave van uitbeelding, de nationaal gevoelde kunst, waarmede de juffrouwen Wolff en Deken op ’t onverwachtst de natie verrasten. Midden in de donkere dagen van den vierden Engelschen oorlog, in de donkere dagen ook van den pamfletten-oorlog tegen Brunswijk en den stadhouder-zelven, verschenen de beide meesterwerken, „Sara Burgerhart” in 1782, „Willem Leevend” in 1784/85. De „Cornelia Wildschut” is van 1783.

Vooreerst, welk een taalrijkdom! Wat overvloed van sappige en kernachtige woorden, teekenachtige uitdrukkingen. Wie Holland’s taal bemint wandelt hier rond met stijgende blijdschap en laat zijn oog in weelde te gast gaan aan deze lustwaranda onzer sprake. Hoe nauwkeurig hebben Betje en Aagje de volkstaal in de dialecten beluisterd; wat een fijn oor hebben zij gehad voor de taal der patriciërs en der matrozen en der oefenaars en van wie niet al; hoe grondig hebben zij de taal des bijbels gekend en uit hare mijnen geput. Het getal harer spreekwijzen is kortweg verbijsterend. Ieder van ons heeft er enkele, ontleend bv. aan familieleden van een paar geslachten vóór ons, die wij dan bij ’t citaat plegen te noemen. Als er eene flesch opengetrokken wordt: „dat hoor-je niet in de kerk, zooals oude tante die en die placht te zeggen.” Bij een plotselingen, leelijken reuik: „allemaal een neus vol, dan is ’t over, zooals nicht zoo en zoo altijd zeide.” Als iemand allerlei mogelijke gebeurlijkheden onderstelt: „als de hemel valt hebben wij allen een blauwe slaapmuts, was oom Jan gewoon te zeggen.” Algemeen eigendom zijn een klein getal nationale spreekwijzen: „Dat nooit, zei Van Speyk, dan liever de lucht in!” Lees nu de romans van de juffrouwen Wolff en Deken en bewonder den onafzienbaren overvloed harer typische uitdrukkingen, aan halingen uit den bijbel, uit dichters, uit den volksmond, nooit er bijgesleept, nooit kunstmatig aangebracht, maar ongedwongen en altijd op ’t juiste oogenblik uit hare herinnering naar voren komend. Gelijk ik elders schreef: het zou de moeite waard zijn een afzonderlijk woordenboek op te stellen van de taal van Wolff en Deken. Het zou een genotrijk werk zijn. Ik meen te weten, dat er hier en daar in portefeuille wat al wat ligt.

Daarnaast hebben Betje en Aagje alles wat haar omringde met wonderlijke scherpte waargenomen en daarna met kunstenaarshand op ’t doek gebracht. Het is van belang op te merken hoe vroeg zij zich al in deze kunst hebben geoefend. In de verzameling harer eigen brieven zijn er, die als vóór-studies kunnen gelden voor de latere uit hare romans. In Betje’s vertoogen in de „Grijsaard” komen stukken voor die op hare beste bladzijden van later gelijken. En zij zeggen zelven, dat zij altijd met open oogen rondom zich hebben gezien. Maar zien en wêergeven is twee, Betje en Aagje hebben beiden vermocht. En het onvolprezen gevolg is, dat in hare romans die gansche gestorven wereld anno 1780 voor onzen verbaasden blik verrijst met een Rembrandtsgloed van verf en kleur alsof er, in stede van eene en een kwart eeuw, één jaar sinds haar ondergang verstreken ware. Ik overdrijf. Niet de gansche wereld van toen herleeft. Ook niet van den adel. Ook niet van de regeering. Het zijn de kringen van de deftige kooplieden, dan van den gezeten burgerstand, dan van de kleine burgerij in als hunne schakeeringen, die Wolff en Deken ons doen kennen. Maar hier is dan ook alles op ’t volle leven betrapt en vastgehouden. Wat in deze wereld omging, wat er werd gedacht en gevoeld, gehoopt en gevreesd, gelachen en geschreid, gedaan en verzuimd — hier ligt ’t voor u en gij leest en geraakt en in verloren en gij vergeet het heden en leeft mede al meer, al volkomener... en gij schrikt op... zijt gij in 1780 of in 1905? Gij moet u waarlijk een oogenblik bedenken. Wat zal kunst zijn als dit het niet is? Tegelijk ligt hier de verklaring van ’t feit, dat historici zich de lectuur dezer romans niet behoeven te schamen: onwaardeerbare bronnen voor onze kennis van het leven der vaderen op ’t einde van de 18e eeuw. Niet het officiëele, maar het huiselijke. Hun onderling verkeer, hun koopen en verkoopen, hun huwelijk en ten huwelijk geven, hunne manier van doen, hunne genoegens, hun arbeid, hunne godsdienstige, zedelijke en kerkelijke denkbeelden, al wat den binnenkant vormt van het politieke, het diplomatieke bestaan... hier is het onopgesmukt. De menschen zijn er niet voor gaan zitten. Zij hebben zich niet vooraf mooi gemaakt. Zij zijn „genomen” zonder dat zij ’t wisten. Het is alles door en door echt.

Nog een derde punt moet ik aanroeren. Er is in deze romans een warmte-uitstralende blijdschap. Zeg: luim, vernuft, geest vroolijheid; het is in ieder geval iets zeer kostelijks. Soms gebeurt het ons, dat wij hooren van een gebeurtenis, een toestand, een gezegde zoo door en door komisch en meteen zóó geestig, dat wij lachen met onzen ganschen mensch, met verstand en hart, dat al wat van nature in ons aan blijheid leeft er door wordt gewekt en opstaat, dat wij lachen, niet met eenige schaamte, omdat het toch eigenlijk wat laf of eigenlijk wat gemeen is, maar dat wij lachen met het beste in ons, volop, met geestelijk genot. Dit is de lach van Wolff en Deken. En menschen, die haar boeken goed kennen, ontmoeten elkander op een doodgewonen, nuchteren werkdag en zij komen er over te spreken en noemen er een naam uit of eene uitdrukking of eene gebeurtenis — en eensklaps komt er een glans over hun gelaat en zij verheugen zich en lachen met eene innerlijke vergenoeging. Welk een roem voor de schrijfsters. Welk eene openbaring van kunst geen praktisch middel tot genoeglijk tijdverblijf (voor kitteloorige menschen is het noodig dit telkens te verzekeren) en als kunstenaars er behagen in scheppen ons in hunne boeken te vertolken allerlei openbaring van melancholie, weedom, smart, treurigheid, akeligheid, narigheid en triestigheid, dan is het zekere hun recht en het lezend publiek heeft daarin te berusten. Misschien kan het niet anders. Misschien is onze tijd te vol van problemen en te vermoeid, om het verder te brengen dan tot den fijn-weemoedigen glimlach. Maar het is met dat al in den jare 1905 een bizonder buitenkansje boeken te kunnen lezen, waarin de kunst van edelen huize is en waarin tegelijk een vroolijkheid ligt opgetast, overvloedig genoeg om er een aantal naargeestige Nederlanders van nu mede te brengen tot eene wedergeboorte van kracht en frischheid. Het is bij Betje en Aagje alles natuur. Zij hebben, trots velerlei tegenspoed, schik gehad in ’t leven, den dwazen kant der menschen en der dingen gezien, lustigjes en fijntjes gesold met de kleine zotheden in hare omgeving en uit een onverdeeld gemoed den draak gestoken met wat zij aan onnatuur, onwaarheid, zotternij opmerkten. Het zat haar blijkbaar in ’t bloed. Watn als er bij geval niet van ’t allergeestigste bij de hand was, waren zij goedlachsch genoeg, om het met eene kleinigheid voor lief nemen. In een brief aan dr. Gallandat van 19 Augustus 1774 heegt Betje het over een Fransch heer, dien zij op een buiten in de Beemster ontmoet heeft, „die zijn vrouw Mietje hiet, maar die hij voor zijn gemak Cristijn noemt. Hoe smaaktje die? Ik moet er zo om lachen, dat de pen in mijn hand omdraayt.” Als Betje zóó kon lachen om een niemandalletje, hoe moet zij dan genoten hebben van die bladzijden in haar eigen romans, wier humor en blijheid hun weerga zoeken!

In dienzelfden brief aan dr. Gallandat heeft Betje het over het bekende tragisch geval in de familie Burman op den huize Santhorst bij Wassenaar. De eenige zoon van den hoogleeraar Pieter Burman, den bekenden „vooruitstrevenden liberaal,” had op ’t buitenverblijf zijner ouders zijne jongste zuster met een jachtgeweer onopzettelijk doodgeschoten. De droevige gebeurtenis wekte groote deelneming en Betje schoon met de familie alleen van verre bekend, schrijft dat haar hart bloedt. Zij was gevoelig, snel tot tranen geroerd, uiterst mêedoogend. In de boeken der juffrouwen Wolff en Deken treft ons bizonder haar sympathie voor het kleine, het ongeachte, het misdeelde. Waar geschreid wordt schreien zij mede. Zij lachen gaarne en volop, hare gevoeligheid is evenzeer in haar natuur. Zijn zij sentimenteel? Hier moeten wij wel onderscheiden. Zonder twijfel zijn er, met name in de „Willem Leevend” bladzijden, die wij sentimenteel, overgevoelig, weekelijk noemen. De omgang van Willem met Lotje Roulin, zijne brieven en zijne gedragingen na den dood der teringlijderes, zijne tranen op hare grafzerk, zijne latere verhouding met eene dweepende Duitsche gravin, volmaakt platonisch, maar van hier en daar smeltende gevoeligheid, beschouwingen van de volmaakte Coosje Veldenaar of in de „Sara Burgerhart” van Anna Willis — deze en dergelijke bladzijden maken op ons nuchter gemoed, door verstandelijkheid geschoold, den indruk van in tranen verdrinkende sentimentaliteit. En toch hebben de dames Wolff en Deken in haren tijd de sentimentaliteit bekampt en tegengegaan. De stroom van overgevoeligheid was breed en gezwollen en allerlei schrijvers dronken er uit met begeerige teugen. En waarlijk niet alleen de minsten. Denk aan het „Leiden des Jungen Werthers,” aan, „Paul et Virginie,” aan  „Julia” van onzen Rhijnvis Feith. Van sommige almanak-poëzie en album-versjes is ’t maar beter te zwijgen. Betje en Aagje hebt het ongezonde van de richting gevoeld en er zich tegen verzet. Wel sterk (de opmerking is van Busken Huet) moet die stroom dan geweest zijn, dat zij nochtans soms op ons den indruk maken van er door te zijn medegesleept.

Wij trekken thans den kring weder nauwer en bepalen osn tot de „Sara Burgerhart.” Het is wel reeds gebleken hoe wij sympathiseeren met de gedachte om met die boek de rij dezer uitgaven te openen. Er is slechtts één werk, dat nog boven dit de voorkeur zou hebben verdiend: de „Willem Leevend.” In dezen roman viert het geheel bizonder en buitengemeen talent van Betje en Aagje hoogtij. Het is tot volle ontwikkeling, tot volle rijpheid gekomen. De „Cornelia Wildschut” heeft zeker voortreffelijke eigenschappen, voor de tijdgeschiedenis bevat zij rijk materiaal, maar het boek lijdt onder de opvoedkundige strekking. Intusschen — de „Willem Leevend” is lang: 8 deelen van elk door elkander 375 bladzijden groot octavo. Ik heb niet geschreven „te lang,” ofschoon veel menschen zich aldus zouden uitdrukken. Neen, niet „te lang” voor hem, die de kusnt van lezen verstaat en er zijnen geest door wil voeden. Het is waar, men moet er wat tijd voor nemen, maar wie bedenkt hoeveel tijd er vermorst met de lectuur van „Rosamuda of de bruid der grafgewelven” of „de Wilsons en het parelsnoer van de konginin van Engeland,” of „de geheime liefdesavonturen der barones”of van nog erger, rekent dit argument niet mede. Maar misschien zijn wij te ongeduldig geworden en het is voor zulke kort aangebonden naturen, dat indertijd Mevrouw Van Westhreene een verkorte uitgave der  „Willem Leevend” gaf, geknipt, besnoeid, met gemoderniseerde spelling. Ik wil de goede bedoeling niet miskennen en vooral geen spijkers op laag water zoeken, maar zulk eene uitgave is toch niet echt. Zij werkte in de hand de bij  onst toch al sterke neiging om het met nagemaakte te doen. Op welk gebied is er geen namaak? en de waarheidsliefde lijdt bittere schade. Wie een oud boek eene nieuwe uitgave waardig acht, geve het letterlijk en geheel. Volstrekt echt is het ook dan nog niet. Maar niet ieder kan de eerste uitgave bezitten en men schenkt dan toch naar inhoud en vorm wat der waarheid dichtst nabij komt.

Voor de acht deelen der „Willem Leevend” had deze serie althans voorloopig geene ruimte. Zoo koos men het dichtstbijliggende, de „Sara Burgerhart.” De roman verscheen in 1782 in tweee deelen groot octavo bij den heer Isaäc van Cleef te ’s-Gravenhage. Het volgend jaar kwam er al een tweede druk, in 1786 de derde (ook in twee deelen met doorloopende paginatuur), de laatste mij bekend is de zevende van 1879 ook bij de firma Gebroeders van Cleef. Er is nog eene achtste van 1886, eene negende van 1891. Er bestaat ook eene Fransche en Duitsche vertaling van, ofschoon eigenlijk een boek als dit, als „niet vertaalt” aangekondigd, tegelijk onvertaalbaar is. De schrijfsters geven in eene „voorrede aan de Nederlandsche juffers” hare bedoeling te kennen. Zij roemen haren tijd, waarin aan jonge meisjes zooveel lectuur geboden wordt op elk gebied. Maar (ongevallig voor ieder, die zijn vaderland bemint) het grootste getal van de goede boeken zijn vertalingen. En daardoor worden wij Nederlanders wel met veel schoons in aanraking gebracht, maar heeft meteen de waan zich gevestigd, dat eene Nederlandsche pen geen werk van smaak schrijven kan, omdat „ons vernuft zoo dampig is als onze luchtstreek.” Bovendien, vertalingen hoe schoon ook... neen ieder volk moet zijne eigen schrijvers hebben, die het door en door kennen. Zoo geven dan de jufrouwen Wolff en Deken thans haren oorspronkelijken, vaderlandschen roman, „berekent voor de meridiaan des huiselijken levens.” Meteen een jongemeisjesspiegel, waarin jonge dames, die op Sara gelijken, kunnen zien aan welke gevaren zij bloot staan. Bij het lezen van deze bladzijde der voorrede bespeuren wij hoe Betje put uit hare Vlissingsche herinneringen en aan de aanslagen denkt door Lovelace-Gargon op haarzelve gedaan, Gargon, die ook daarna in den ronaman als de heer R. voor ons optreedt en als Van Arkel in de „Cornelia Wildschut” nog eens wederkeert. „Ontfangbaar voor alle indrukken,” d.i. ontvankelijk,  „bevallig, geestig, zeer levent” d.i. levendig... zonder twijfel hebben wj Betje in haar meisjesjaren vóór ons. Dus een tendez-roman? Ja de dames Wolff en Deken jagen een bepaald doelwit na. Zelfs schromen zij niet met dit doel voor oogen de deugd te beloonen en de ondeugd te straffen. En om hare lezers voorall niet in ’t onzekere te laten, of al hare personen wel loon naar werken ontvangen, verhalen zij in eene narede hoe het nog jaren na de beëindiging van haar roman met hare helden en heldinnen ging. Ja, in de „Brieven van Abraham Blankaart” komen velen hunner nog eens voor ’t voetlicht. Heeft de strekking schade gedaan aan de kunst? Naar mijne meening daarom niet, omdat geen der personen een marionet is, een aangekleed beginsel. Zij zijn een en al leven. Anna Willis is braaf en wijs en deftig, Broer Benjamin een platte huichelaar, Cootje Brunier een fat, maar wat zij zeggen en doen is gansch natuurlijk en zij moesten het, gevoelen wij, juist zóó zeggen en doen.

Nog iets anders zit de dames Wolff en Deken hoog: de verfransching der Hollandsche families, waar door zij „ontvaderlan” worden. Zij hebben het er over in de „Willem Leevend” (I, 83. II, 215), in de „Brieven van Abraham Blankaart” (III, 208) in de „Cornelia Wildschut” (I, 82), zij hebben het er over in onze voorrede, gelijk vóór haar de Spectatoren er tegen geijverd hadden („Hollandsche Spectator” V, 2. „Philantrope” I, 429. „Philisooph” I, 50 vlgg.) Een jong juffertje, dat niets meer van ons land over heeft den de met den handel gewonnen schatten en een ouden, deftige Hollandschen naa, haalt haar neusje op en zegt: „een Hollandsche roman; heden ma chère hoe vindt gij dat?” En ma chère vindt het even ridicuul als ons juffertje. „Lees dit boek niet!” roepen onze schrijfster verontwaardigd, „gij hebt immers wat u aanstaat, uw „Canapé couleur de rose”, uw... maar wat hoeft papa ook  alles te weten? Dat is immers divin?” Bovendien, zeggen zj verder, onze roman is heel gewoon: er wordt nooit in geduelleerd, eenmaal slechts wordt er een oorveeg in uitgedeeld. Wij maken u bekend met zulken uwer landgenooten, die gij gaarne zoudt kennen. En zóó weinig dachten zij zelven aan hare groote talenten, dat zij den tweeden druk reeds in 1783 en dus het groot debiet louter toeschrijven aan de nieuwsgierigheid: een Nederlandsche roman, door twee vrouwen geschreven, dat wat waarlijk vreemd genoeg. Dat was het. Maar het was kunst meteen en van de beste. En de smaak van het toenmalig publiek was nog niet zóó bedorven, of hij jeeft deze superieuriteit geproefd. Overigens is de voorrede van den tweeden druk van belang, omst zij ons doet zien, welke bezwaren nochtans tegen den roman waren ingebracht en op welke wijze de schrijftsters zich daartegen verdedigen. Hare verontschuldigin gklinkt in onze ooren als eene prediking voor bekeerden.

Doch onze lezers vinden, dat het meer dan tijd wordt voor hen om aan den roman-zelven te beginnen. Inderdaad is er niets dat hen behoeft te weerhouden. Aan de spelling der juffrouwen Wolff en Deken, zooals wij die in de beide voorreden hebben behouden, zullen zij zich niet ergeren. Die was nooit hare sterke zijde. Tot goed verstaan van in onbruik geraake woorden, van toespelingen op vergeten gebeurtenissen of thans onbekende toestanden, tot wat in ’t algemeen het genot van dit merkwaardig boek kan verhoogen vindt de lezer van deze uitgave achter het boek een aantal aanteekeningen, naar de volgorde der brieven, waarheen in den tekst wel niet wordt verwezen, maar die toch gemakkelijk zijn op te slaan. Moge van deze aanteekeningen niet het booze woord gelden van een der Spectatoren: „Ik wist toen nog niet, dat men bij de commentatoren nooit moet zoeken, dan ’t geen men niet verlangt te vinden.”

Als het scherm opgaat is Saarje als wees in huis bij een oude, zuinige tante en heeft zij aan haren voogd, Abraham Blankaart, een vriend van wijlen haren vader, die voor zaken in Parijs is, geschreven en gevraagd, of zij daar niet weg mocht, omdat zij het er akelig heeft. Het antwoord van Blankaart is de inhoud van den eersten brief.

Zoo vinde dan deze nieuwen van een van de meesterwerken onzer Letterkunde haren weg onder die allen, die een vroeger genoten blijdschap nog eens willen smaken of begeerig zijn, deze geheel bizondere bekoring van Betje’s en Aagje’s kunst voor de eerste maal te ondergaan.

Leiden, 11 April 1905.

L.  K N A P P E R T.