Nederlandsch Juffers!

VELEN uwer lezen: niet eenig en alleen, om de verveling te ontvlieden; niet eenig en alleen, om eene ongevallige vertoning te maken, door het opzeggen van kundigheden, die niet altoos van de nuttigste soort zyn; neen: velen uwer lezen, om uwe denkbeelden te vermeerderen, en dus verstandiger te leeren denken en doen.

Men heeft sedert eenige jaren, zich meer beginnen toeteleggen, om ook voor u te schryven. Men heeft u gezonde begrippen gegeven van zaken, waar by gy het hoogste belang hebt; daar gy niet onkundig van zyn moogt, indien gy geen afstand doen wiltg van het voorname doeleinde, waarom de eeuwige Wysheid menschelyke zielen vormde — Kennis en Gelukzaligheid! Nimmer sprak, in ettelyke eeuwen, de Godsdienst zo bevattelyk. Nimmer trad de hemelsche Zedekunde u zo bevallig tegemoet. Nimmer schikte de onveranderlyke Reden zich zo zeer naar de aandoenlykheid uwer harten. Men heeft het Ryk der Natuur voor u opgengestelt, en gy kunt u bedienen van gidsen, die u, door een pedant voorkomen, niet angstvallig maken. Alle Dichters zyn thans niet eenig en volstrekt bezig met het opdeunen van beuzelingen. Men kan nu rym lezen, daar het gezont oordeel niet in over hoop ligt met de barsen-poppen des Poëets. Gy hebt zedelyke Verhalen, Drama’s en Treurspelen. Daar is des zeer snel veel voorraads om uwen weetlust te voldoen.

Niemand, die niet geheel en al onbevoegt is, om door u te worden aangehoort, zal ook immer voorgeven, dat het goede, het voortreffelyke, niet goed, niet voortreffelyk is, als het uit een ’s Vyands hand komt; ’t isechter wáár, dat er iets zeer onbevallings voor elk, die zyn Vaderland bemint in gelegen is, te zien, dat het grootste getal goede Boeken vertalingen zyn.

Verre zy het van my, tegen het vertalen te yveren: Laten wy liever die bekwame lieden bedanken, die onze ontaalkundige Landgenooten in staat stellen, zich over de grootste Geniën van Europa te kunnen verwonderen. Zy zyn het, die ons dierbare schatten aanbieden. Dit is myns oordeels de weg, waar langs wy onze Letterkundige smaak moeten leren verbeteren: vermits wy, in dit opzigt, nog het minst gevordert zyn. Men geve ons zo lang de Werken van Jerusalem, Niemeyer, Gesner, Wieland, Hermes, Klopstok, Pope, Richardson, Thomas, enz. tot dat er Vaderlandsche Vernuften onder ons opstaan, wier werken insgelyks vóór de Buitenlanders verdienen vertaald te worden. Die Leerling, die liever gebrekkige Prente van Inlandsche Plaatkrassers natekent, dan studiën van de beste Meesters, zal, maak daar staat op, nooit een Vinkeles worden. Laat men des voortgaan met het Vertalen, maar laat men, met opzicht tot het oorspronkelyk schryven, het eene doen, en het andere niet nalaten.

Tot dus verre, lieve Juffers, zyn wy het nog al taamlyk eens, maar nu zal het zo goed met ons niet gaan. Wil ik u eens wat zeggen? Men heeft u al genoeg wys gemaakt, en gy meent ook waarlyk, maar gy dit gelooft: dat geen Vaderlandsche pen Werken van smaak schryven kan; dat onze harsens zo slegt bewerktuigt zyn, dat wy  nooit in dit stuk met de Buitenlandsche schryvers kunnen gelyk staan; dat ons vernuft zo dampig is als onze luchtstreek; dat wy kunnen noch schilderen, noch schertzen kunnen; met nog een hele menigte zulke droeve dingen meer.

Dit ontkennen wy; ook, ofschoon wy maar te dikwyls de ondervinding tegen hebben! Met dit zelfde compliment streek men, nog maar voor weinige jaren, geheel Duitschland door. Duitscher en Domkop was bynaar het zelfde.

Vóór de grote Dichter Pope zyn Rape of the Lock uitgaf, moest een geheel dekent Volk met dien huik ter kerk gaan. „Maakt Commentariën den Postillen,” graauwde men de Duitschers toe. „Denkt, riep men tot de Engelschen; (en wat men tegen ons zeide, zwyg ik om vredens wil,) wy Franschen, zyn de gunstelingen des Vernufts; uw lompe vuisten kunnen de bevalligheden niet met rozen bekransen, of in den Tempel van den smaak offeranden aanbieden.” Eindlyk staan er Geniën op, die hun verächt Vaderland wreken; Engeland heeft haar Pope, Duitschland zyn Wieland. Richardson schildert eene Godelyke „Clarissa;” Klopstok zingt zyne „Messiade” en het lezent Europa erkent, dat alle gematigde Luchtstreken grote mannen kunnen voortbrengen.

Besluit hier echter niet uit, beminde Landgenoten, dat ik geloof, dat een Engelschman zo bevallig kan schryven, voor een Italiaan, als voor zyn eigen volk. Dit geloof ik niet. ’t Is hier de plaats niet, om u reden van dit myn geloof te geven: vertrouwt dan u eens, dat ik geen vriendin van een blint Geloof ben. Dit wilde ik alleen aantonen, dat yder Volk zyn eigen Schryvers, zo wel als zyn eigen Helden en Staatsmannen moet hebben, en, zo men lang genoeg geleert heeft, ook hebben zal.

Doordrongen van deeze denkbeelden, hopen wy dien tyd nog te zien aankomen; maar ondernemen teffens, om een oorspronkelyk Vaderlanschen Roman uittegeven. Een Roman, die berekent is voor den Meridiaan des Huisselyken levens. Wy schilderen u Nederlandsche karakters; menschen, die men in ons Vaderland werkelyk vindt. Zo wy wel geschildert hebben, zullen kenners dat toestaan.

Wy hebben echter iets meer in ’t oog, blootlyk te willen beproeven, hoe verre wy het brengen kunnen. Onze hoofdbedoeling is aan te tonen: „Dat eene overmaat van levendigheid, en eene daar uit ontstaande sterke drift tot verstrooiende vermaken, door de Mode en de luxe gewettigt, de beste meisjes meermaal in gevaar brengen om haar in de allerdroevigste rampen te storten; die haar veracht maken by zulken, die nimmer in staat zyn, om haar in goedheid des harten en zedelyke volkomenheid gelyk te worden; bv zulken, die zy in ’t licht stonden; by zulken; die het wrede vermaak hebben, om haar, reeds gevallen, dodelyk te grieven, of zich immer in te laten met haar, die niet der Ondeugd, maar der Onbedagtheid ten prooye wierden: dat het ook om die reden, een onschatbaar voordeel voor jonge meisjes is, onder de bescherming te komen van zulke vrouwen, die voorzigtigheid aan minzaamheid, en goedhartigheid aan eene beredeneerde onverzetlykheid verbinden; wyl dit die geenen zyn, onder wier bestuur de beste meisjes ook de braafste vrouwen worden.

Eene der stelregels onzer Vriendinne Brugerhart was: „Indien ik u bedroog, dan zoude ik zelf eerst moeten bedrogen worden, en wie in de wyde waerel zou er toch belang by kunnen hebben, om my te willen bedriegen.” Zy geeft daar op, ter goede trouw, de reden, waarom zy dus denkt; zo als gy in een harer brieven aan haren Voogd zien kunt. Er is nog eene klip, die zy niet zag: „Ik bedoel niets dan my te diverteeren; en daar in is immers geen kwaad?” Zo, lieve jonge Juffers! als wy agttien, negentien jaar zyn, en Buregerharts geaardheid hebben, denken wy allen; doch dit is verkeert. — Dit hebben wy ook tragten aan te wyzen.

Ons hart kan trillen van vrees, wanneer wy bevallige, zoetaardige, ouderloze, of niet opgevoede jonge Juffertjes, in dien gevaarlyke leeftyd, waar in de jeugd gevoelige harten ontwikkelt, en nog sluimerende driften wakker maakt, eene waereld zien intreden, met de onärgdekentheid eens kinds, dat geen gevaar kan vrezen, ’t geen het niet kent.

Niet altyd berokkent het fyn overdagte bedrog het bederf deezer kinderen: neen! daar zyn mooglyk geen „Lovelaces” dan in de denkbeeldige waereld; maar zy behoeven er niet te zyn. Om onherstelbare rampen voorttebregen, zyn veelmaal tomeloze liefde, en niet vooruitziende onvoorzigtigheid, meer dan toereikende.

Volgen wy, myne lieve jonge Vriendinnen, eens zulk een meisje met onzen aandagt. Er behoeft mooglyk maar één sterfgeval voortekomen; maar één nimmer te voorzien toeval; maar één nooit gezogte gelegenheid, en de gevolgen kunnen deerlyk zyn. En dit alles is des te natuurlyker, naar mate het hart, het hart zelf, goed is; en zy onkundig van het kwade, omdat zy in haar zelf geene onbetaamlyke neigingen heeft. Voegt hier by, algemene goedwilligheid, die van yder het best denkt, (en dit eenen heiligen pligt acht te zyn,) zekere zagtheid van aart, die zo byzonder vrouwlyke deugd! zekere ontfangbaarheid voor alle indrukken, die ons de volmaaktbaarheid harer natuur aantonen. Laat dit meisje fraai, bevallig, geestig, zeer levent, zeer slof, of zeer streng opgevoet zyn; en raakt zy gelukkig ter plaatse harer bestemming, dan, wy bekennen het, moet er iets gebeuren, dat alleen zuiver geluk is, dat het gebeurt.

Dus veel van ons hoofdoogmerk en van de aanleidende oorzaken, die ons overhaalden, om „de Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart” uittegeven. Zy, die verdienen, dat wy ons hiertoe verdedigden, zullen ons, dus verre, vriendelyk bedanken, en gaarn gebruik maken van dit Boek.

Maar, my dunkt, ik hoor hier en daar een jong Juffertje, dat niets meer van ons land over heeft, dan met negotie gewonnen schatten, en eenen ouden deftigen Hollandschen naam, met een opgeschort neusje dus spreken: „Een Hollandsche Roman! Hede, ma chère, wel hoe vindt gy dat?” (en ma chère vindt het even ridicul als ons Juffertje.) „Ik lees geen Hollandsch; ik geloof ook niet, dat ik het zou kunnen lezen, maar ik ben toch nog al benieuwt; willen wy er nu en dan eens een verlegen uur aan geven?

Mag ik u bidden, doe het niet; waarlyk, gy zult er niets aan hebben. Gy hebt immers Romans, die u aanstaan. Gy hebt immers uwe „Canapé Couleurs de Rose,” uw „Gris, Gris,” uwe... maar wat hoeft Papa ook alles te weten? Dat is immers divin! Lees dit Boek niet. Men vindt in deze Roman geen wandaden, die een Engelschman zelfs met rilling leest; geen zo overdreven deugden, dat zy voor ons zwakke menschen onbereikbaar zyn. ’t Is waar, er is een verfoeilyke heer R. in; maar wy vrezen te moeten zeggen, dat men in ons Vaderland zelf wel eens zo een schelm aantreft. Tomeloze drift, de gewoonte om altoos te overwinnen; hoeft er iets meer, om zulk een karakter uittemaken?

Daar wordt in dit gehele werk geen een Duël gevochten. Eens echter wordt er een oorvyg uitgedeelt. Er wordt noch geschaakt, noch vergif gedronken. Ons vernuft is het natuurlyke; de uitvoering zal alles moeten goed maken.

Wy maken u bekent met uwe Landgenoten; met die, meen ik, die gy gaarn zoudt kennen, indien wy u met dezelven in kennis bragten. Wie zou toch niet gaarn een avond doorbrengen in het gezelschap der Juffrouwen Willis, Burgerhart en Brunier? Wie zou zich niet gelukkig achten in de vriendschap eener Mevrouw Buigzaam? eener Weduwe, als de oude Juffrouw Willis? Wie heeft geen liefde en achting voor de vrome Juffrouw Doorzicht? Wie onzer zou de kaarten niet neêrleggen, om den heer Blankaart te horen praten? (hoewel hy maar een niets beduident oud Vryer is.) Wie zou zich met eenen hendrik Edeling, (die echter geen Grandison is,) niet gelukkig achten? Wie bemint den eerlyken goedaardigen Willem Willis niet? Wie zou de grilligheden van zulk een eerlyk goedhartig man, als den ouden Heer Edeling, niet inschikken? de braven heer Helmers niet eerbiedigen? Wie zou door de goedhartigheid eens Bruniers niet voor hem ingenomen worden? Wie is niet vrolyk in ’t gezelschap van Cornelis Edeling? met achting vervult voor den Eerwaardigen Heer Redelyk? en den welbekenden vriendelyken Dominé Smit?   om geen meer personen te noemen, die meer in de schaduw blyven?

Juffrouw Hofland wordt het slagtoffer harer gierigheid en dweepzugt. Benjamin en Slimpslamp kunnen niet den versmading wekken, en zyn hier in met Bregt gelyk. Maar onze eerlyke Pieternelletje Degelyk, onze dankbare en trouwhartige Frits, zyn niet beneden onze aandagt; daaröm hebben wy beide ook in de Nareden gedacht.

Meer, lieve jonge Juffrouwen, zullen wy hier niet byvoegen. Voldoet uwe nieuwsgierigheid, en vergeet niet, wat het hoofddoel deezer Historie is.

IN DE

B E V E R W Y K

MDCCLXXXII.