Aan mejuffrouw Agatha Deken

Elizabeth Wolff (1738-1804)

 

Ach DEKEN! DEKEN, ach! myn waarde WOLFF! myn man! --
In ’t holst des nachts! -- ’k zit voor zyn ledikant te leezen;
Hy spreekt met my, hy sterft, valt in myn’ arm! -- ik kan
Niet schryven! -- hemel! moest ik juist alleenig weezen!
Geen ziekte, zelfs geen koorts; zo zegt hy nog: ’k Ben wl;
Slechts wat vermoeid; dit komt van gisteren te preken:
Myn lief, ’k word wat benaauwd
-- hy richt zig op -- ’k ontstel;
’k Vlieg op -- hy zwygt, hy geeft een snik -- zyne oogen breeken;
Zyn hoofd zygt op myn hart -- hy ziet my stervende aan:
’Myn lieve waarde WOLFF! -- afgryslyke oogenblikken!
’Ach! ken t gy my niet meer? ik ben ’t:’ het was gedaan.
Denk, denk eens myn vriendin! hoe dit my heeft doen schrikken!
’k Ben byna levenloos! (gy kent myn teder hart:)
Ach, niemand spreekt my toe! geen maagschap, geene vrinden!
Ik schryf ’t, ik klaag ’t aan u -- wat is myn geest verward!
Ja! Dit’s het doodsgewaad; daarin zult gy hem vinden.
Geheel alleen! -- wat zal ik doen? wie geeft my raad?
’k Moet van dit sterfgeval noodzaaklyk kennis geeven:
Ja, ’k moet; maar vinde my hiertoe gantsch buiten staat:
Hoe zal dat gaan? zie, hoe myn zwakke vingren beeven;
Ik schryf onleesbaar schrift: vriendin! wie staat my by?
Wie helpt, wie troost my? ach! myn waardste DEKEN! gy.

In de Beemster, 29 April,
’s nachts ten 1 uure, MDCCLXXVII