| Ach DEKEN! DEKEN, ach! myn waarde WOLFF! myn man! -- In 't holst des nachts! -- 'k zit voor zyn ledikant te leezen; Hy spreekt met my, hy sterft, valt in myn' arm! -- ik kan Niet schryven! -- hemel! moest ik juist alleenig weezen! Geen ziekte, zelfs geen koorts; zo zegt hy nog: 'k Ben wèl; Slechts wat vermoeid; dit komt van gisteren te preêken: Myn lief, 'k word wat benaauwd -- hy richt zig op -- 'k ontstel; 'k Vlieg op -- hy zwygt, hy geeft een snik -- zyne oogen breeken; Zyn hoofd zygt op myn hart -- hy ziet my stervende aan: 'Myn lieve waarde WOLFF! -- afgryslyke oogenblikken! 'Ach! ken t gy my niet meer? ik ben 't:' het was gedaan. Denk, denk eens myn vriendin! hoe dit my heeft doen schrikken! 'k Ben byna levenloos! (gy kent myn teder hart:) Ach, niemand spreekt my toe! geen maagschap, geene vrinden! Ik schryf 't, ik klaag 't aan u -- wat is myn geest verward! Ja! Dit's het doodsgewaad; daarin zult gy hem vinden. Geheel alleen! -- wat zal ik doen? wie geeft my raad? 'k Moet van dit sterfgeval noodzaaklyk kennis geeven: Ja, 'k moet; maar vinde my hiertoe gantsch buiten staat: Hoe zal dat gaan? zie, hoe myn zwakke vingren beeven; Ik schryf onleesbaar schrift: vriendin! wie staat my by? Wie helpt, wie troost my? ach! myn waardste DEKEN! gy. In de Beemster, 29 April, |