IKindertelevisie

 

 

Enkele kritische overdenkingen over burgerschap, televisiedrama en kinderen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                  

 

 

          

Claudia Blokland 0005533

Melanie Borkent 0048089

Joyce Cats 0005592

Eindpaper

Joke Hermes; Redactie & Research; Werkgroep Kind

12 februari 2004

Studiejaar 2003- 2004; semester 1

Universiteit van Amsterdam

Inhoudsopgave

 

 

 

Inleiding

1

 

 

 

1

Burgerschap

3

1.1

Burgerschap, educatie en kinderen

6

 

 

 

2

Nederlandse Culturele Identiteit

13

 

 

 

3

Beeldanalyse

19

3.1

Het Zakmes

21

 

Analyse schema

 

3.2

Toelichting bij het schema van Het Zakmes

22

3.3

Madelief

25

 

Analyse schema

 

3.4

Toelichting bij het schema van Madelief

27

 

 

 

4

Conclusie

30

 

 

 

 

Bibliografie

31

 


Inleiding

 

 

‘Als kinderen moeten worden opgevoed tot goed burgerschap, dan hoort daar een portie ellende bij, net zo goed als dat ze (leren) omgaan met de verleidingen van commercie en corruptie’.[1]

 

Dit is één van de uitspraken die Joke Hermes en Maarten Reesink in hoofdstuk 6 van hun boek Inleiding Televisiestudies hebben gedaan naar aanleiding van de discussie die is ontstaan rond de introductie van de Kijkwijzer. Zij beargumenteren dat deze discussie laat zien dat er niet slechts over televisie, maar ook over kinderen heel uitgesproken denkbeelden bestaan. Een van de uitgangspunten die Hermes en Reesink hanteren in dit hoofdstuk, waarin zij hun licht laten schijnen over kinderen en televisie(onderzoek), is hun inzicht dat de reputatie van televisie als medium in het publieke debat een goed begrip van de verbanden tussen televisiekijken, het alledaagse leven van kinderen, en de veelheid aan processen van verleiding, disciplinering, leren en opgroeien in de weg staat. Zij stellen daarom dat het belangrijk is dit publieke debat over de constructie van het kind als televisiekijker in kaart te brengen, om vervolgens met een ‘frisse’ blik deze kwestie te kunnen benaderen. Het begrip ‘burgerschap’ is een van die denkbeelden die overheersend zijn, en daarom een goed publiek debat, dat ons meer verteld over het kind en televisie, in de weg staat.

Wat houdt dit begrip van burgerschap nu eigenlijk in? Welke vooronderstellingen zitten er verborgen in het idee dat kinderen opgevoed moeten worden tot goede Nederlandse burgers? En op welke manier wordt dit begrip doorgaans verbonden met opvattingen over en representaties van de Nederlandse culturele identiteit? Bestaat er eigenlijk nog wel zoiets als een duidelijk aanwijsbaar pakketje van nationale, burgerlijke eigenschappen in een land dat zich een ‘multiculturele’ samenleving noemt. Zoals Paul Scheffer stelt: ‘Het multiculturalisme heeft een onverplichtend antwoord gegeven: er is helemaal niets meer dat ons bindt behalve onze verschillen, er is niet meer zoiets als een “wij”.’[2] Met andere woorden: Wordt er in de vaderlandse kindertelevisie een duidelijk rolmodel geconstrueerd van de goede burger waar de jonge kijkers zich aan moeten spiegelen?Of is deze constructie veel minder direct, en verborgen in de processen van aanspreking, waardoor er uiteindelijk indirect een gemeenschapsgevoel ontstaat? Kortom: hoe relevant is nu eigenlijk het idee van burgerschap in de bestudering van de constructie van het kind als televisiekijker?

In dit essay zullen wij wijze bestuderen waarop kindertelevisiedrama een beeld van ‘goed Nederlands burgerschap’ construeert en representeert. Wij zullen ons mengen in het aloude debat dat gevoerd wordt rond kinderen, opvoeding en burgerschap, en deze inzichten verbinden met de verantwoordelijkheden die er aan de vaderlandse media worden toegedicht. Wij zullen aandacht besteden aan de manier waarop kindertelevisiedrama op verschillende betekenisniveau’s modellen aandraagt voor goed Nederlands burgerschap.

De hoofdvraag dit wij zullen proberen te beantwoorden in dit essay is:

 

Op welke manier wordt er in Nederlands kindertelevisiedrama een burgerlijke Nederlandse culturele identiteit gerepresenteerd  en geconstrueerd?

 

In paragraaf één zullen wij de belangrijkste theorieën betreffende kinderen, opvoeding en burgerschap introduceren. Wij zullen voornamelijk aandacht besteden aan het zogenaamde ‘burgerschapsideaal’ dat een belangrijke plaats inneemt in het hedendaagse publieke debat, om op deze manier inzicht te krijgen in de het debat dat rond kinderen en opvoeding wordt gevoerd. In navolging van Heater, van Zoonen en zullen wij de belangrijkste theorien betreffende kinderen, opvoeding en burgerschap introduceren.  Vervolgens zullen wij ons richten op de plaats van het genre van kindertelevisiedrama in de constructie en representatie van het Nederlandse burgerschapsideaal. Wij zullen de mogelijkheden van het genre voor de constructie en representatie van burgerlijke waarden en normen bestuderen.

 In paragraaf twee zullen wij vervolgens het begrip culturele identiteit introduceren, en dit koppelen aan het idee van ‘goed Nederlands burgerschap’. Wij zullen de moeilijkheden die de zoektocht naar culturele identiteit opwerpt bestuderen, waarbij de ideeën van Benedict Anderson een richtlijn vormen. Uiteindelijk zullen we de kenmerken van de Nederlandse culturele identiteit proberen te beschrijven, waarbij we aandacht besteden aan de directe symbolen en de indirecte waarden en normen.

            In paragraaf 3 bestuderen we via een inhoudsanalyse van de kinderdramaseries Het Zakmes en Madelief de wijze waarop het Nederlandse burgerschapsideaal in kindertelevisiedrama wordt gerepresenteerd en geconstrueerd. Wij zullen de series op verschillende niveaus van betekenisgeving analyseren. Deze niveau’s worden weergegeven in een analytisch schema waarop een toelichting zal volgen. Uiteindelijk zullen wij beargumenteren dat het idee van het kind als ‘burger–in-wording’ in sterke mate de vorm van burgerschap die in kindertelevisiedrama te vinden is, vormgeeft. Een vorm van burgerschap die aan de ene kant de burger opdraagt regels te gehoorzamen, maar aan de andere kant reflexiviteit en het bekritiseren van regels stimuleert.

In paragraaf vier zullen wij tot een conclusie komen, en een samenvatting van de voorgaande paragrafen toevoegen alvorens de hoofdvraag te beantwoorden.

Text Box:  Madelief en haar vriendjes

1. Burgerschap

 

‘Het paspoort is het edelste deel van een mens, schreef de vluchteling Bertolt Brecht, want zonder pas, zonder staatsburgerschap, wordt een mens niet als mens erkend.’ De Westerse civilisatie begint met de vormgeving van burgerschap, wie wordt er, onder welke voorwaarden, als burger erkend?’[3]

 

In deze eerste paragraaf zullen wij de belangrijkste theorieën betreffende kinderen, opvoeding en burgerschap introduceren. We zullen aandacht besteden aan de betekenis van het zogenaamde ‘burgerschapsideaal’ in het publieke debat, om zicht te krijgen op de manier waarop deze notie van burgerschap verbonden is met visies op kinderen en educatie. Uiteindelijk zullen we dat het noodzakelijk is de wijze waarop deze notie van ‘burgerschap’ in televisie wordt geconstrueerd en gerepresenteerd te onderzoeken om zo tot goede inzichten betreffende de constructie van het kind als televisiekijker te komen.           

 

Het begrip burgerschap laat zich op veel verschillende manieren invullen: we denken bij de term 'burger' misschien eerst aan staatsburger. Je bent staatsburger van Nederland, je hebt daarbij een Nederlands paspoort en ontleent daaraan een aantal wettelijke, politieke en sociale rechten en ook heb je een aantal plichten op deze gebieden. Derek Heater vult het begrip burgerschap aan met bepaalde kenmerken die een burger moet hebben om een goede burger te kunnen zijn in zijn boek Citizenship. The civic ideal in world history. Politics and education.[4]

-          een goede burger is er een die zijn leven tenminste voor een deel bewust richt op het voordeel van de samenleving waarin hij leeft.

-          compromissen sluiten (ook binnen het gezin)

-          morele verplichtingen (horizontaal naar medeburgers en verticaal naar instituties)

-          balans en inzicht

-          individuele autonomie

De Engelse socioloog T.H. Marshall heeft in zijn essay Citizenship and social class and other essays. uit 1950, drie vormen van burgerschap onderscheiden die in een democratische samenleving voor iedereen zouden moeten gelden en toegankelijk zouden moeten zijn. Ten eerste onderscheidt hij het civiel burgerschap: een vorm van burgerschap die verwijst naar gelijke wetgeving voor iedereen en de plicht van burgers zich aan de wet te houden. Ten tweede bestaat er volgens Marshall een vorm van politiek burgerschap die staat voor politieke gelijkheid en de morele verplichting van burgers om zich met de inrichting van de samenleving te bemoeien. Ten derde beschrijft hij het sociaal burgerschap. Dit zijn de economische rechten op bijvoorbeeld een minimuminkomen of financiële bijstand binnen onze verzorgingsstaat die onder de regelingen van de West-Europese verzorgingsstaten gerealiseerd leken te zijn, en de plicht daar geen misbruik van te maken.[5]

Turner zegt in zijn boek Citizenship and social theory over deze vorm van sociaal burgerschap:


'Citizenship is a buffer against the vagaries of the market place and the inequalities of the class system, because citizenship is a method of redistribution of resources to those who are unable to provide for their own needs as a consequence of some contingent feature of their life-circumstance.'[6]

 

 Gezamenlijk zouden deze drie vormen van burgerschap volgens hem de volwaardige deelname van mensen in een moderne samenleving garanderen. Turner stelt echter dat er twee kenmerken van de postmoderne samenleving zijn die er tegenwoordig voor zorgen dat de oude driedeling van burgerschap niet langer adequaat is. Zoals hij in zijn boek zegt:

 

'The nature of citizenship has been challenged by the transformation of autonomy of the nation-state in the context of global economic forces associated with a world-economic system.....The social changes in the role of the nation-state, the globalisation of political issues and the relationship between dominant and subordinate groups also have major implications for personal identity ' [7]

 

Als eerste kenmerk van de postmoderne samenleving Turner schrijft dat er een afnemend belang van de nationale samenleving is. Dit is zowel het geval waar het bijvoorbeeld, wettelijke en politieke rechten en plichten betreft, maar ook daar waar het om de verbondenheid van mensen met die internationale samenleving gaat. Aan de ene kant zien we daarbij tendensen van globalisering (bijvoorbeeld allerlei Euro-instellingen) en aan de andere kant zien we tendensen van regionalisering (met name als we kijken naar de geografische verbanden waaraan mensen een deel van hun identiteit aan ontlenen.)

Een tweede kenmerk van de postmoderne tijd dat ervoor zorgt dat noties van burgerschap uitgebreid moeten worden, is het grote belang van de cultuurindustrie, van massamedia en van de symbolische omgeving in het algemeen. Een postmoderne wereld is een wereld van beelden en betekenissen waarmee mensen en groepen hun bestaan vormgeven en waarmee ze hun plaats in de samenleving definiëren, evenals de rechten en plichten die ze daarin hebben.

Het afgenomen belang van de natie/staat en het toegenomen belang van de symbolische omgeving in de postmoderne tijd, leiden ertoe dat ook ideeën over burgerschap zijn veranderd. Zoals Turner stelt: … ‘in a world which is increasingly more global, citizenship will have to develop to embrace both the globalization of social relations and the increasing social differentiation of social systems.’ [8]

De klassieke wettelijke, politieke en sociale rechten en plichten zijn onverminderd van belang, maar er is een dimensie bijgekomen. Burgerschap heeft ook te maken met de ervaring en het gevoel van onderdeel uitmaken van een gemeenschap. In de postmoderne samenleving is dat niet alleen op nationaal niveau, maar ook op regionaal en lokaal niveau. (zie bijvoorbeeld de sterke opkomst van nieuwsrubrieken als Hart van Nederland) Burgerschap krijgt zo een culturele betekenis en wordt een kenmerk van individuele en collectieve identiteiten.

Op het alledaagse niveau gaat het bij cultureel burgerschap om vormen van in- en uitsluiting ten opzichte van de dominante cultuur, om de culturele constructie en acceptatie van individuele en collectieve identiteiten, om maatschappelijke integratie die verder gaat dan een verzameling wettelijke, politieke en sociale rechten en plichten.

 

Rond 1992 begon de tendens dat men terugverlangde naar de ouderwetse burgerlijke deugden, zoals norm- en plichtsbesef, spaarzin en werklust. Hoewel het woord burgerlijk eerst als iets heel negatiefs beschouwd werd, wordt er nu naar verwezen door politici. Men wil de samenleving weer op orde krijgen. Er is een roep om burgerschap omdat het niet goed gaat met de samenleving, de identiteit gaat verloren. Dit ligt aan de eenwording van Europa, multiculturaliteit en het beleid van de overheid dat op de vrije burger gericht is.

Willem Breedveld en Hans Goslinga menen in hun artikel ‘Op zoek naar de ware burger’ dat er kennelijk behoefte is aan nieuwe grenzen tussen overheid, politiek en burger. De Nederlandse samenleving was aan alle kanten georganiseerd, burgers lieten zich aanspreken als groep, partij of stroming. Daaraan ontleende de burger zijn identiteit. Tegenwoordig zijn mensen niet meer zo makkelijk in een hokje te stoppen. Het aanspreken van burgers moet dus ook veranderd worden. Ook Van Gunsteren is op zijn beurt de mening toegedaan dat we tegenwoordig het einde van een ideologie beleven, waardoor kan iedere burger tegenwoordig op eigen wijze inhoud geven aan zijn identiteit.[9]

Volgens Afshin Ellian[10] kan er gesteld worden dat men tegenwoordig worstelt met de inhoud en omvang van ons burgerschap. Door de Europeanisering bevinden we ons in een nieuw tijdperk, Nederland worstelt met een identiteitscrisis. Nederland is zijn publieke identiteit kwijt, wie zijn “Wij”? De crisis waarin de samenleving verkeert, verklaart hij door te beargumenteren dat het begrip burgerschap een leeg en inhoudsloos begrip is geworden, aangezien we zelf niet meer wat weten het betekent. ‘We worden langzamerhand een samenleving van toeristen, van het type dat niet echt belang hecht aan zijn vakantieoord.’[11] Het begrip burgerschap gaat dus min of meer verloren, er moet een nieuwe inhoud aan gegeven worden. Ellian ziet de oplossing in De Grondwet aangezien deze fungeert als maatschappelijk verdrag waardoor publieke identiteit kan ontstaan. ‘De Grondwet houdt een wederkerige belofte jegens elkaars burgerschap in.’[12]

 

           

1.1  Burgerschap, educatie en kinderen

 

We hebben gezien dat in het publieke debat een burger wordt beschouwd als een persoon met kennis over publieke zaken, die geïnstalleerd is met houdingen van burgerlijke deugdzaamheid en voorzien is van vaardigheden om mee te doen in de politiek arena. Verder hebben we beschreven dat er allerlei discussies bestaan waarbinnen er gezocht wordt naar een manier om de notie van burgerschap in de hedendaagse samenlevingen te handhaven. Men is doorgaans van mening dat educatie noodzakelijk is om de levenslange onderneming van het verwerven en vermeerderen van burgerlijke kenmerken in goede banen te leiden. We zullen nu de manier beschouwen waarop het burgerschapsideaal zoals wij dat hiervoor hebben besproken, wordt verbonden met de burgerlijke educatie van kinderen.

            Scholen spelen een belangrijke rol in het overbrengen van de normen en waarden. Ze helpen kinderen de kennis te verwerven die zij nodig hebben om te kunnen functioneren in de democratische samenleving. Aandacht voor normen en waarden in het onderwijs omvat doorgaans drie facetten:

-          Waardenoriëntatie: leerlingen op de hoogte brengen van wat er aan patronen van waarden en normen in de wereld gelding heeft;

-          Waardenoverdracht: de school brengt nadrukkelijk de leerlingen de waarden en normen onder ogen waar zij voor staat, die zij waardevol acht;

-          Waardencommunicatie: leerlingen wordt geleerd over waarden en normen te discussiëren met het doel deze op hun geldigheid te toetsen.[13]

 

Derek Heater is van mening dat er bepaalde categorieën bestaan waarin educatie onderverdeeld kan worden: kennis, houding en vaardigheden.[14] Een jonge burger moet volgens hem enkele basis feiten kennen. Zo moet hij bijvoorbeeld weten en begrijpen hoe de status en de rol van de burger door de geschiedenis heen zich hebben ontwikkeld, vooral in zijn eigen staat. Hij moet ook geïnformeerd worden op welke manier burgerschap door instituten en rechten gebruikt wordt in zijn eigen tijd. Hij moet geïntroduceerd worden tot de grote problemen die hij zal tegen komen als een volwassen burger. En hij zal hoogst waarschijnlijk een confrontatie aangaan op lokaal, regionaal, nationaal en globaal niveau. De leerling moet daarom geïntroduceerde worden tot elementen als identiteit, loyaliteit, vrijheid, rechten, plichten, rechtvaardigheid, sociale rechtvaardigheid en representatie om op een goede manier als volwaardige burger deel te kunnen nemen aan het publieke leven in zijn eigen staat.

Dit onderwijsmateriaal moet volgens Heater niet gepresenteerd worden op een analytische, theoretische manier. Maar het is volgens hem belangrijk dat de interesse gestimuleerd wordt en de relevantie ervan aangetoond wordt door de jonge burgers te laten zien wat hun eigen potentiële rol zou kunnen zijn. In plaats van slechts informatie te verschaffen, moet er dus aangetoond worden dat bepaalde rechten en plichten directe, voelbare effecten op het leven van burgers hebben.

Wat zijn nu eigenlijk de elementen die kinderen zouden moeten leren om een volwaardige burger te kunnen worden? Heater geeft in zijn boek een aantal normen, waarden en vaardigheden die centraal zouden moeten staan in de educatie van ‘burgers-in-spe’:

 -compromissen sluiten (ook binnen de familie)

-omgaan met vooroordelen (zeer belangrijk in een multiculturele samenleving), kunnen inzien van de eigen vooroordelen.

-tolerantie
-zelf begrip

-flexibel denken

-doordacht kunnen oordelen

-respect voor normen en waarden

-kritisch kunnen denken

-eigen ideeën kunnen overbrengen zowel schriftelijk als mondeling, dus communicatie vaardigheden

            Wanneer kinderen als ‘burgers-in-wording’ deze burgerlijke kenmerken op de juiste wijze onderwezen zouden krijgen, kunnen zij zich uiteindelijk een plaats toe-eigenen in de samenleving is het idee dat ten grondslag ligt aan deze burgerlijke educatie. Een idee dat terug te vinden is in allerlei verschillende onderdelen van onze maatschappij variërend van onderwijs tot onze rechtsspraak, van politieke besluiten tot de media. Een idee waarvan het belangrijk is te onderzoeken op welke manier het onze blik op de wereld vormgeeft.

 

 

1.2  Burgerschap en de rol van de audiovisuele media

Centraal in de hedendaagse discussies over culturele identiteit, burgerschap en ‘imagined communities’ staan tegenwoordig de populaire media. Met name aan de audiovisuele media wordt een belangrijke plaats toegekend in het proces van identiteitsconstructie en representatie, waarbij het vermogen om subjectposities te creëren dikwijls als een essentiële eigenschap wordt beschouwd. Naast deze mogelijkheid van de audiovisuele media om identiteiten te construeren, kunnen zij ook gebruikt worden om  culturele identiteiten te representeren of om zelfs hele gemeenschappen te creëren.

Jo Bardoel is daarom van mening dat het belangrijk is dat wij ons bewust worden van de belangrijke rol van de media in de constructie en representatie van gemeenschappen. Hij schrijft in zijn artikel “Wie zal de media mores leren?”[15] dat het bestaande mediabeleid te veel uitgaat van de verhouding tussen staat en markt, waarbij de samenleving van de burgers aan de kant is geschoven. Naar zijn mening moet er een verschuiving plaatsvinden van staat en markt naar samenleving, zodat de samenleving op de eerste plaats komt. Zo schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Burgers zijn teveel buiten beeld geraakt, omdat oude participatievormen niet meer werken en nieuwe relaties nog niet zijn gelegd. En die andere, vooruitgeschoven burgers die wij journalisten noemen, zijn intussen te veel in zichzelf gekeerd en te weinig burger met andere burgers.’[16]

Bardoel beweert dus dat het burgerschap in de media teveel buiten het beeld is geraakt en dat journalisten niet meer betrokken zijn bij de samenleving. Hij pleit dan ook voor een burgergericht mediabeleid dat alleen in een voortdurend debat tussen betrokkenen tot stand kan komen. De rol die de media volgens hem speelt bij burgerschap is de manier waarop de media burgers voorziet van de informatie die ze nodig hebben om te kunnen functioneren in een democratie. Ze geven informatie over wettelijke en sociale kwesties, maar in het bijzonder geven ze informatie over politiek.

Ook Mark Deuze schrijft in zijn beschouwing van de journalistieke verantwoordelijkheid binnen de multiculturele samenleving, dat de media een essentiële functie vervullen in de vorming van de Nederlandse identiteit. In zijn artikel “Gekleurd nieuws. Journalistiek voor een multiculturele samenleving”[17] ziet Deuze de media als de plaats waar de culturele identiteit wordt gecreëerd en gepresenteerd, en verbindt dit inzicht met de verantwoordelijkheid van journalisten voor de handhaving van de Nederlandse democratie. Hij pleit voor een mengvorm tussen informeren en uitleggen om zo op een correcte manier uitdrukking te geven aan de Nederlandse multiculturele samenleving, en een nieuw beeld te construeren van de nationale cultuur. Niet langer moet het volgens Deuze in de journalistiek draaien om de problemen waarvoor de Nederlander ‘zijn’ cultuur geplaatst ziet, maar juist om de constructie en representatie van een gemeenschappelijke Nederlandse cultuur met als doel een proces van bewustwording voor de gehele bevolking.

            Hoewel het werk van Deuze voornamelijk betrekking heeft op de verantwoordelijkheid van de pers en de geschreven journalistiek voor de handhaving van de Nederlandse democratische samenleving, geeft het ook zicht op de plaats van de media in het algemeen binnen onze samenleving. De belangrijkste bijdrage van Deuze aan het multiculturele debat is dan ook het inzicht dat de media een essentiële rol spelen in de constructie en representatie van culturele identiteit, en de overtuiging dat de makers van deze media zich bewust moeten zijn van hun macht en verantwoordelijkheid ten opzichte van de gemeenschap. Want zoals Deuze stelt: ‘Juist het blijvende karakter van migratie rechtvaardigt een meer bewuste en weloverwogen aanpak van de professionele vraagstukken op het niveau van kennis, representatie en verantwoordelijkheid.[18]

Traditioneel wordt dit idee van journalistieke verantwoordelijkheid in dienst van het handhaven van de democratische samenleving, verbonden met de nieuwsmedia en actualiteitenrubrieken in de geschreven pers, radio en de audiovisuele media. Aan deze non-fictie genres wordt een belangrijke waarde toegekend doordat zij het publiek informatie zouden leveren, en zouden opleiden tot goede burgers. Veel minder aandacht wordt er doorgaans in dit verband besteed aan non-fictie en vermaaksgenres, zoals bijvoorbeeld televisiedrama. Aangezien  de grenzen tussen journalistiek en vermaak, tussen informatie en entertainment steeds meer vervagen, zoals tot uiting komt in de bekende term info-tainment, en  aangezien non-fictie een zeer groot deel van het media-aanbod omvat, is het belangrijk dat de discussie over media en burgerschap zich verplaatst naar populaire genres en hybride programma types.

 

Zoals wij hiervoor hebben beschreven bestaan er zeer uitgesproken denkbeelden over kinderen, burgerschap en de educatie van deze kinderen tot goede burgers. Verder hebben wij gezien dat juist de audiovisuele media en met name televisie een zeer belangrijke functie heeft in deze educatie. Kindertelevisie is in deze context een belangrijk domein dat onderzocht moet worden. Binnen de kindertelevisie worden en meer dramaseries en fictie-programma’s uitgezonden dan non-fictie, puur op informatie en educatie gerichte programma’s. In deze paper willen wij ons daarom gaan richten op dit genre van kinder-televisiedrama. Want aan welke opvattingen over goed burgerschap, kinderen en educatie wordt er in kinder-dramaseries uitdrukking gegeven? En op welke manier wordt het kind al dan niet bewust als burger-in-wording gerepresenteerd en geconstrueerd?

 

Tegenwoordig hebben de meeste televisiedrama’s nog altijd een conventionele houding ten opzichte van realisme en de werkelijkheid, schrijft  Abercombie in zijn boek Television and Society[19]. Maar deze relatie tussen van het genre van opgenomen drama en het medium televisie is niet zo vanzelfsprekend als het op het eerste gezicht lijkt. Wij zullen daarom nu een kritische blik werpen op televisiedrama en zijn relatie met realisme, werkelijkheid en waarheid.

            Aan televisie worden specifieke technische eigenschappen toegeschreven, die dit medium zouden onderscheiden van andere media. Jostein Gipsrud[20] heeft bijvoorbeeld beargumenteerd dat televisie een ‘differentia specifica’ heeft, oftewel de specifieke eigenschap als medium, om een effect van ‘immediacy’ of ‘liveness’ te construeren. Dit idee van gelijktijdigheid komt voort uit de geschiedenis van het medium. Vroege televisie werd namelijk ‘live’ uitgezonden, in de zin dat de gebeurtenissen die de kijker zagen ergens anders in de werkelijkheid tegelijkertijd plaatsvonden.

            Deze notie van ‘liveness’ heeft verdere implicaties voor de relatie die televisie heeft met realisme. Het idee van: ‘This really happens right-now!”, veronderstelt dat de gebeurtenissen die worden uitgezonden via het medium niet ge-medieerd zijn door de opname handelingen. Of om het in de woorden van Troy Kennedy Martin te zeggen: ‘the television camera is thought to have total and absolute objectivity’.[21] Hiermee bedoelt hij dat de televisie-camera de mogelijkheid heeft om: ‘[to]seize on a visual object and to state it per se’[22] Met andere woorden: de televisie camera heeft de mogelijkheid op de werkelijkheid te vangen, zonder het te medieren.

            Toen het genre van televisiedrama de televisie binnendrong, probeerde dit medium zijn effect van ‘liveness’ en zijn realiteitsclaim van ongemedieerde uitzending te handhaven. Maar televisiedrama, met zijn wortels in het theater en de film, werd van de voren op genomen, waardoor het effect van ‘liveness’ niet langer vanzelfsprekend was. Daarom moest er een illusie van gelijktijdigheid gecreëerd worden. De technische eigenschap van de camera werd beschouwd als de beste oplossing, en een ‘aesthetics of immediacy’ was het resultaat.

            Maar wat is deze ‘aesthetics of immediacy’ precies? En hoe staat het in verband met de realiteitsclaim van televisie? John Caughie[23] beargumenteert in zijn bespreking van televisiedrama, dat deze ‘aesthetics of immediacy’ uniek is voor televisie, en verbonden is met het naturalisme. We zullen nu de belangrijkste kenmerken hiervan bespreken, terwijl we begrijpen dat het onmogelijk is hier het hele onderwerp te behandelen.

            Een van de belangrijkste kenmerken van naturalistisch televisiedrama is het feit dat het de televisie camera de rol geeft van een oplettende vreemdeling die naar de gebeurtenissen en mensen kijkt die voor zijn lens gebeuren. De camera is afstandelijk, en probeert de gebeurtenissen in de storyworld op te nemen, zonder er emotioneel bij betrokken te zijn. Met andere woorden: de blik van de televisie camera, die zijn vanzelfsprekende ‘immediacy’ was kwijtgeraakt toen het drama ging opnemen, neemt de vorm aan van wat Caughie noemt de ‘documentary gaze’.[24] Dit is een blik die, naar zijn mening: ‘marked by the conventions of spontaneity and the appearance of being unrehearsed, and produces the ‘immediacy effect’ which constructs its object as somehow more authentic, more objective, that the characters who are subjects in the drama’.[25]

            Deze transformatie van de objectieve camera naar de drager van de ‘documentary gaze’ benodigde een verandering in de esthetiek. Waar het bij de vanzelfsprekende ‘immediacy’ van de televisiecamera niet nodig is dat de blik zichtbaar is, creëerde de dramatische blik zijn realiteits-effect via wat Caughie de ‘classical paradox’ noemt: ‘the documentary gaze depends on systems of mediation (hand-held camera, loss of focus, awkward framing) so visible as to become immediate, apparently unrehearsed, and hence authentic’.[26] Het is deze nieuwe esthetiek van immediacy die door de documentaire blik werd gecreëerd die ontstond toen drama het medium televisie binnendrong.

 

Abenrcombie bespreekt in zijn boek Television and Society[27] de belangrijkste kenmerken van realistische teksten. Ten eerste biedt realisme ons volgens hem een ‘venster op de wereld’, hetgeen wil zeggen dat er in het geval van televisie geen medieëring lijkt te zijn tussen de kijker en wat hij of zij ziet. Ten tweede, maken realistische teksten gebruik van een narratief dat rationeel geordende connecties heeft tussen gebeurtenissen en karakters. Het bestaat uit een oorzakelijke, logische stroom van gebeurtenissen, die meestal gestructureerd zijn rond een begin, midden en gesloten conclusie. Ten derde wordt het productieproces verborgen. De meeste televisieproducties zijn realistisch in de zin dat gedurende het programma het publiek niet bewust wordt gemaakt van het proces van productie.

            Dit zijn volgens Abercombie de hoofdkenmerken van een realistische tekst, een tekst die zijn eigen versie van de realiteit tracht te creëren, omdat zoals Bordwell het zegt: ‘what makes it realist is that the conventions are so thoroughly conventionalized as to become invisible, seeming to obey a law of nature rather than the techniques of rule-books and manuals’ [28]

Eerder hebben wij beschreven dat televisie een ‘aesthetics of immediacy’ die gevormd werd door de documentaire blik moest aannemen om zijn realiteitsclaim vast te kunnen houden. We kunnen daarom stellen dat de verplaatsing van drama naar het medium televisie de eerste en derde eigenschappen van een conventionele realistische tekst onmogelijk maakten. Maar kan de tweede eigenschap wat betreft het narratief wel gehandhaafd blijven?

 

The best non-naturalist drama, in its very structure disorientates the viewer smack in the middle of the orientation process which television perpetually uses’.[29]

 

Dennis Potter pleit hier voor een nieuwe vorm van televisiedrama die niet langer de conventies van realisme gebruikt  als betekenisloze middelen. Hij meende, in navolging van de modernistische avant-garde denkers, dat het openbaren van de technische middelen achter een toneelstuk, de realiteitsillusie zou verstoren. Dit zou dan een ‘verfrehmdungs-effect’ produceren, dat er dan weer voor zou zorgen dat het publiek zou gaan nadenken over de geconstrueerdheid van datgene dat zij als echt had ervaren. Net als Brecht meende Potter dat deze vervreemding de mogelijkheid geeft om: ‘to involve the audience in social, cultural debates, and finally give them a glimpse of the ‘real world’.’[30]

            Zoals Caughie beschrijft, zijn Brecht’s non-naturalistische middelen een nieuwe conventie geworden in het moderne theater. En hierdoor is het niet ver gezocht dat deze modernistische ideeën ook zijn toegepast binnen het medium van televisiedrama om een notie van realisme te construeren.

            Beproefde modernistische middelen om een soort verwijdering te creëren bij het publiek waren op inhoudelijk gebied ironie en humor, en qua vorm montage. Ironie en humor gaan uit van kennis van de kijker van sociale en culturele conventies, maar verandert die op zo’n manier dat het deze conventies zichtbaar maakt en niet vanzelfsprekend. De verwijdering vindt hier dus plaats in de story-world, hoewel het de kijker is die bepaald of iets ironisch is tijdens zijn handeling van decodering. Montage bereikt verwijdering juist via de ‘clash’ die ontstaat door het tegenover elkaar zetten van shots. Dit vindt zijn wortels in de Russische Montage School, en komt voort uit het idee van Eisenstein dat montage op een psychologische manier de kijker kan beïnvloeden. Het is via deze modernistische middelen dat de illusie van realiteit wordt verbroken en een ‘verfrehmdungs-effect’ kan ontstaan.

 

De relatie tussen realisme en televisiedrama, blijkt dus helemaal niet zo vanzelfsprekend te zijn als de ‘traditionele’ realistische teksten ons willen doen geloven. Maar waar bij een non-naturalistische drama’s de kijker niet om het productieproces heen kan, en zich dus noodzakelijkerwijs bewust is van het feit dat ‘iemand’ het drama heeft gemaakt, lijken traditionele ‘realistische’ kindertelevisiedrama’s juist hun productieproces te verbloemen. Het is natuurlijk niet zo dat kijkers zich niet bewust zijn van het feit dat ze naar een dramaserie kijken, en ook de jongste televisiekijkers hebben een grote televisiegeletterdheid, maar doordat het productieproces in realistische series verborgen wordt, zijn de ideologieën die verstopt liggen in de televisietekst minder makkelijk te ontdekken. In deze paper willen wij daarom de vooronderstellingen die verborgen zitten in de realistische kinderdrama’s Het Zakmes en Madelief gaan onderzoeken. Zo willen wij zicht krijgen op de wijze waarop via Nederlandse eigenschappen, karaktertrekken, maar ook sociale verhoudingen en wetgeving die in zowel het beeld, als in het narratief van de series uitdrukking gegeven wordt aan de Nederlandse burgerlijke identiteit.


2. Nederlandse, culturele identiteit

 

Lang leve de Hollanders, non-volk op het slagveld der volkeren.’[31]

 

In de vorige paragraaf hebben wij het begrip burgerschap besproken. Wij hebben geconstateerd dat de notie van burgerschap een belangrijke plaats inneemt in het publieke debat dat gevoerd rond democratie, kinderen en opvoeding. Burgerschap staat in dit publieke debat voor precies die eigenschappen die een volwaardige deelname aan onze moderne samenleving zouden kunnen garanderen. Deze politieke, sociale en culturele verworvenheden moeten met name de kinderen binnen onze gemeenschap leren in een voortdurend proces van educatie. Het kind wordt op deze manier dus geconstrueerd als ‘burger-in-wording’ die via educatie via onder andere de audiovisuele media behoort te leren goed te functioneren in onze Nederlandse gemeenschap

            Maar wat zijn nu eigenlijk deze noodzakelijke verworvenheden die wij als burger nodig hebben in de Nederlandse samenleving? Welke nationale eigenschappen moeten wij onze jongste landgenoten aanleren om hen in de toekomst volwaardig in onze samenleving te laten functioneren? En is er eigelijk wel een duidelijk aanwijsbaar pakketje van nationale, burgerlijke eigenschappen in een land dat zich een multiculturele samenleving noemt? Met andere woorden: bestaat er wel zoiets als een ‘goede Nederlandse burger’? In deze tweede paragraaf zullen wij een kritische blik werpen op de Nederlandse culturele identiteit, en de manier waarop dit begrip de notie van ‘goed Nederlands burgerschap’ vormgeeft beschouwen.

 

Als gevolg van de sociale en culturele veranderingen in onze samenleving worden er politieke discussies gevoerd over de vraag of onze Nederlandse cultuur al dan niet in gevaar is. Waar van oudsher chauvinisme en nationalisme in ons land niet gewaardeerd worden, wordt er tegenwoordig in de debatten koortsachtig gezocht naar datgene dat een nieuw nationaal ‘wijgevoel’ zou kunnen creëren. Centraal in deze zoektocht naar het verloren saamhorigheidsgevoel dat ons als natie bijeen zou houden, staat het begrip culturele identiteit. Een begrip dat een belangrijke plaats inneemt in het hedendaagse werk binnen Cultural Studies, maar dat een onstabiele waarde en betekenis heeft.

             Albert van der Zeijden beargumenteert in zijn artikel “Of ik ben niemand, of ik ben een hele natie”[32] dat nationale identiteit niet meer is dan een tijdelijk compromis, afhankelijk van allerlei maatschappelijke factoren. Hij baseert zich in zijn artikel op de ideeën van Benedict Anderson, die stelt dat identiteit relatief, subjectief en veranderlijk is. Anderson is van mening dat mensen, doordat zij bij een groep willen horen, een groepsidentiteit creëren, die gebaseerd is op een gemeenschappelijke geschiedenis, achtergrond en het delen van dezelfde (beeld-)taal. Volgens Anderson scheppen de groepsleden via het vormgeven en handhaven van deze ‘imagined communities’ een gemeenschapsgevoel  dat in grote mate geconstrueerd en gerepresenteerd wordt de media. Culturele identiteit wordt in deze visie dus beschouwd als zowel een cultureel verschijnsel als een voortdurend historisch proces dat weliswaar subjectief is, maar zoals Van der Zeijden stelt: ‘daarom nog niet minder reëel is voor de mensen waar het om gaat.[33]

            Als wij in deze context zicht willen krijgen op het eigene van de Nederlandse ‘imagined community’ is het dus noodzakelijke de culturele dynamiek van de nationale identiteit, en de factoren die een belangrijke rol spelen bij de totstandkoming van deze identiteit te bestuderen. Wij moeten ons daarom richten op precies die aspecten die met het ontstaan van een wijgevoel mogelijk maken: namelijk de  gedeelde geschiedenis, achtergrond, en (beeld-)taal die de media in staat stellen een ‘imagined community’ te representeren en construeren. Volgens Van der Zeijden is het hierbij belangrijk om vooral aandacht te besteden aan het proces van communicatie, omdat juist communicatie in de vorm van bijvoorbeeld sport en televisie tegenwoordig het belangrijkste referentiepunt voor een nationale cultuur is geworden. Het creëert namelijk de mogelijkheid voor een ‘wijgevoel’ dat bestaat uit: ‘een gedeelde levensstijl en uit gezamenlijke gespreksonderwerpen’.[34] Met andere woorden: niet alleen de geschiedenis en de taal moeten dus centraal staan in ons onderzoek, maar juist ook de audiovisuele media in bijvoorbeeld de vorm van kinder-televisiedrama die haar construeren en representeren.

De mogelijkheid tot de totstandkoming van een gemeenschapsgevoel die Van der Zeijden ziet in de hedendaagse media, komt grotendeels overeen met wat Liesbeth van Zoonen in haar boek Media, cultuur en burgerschap[35] beschouwt als de bindende kracht van communicatie. Van Zoonen is van mening dat communicatie, en met name televisie, bijdraagt tot het kweken of doorbreken van saamhorigheid op verschillende niveaus wanneer zij stelt: ‘De media hebben een bindende en ontbindende kracht’[36]. De media kunnen ons namelijk soms tot wereldgemeenschap maken (zoals bij de ramp van 11 september 2001) en op een ander moment juist tot een nationale gemeenschap maken (zoals bij de voetbalwedstrijd Schotland- Nederland op 15-11-03 die miljoenen kijkers trok). Maar, zo schrijft Van Zoonen, deze bindende kracht heeft toch ook een tegenpool, namelijk die van ontbinding en splitsing. Op het moment dat de voetbalwedstrijd Nederland- Schotland een nationaal ‘wijgevoel’ construeerde, werden mensen die niet geïnteresseerd waren in voetbal en daar de commotie niet van begrepen, op hetzelfde moment afgesloten van de nationale gemeenschap. Van Zoonen is dus in algemene zin van mening dat het belang en de betekenis van de hedendaagse media gevormd worden door het feit dat ze bestaande gevoelens van gemeenschappelijkheid en collectiviteit versterken, nieuwe gemeenschappelijkheid en collectiviteit versterken, nieuwe gemeenschappen construeren en op symbolische wijze mensen en groepen toelaten tot en tegelijkertijd uitsluiten van dergelijke verbanden. De media stuurt een proces van in- en uitsluiting, dat, zo concludeert ze, geen diepgaande gevolgen hoeft te hebben, doordat we ons zeker in een postmoderne samenleving vrijwillig bij groepen kunnen aansluiten om op deze manier ons eigen leven, levensstijl en levensvisie  naar eigen keuze in te vullen. Van Zoonen is dus van mening dat de mediaconsument zelf verantwoordelijk is voor het al dan niet toetreden tot wat Anderson de ‘imagined community’ van de culturele identiteit noemde.

Maar hoewel het zeker zo is dat iedere media-gebruiker vanuit zijn eigen context betekenis geeft aan de media, en zelf kan bepalen of hij de tekst volgens de ‘preferred’ betekenis of juist oppositioneel leest, hoeft dit in- en uitsluitingsproces helemaal niet zo onschuldig te zijn. Zowel aan de kanten van de productie, uitzending als aan de kant van de betekenisgevende kijker heersen er namelijk codes. Deze codes bepalen wat er in onze samenleving beschouwd wordt als moreel correct gedrag. Het zijn deze ‘normen-en-waarden’ die het proces van betekenisgeving sturen, doordat mensen (sociaal als zij zijn) bang zijn om buiten de groep te vallen, maar vooral ook doordat zij door wetgeving en regelgeving door allerlei instituties verplicht worden zich aan deze Nederlandse norm te houden. En het is op dit punt van de door maatschappelijke codes stuurde betekenisgeving waar het begrip Nederlandse culturele identiteit, het burgerschapsideaal dat wij in de vorige paragraaf hebben besproken kruist. Want wat zijn nu eigenlijk de normen en waarden die Nederlanders moeten delen? Wat is nu eigenlijk de Nederlandse culturele identiteit? Welke verzameling van gemeenschappelijke historische gebeurtenissen, taalsymbolen en andere nationale eigenschappen maakt ons tot Nederlanders? En is het überhaupt wel mogelijk en noodzakelijk de nationale identiteit vast te stellen van een land dat bekend staat als een multiculturele samenleving?

Text Box: Jan-Willem met onderzeeërPaul Scheffer heeft zich met deze vragen beziggehouden toen hij zich mengde in de discussies over de identiteitscrisis waarin Nederland zich zou bevinden.  In zijn artikel “Het multiculturele drama”[37] stelt hij dat Nederland zijn culturele identiteit is verloren in de worsteling met de problemen van migratie. Volgens Scheffer heeft zich een multicultureel drama voorgedaan, waarin elk ‘ wij-gevoel’ onmogelijk is geworden en er geen bronnen van saamhorigheid meer bestaan. Zoals hij het zelf schrijft: ‘een gemakzuchtig multiculturalisme maakt school omdat we onvoldoende onder woorden brengen wat onze samenleving bijeenhoudt’.[38] Scheffer is dus van mening dat het belangrijk is, voor een samenleving die te maken heeft met een grote migratie, onder woorden te brengen wat onze samenleving bijeenhoudt, zodat men zich weer kan vereenzelvigen met de samenleving en er een hernieuwde vorm van burgerschap kan ontstaan. Want zoals hij in zijn artikel “Alles van waarde moet zich verweren”[39] zegt: ‘zonder ‘wij’ gaat het helemaal niet’[40].

            Volgens Scheffer biedt met name het onderwijs de mogelijkheid een nationaal bewustzijn te creëren door aandacht te besteden aan de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis. Hij is van mening dat een ‘Cultuur die zich niet meer in staat acht tot een gesprek met de vorigen zal verpieteren’[41] en ziet daarom de overdracht van onze gemeenschappelijke geschiedenis en taal als een voorwaarde voor het scheppen van een Nederlandse culturele identiteit. Wat ons tot Nederlanders maakt, is in zijn optiek de taal die wij spreken en een zekere lotsverbondenheid door een gezamenlijk gedeeld verleden. Kortom: in dit artikel heeft Scheffer onder woorden proberen te brengen wat onze samenleving bijeenhoudt, en waaruit onze nationale identiteit bestaat, en bovendien beargumenteerd dat onderwijs van cruciaal belang is bij het handhaven van ons ‘ wij-gevoel’.

Ook premier Balkenende streeft net als Scheffer ernaar de fundamentele eigenschappen van de Nederlandse samenleving expliciet te onderwijzen en formaliseren in wetgeving om op deze manier de sociale samenhang in onze samenleving probeert te reguleren. De premier vooronderstelt namelijk dat het gezag van de samenleving slechts kan functioneren indien er sprake is van een stevig fundament van gemeenschappelijke normen en waarden.  Normen en waarden die voorkomen uit de joods-christelijke wortels van onze samenleving: ‘als basis van de Nederlandse culturele identiteit wijst Balkenende op het Griekse en joods-christelijk denken.’[42]. Normen en waarden moeten dus naar zijn mening uitgesproken worden, vastgelegd en onderwezen.

Auke Hulst laat zich in zijn artikel “Met z’n allen in één grote zuil”[43] kritisch uit over dit normen-en-waarden-offensief van de premier. Volgens Hulst slaagt Balkenende er niet in, bij de uitvoering van zijn streven de Nederlandse samenleving tot één grote zuil te vormen waarin iedereen voor elkaar zorgt, recht te doen aan alle karakteristieken van de Nederlandse identiteit. Hij vraagt zich namelijk af of een door de overheid gestuurd hergebruik van deze ouderwetse waarden wel recht doen aan alle facetten van de hedendaagse Nederlandse samenleving. Of zoals hij het zelf schrijft: ’wellicht dat die ouderwetse waarden niet meer courant zijn. Retro, tegen heug en meug’.[44] Verder verweert hij zich tegen de expliciete onderwijzing die Balkenende nastreeft omdat hij meent dat het beter is de normen en waarden impliciet te laten voortvloeien uit culturele en sociale bagage. Een impliciete aanpak werkt volgens hem namelijk pragmatisme en tolerantie in de hand, doordat de ruimte die er is zal worden afgetast en benut. Hulst roept daarom op tot een maatschappelijke discussie waarin men zich bezig houdt met de vraag welk Nederland er nu eigenlijk moet worden nagestreefd: ‘Een star Nederland, gesmeed op het aambeeld van een ethisch reveil. Of een dynamischer, humanistisch Nederland, dat weliswaar problemen kent, maar die pragmatisch het hoofd probeert te bieden.’[45]

Ook Michaël Zeeman meent in zijn artikel “Het gaat om een nieuwe inhoud van het begrip burgerschap” dat het belangrijk is om via een zicht op de Nederlandse identiteit de orde in de samenleving te herstellen. Hij is namelijk van mening dat het erkennen van de eigen cultuur niet automatisch te leiden tot patriottisme of instrumenteel nationalisme. De cultuur moet gekend worden, in ieder geval tenminste erkennen dat hij bestaat.[46] Volgens Zeeman ligt de oorsprong van de Nederlandse natie in de opkomst van de stedelijke burgerij.

Maar wat zijn nu eigenlijk de eigenschappen, normen en waarden die ons tot Nederlanders maken? Welke karaktereigenschappen en (beeld-)taal vloeien voort uit het delen van de gemeenschappelijke ‘Joods-Christelijke-wortels’ en burgerlijke geschiedenis?

 

Wanneer wij proberen typisch Nederlandse kenmerken te definiëren, kunnen wij ons allereerst richten op de vaderlandse symbolen die ons herkenbaar en onderscheidend maken. Deze symbolen hebben vaak een waarde als ‘toeristentrekkers’ omdat zij ons land duidelijk herkenbaar maken voor buitenlanders, maar tegelijkertijd ontlenen zij Nederlanders weldegelijk een gevoel van eigenwaarde, zo stelt Colin White in zijn boek The Undutchables.[47] Wij zullen enkele typisch Nederlandse symbolen noemen die White onder de loep neemt: Heineken/ haring/ beschuit met muisjes/ drop/bloemen/ molens/ tulpen/ fietsen (‘Holland telt meer dan 16,5 miljoen fietsen: de grootste fietsdichtheid ter wereld’[48] en wij zijn volgens White hardnekkig aan onze vehikels verslaafd)/ het Koninklijke Huis en vaderlandsliefde (‘… van oude tradities die de Hollanders zowel haten als koesteren, wat zich uit in vlagvertoon zelfs bij de onbenullichtste gelegenheden’[49])/ de Nationale vlag en het Nederlandse identiteitsbewijs. 

            Maar naast deze directe symbolen van de Nederlandse natie en cultuur, zijn er ook indirecte codes te ontdekken die betrekking hebben op typisch Nederlands gedrag en denken. Frits Bolkenstein noemde bijvoorbeeld als eigenschappen van de Nederlandse identiteit zo schrijft Elsbeth Etty[50] de universele waarden van: tolerantie, maatgevoel, netheid, geordend samenleven en nijverheid. Etty voegt hier zelf de waarde van godsdienstvrijheid aan toe, terwijl zij zich afvraagt hoe het mogelijk is dat universele waarden de basis vormen voor een nationale identiteit: ‘Typisch Nederlands staat toch haaks op universeel’?

Toch lijken het precies de ‘universele’ burgerlijke verworvenheden van rationeel debat, individuele vrijheid en sociale betrokkenheid te zijn die een belangrijke plaats hebben in de Nationale identiteit die wordt uitdragen in ons land. Of zoals Colin White schrijft: ‘Ze barsten van de dijken, liberalisme, onafhankelijkheid, gelijkheid en politieke overtuigingen.’[51] En: ‘Zodra er ergens twee of meer cloggies aanwezig zijn, storten ze zich in wat in hun ogen een diepgravende en zinvolle discussie is. Dit systeem van uitgebreid overleg, non-stop onderhandelen, compromissen en consensus wordt het poldermodel genoemd’. Hoewel White’s boek vooral een humoristische blik werpt op de eigenaardigheden van de Nederlanders, komen weldegelijk de belangrijkste ‘codes’ die in ons land heersen naar voren. De Nederlandse ‘imagined community’ blijkt voornamelijk te zijn gebaseerd op de ‘burgerlijke’ normen en waarden die voorkomen uit de verlichting, diep geworteld in wat Balkenende noemde de ‘joods-christelijke tradities’, maar altijd open voor vernieuwing en nieuwe inzichten. Het is een samenleving die waarin alles gedijt in naam van de Vrijheid en het Hollandse Idee van Democratie.[52]

 


 

3. Beeldanalyse

 

In deze derde paragraaf zullen wij via een inhoudsanalyse de kinderdramaseries Het Zakmes en Madelief bestuderen, om te achterhalen op welke wijze het Nederlandse burgerschapsideaal wordt gerepresenteerd en geconstrueerd. Wij hopen op deze manier inzicht te krijgen op de ideologische vooronderstellingen die al dan niet direct zijn terug te vinden in de verschillende afleveringen. Wij zullen deze series op verschillende niveaus van betekenisgeving analyseren. Deze niveau’s worden weergegeven in een analytisch schema waarop een toelichting zal volgen. Wij zullen zowel aandacht besteden aan de beeldtaal als aan het narratief waarbij we gaan letten op de poetica en politics van tekens.

            Allereerst zullen wij de symbolen systematisering die wij vinden in zowel het beeld als in het verhaal. Dit zijn tekens die betrekking hebben op verschillende aspecten van de Nederlandse, burgerlijke identiteit. Namelijk: symbolen voor Nederland (zie paragraaf 2); het buitenland (een teken krijgt zijn teken door een oppositioneel teken. Nederland krijgt zijn betekenis via zijn contrast met niet-Nederland); media (media is een van de belangrijkste plaatsen waar burgerlijke identiteit geconstrueerd en gerepresenteerd wordt). Verder kijken wij op dit niveau van de poetica naar omgevingen. Hiermee bedoelen we de plaatsen waarbinnen de personen zich bewegen. Zijn dit juist informele plaatsen of juist institutionele omgevingen? Dit onderscheid is van belang doordat informele plaatsen doorgaans verbonden worden met individuele vrijheid, terwijl institutionele omgevingen meestal voor de gedrags- en denkcodes van een samenleving staan.

            Vervolgens gaan wij ons richten op de politics die verbonden zijn met de symbolen die wij in beeld en verhaal terugzien. Allereerst gaan wij proberen machtsrelaties te onderscheiden. Wij hebben uit iedere serie een aantal machtsrelaties gedestilleerd die binnen de storyworld een belangrijke plaats hebben. Zoals: kind-kind; ouder-kind; kind-dier; overige volwassene-kind. Wij hopen dat deze machtsrelaties ons meer kunnen vertellen over de hiërarchie en codes die het doen en laten binnen de storyworld, maar ook het leven in onze werkelijke samenleving vormgeven.  Vervolgens gaan wij uit deze machtsrelaties proberen de vertogen die heersen over kinderen; opvoeding en burgerschap aan het licht te brengen, om zo zicht te krijgen op de denkbeelden die centraal staan in onze samenleving.

 

Het Zakmes en Madelief

Het Zakmes is een realistische dramaserie waarin de universele thema’s verantwoordelijkheidsgevoel en vriendschap een centrale plaats innemen. Deze twee centrale thema’s vormen de basis vanwaaruit allerlei conflictsituaties ontstaan tussen  bijvoorbeeld regels en vrijheid, gevoel en verstand; volwassenen en kinderen; individualiteit en groep; goed en slecht. Hoewel er op het eerste gezicht geen duidelijke burgerlijke boodschap wordt uitgedragen, willen wij deze serie toch in het licht van burgerschapsidealen bestuderen. Want op welke manier kunnen wij de universele zoektocht van onze held Mees in verband brengen met de Nederlandse identiteit en opvoeding tot goed burgerschap?

Madelief is een realistische dramaserie, die de ervaring van kinderen met de grote mensenwereld verbeeldt via thema’s als dood, liefde, handicaps, school, verhuizen en vriendschap. Zware thema’s die niet vaak in kindertelevisiedrama te vinden zijn. Belangrijke tegenstellingen ontstaan er in de serie tussen kinderen en volwassenen, goed en slecht gedrag. Wij willen in onze analyse gaan onderzoeken op welke manier deze tegenstellingen verband houden met burgerschapsidealen. Draagt een kinderdrama als Madelief bij aan de opvoeding van het kind tot een ‘goede burger’? En op welke manier krijgt deze ‘goede burger’ gestalte in deze serie?        

Het Zakmes en Madelief hebben op het eerste gezin een aantal belangrijke overeenkomsten. Beide series zijn een realistisch kinder-televisiedrama dat begin jaren ’90 is gemaakt, een een tijd waarin de roep om burgerschapidealen sterk terugkwamk. In de series willen wij kijken of deze maatschappelijke ontwikkeling terug te zien is. In beide series is er bovendien een enkel kind als  protagonist die de wereld vanuit kinderogen beleeft. Toch zijn er ook enkele verschillen: zo is de hoofdrolspeler Mees in Het Zakmes een jongetje en is Madelief in Madelief een meisje. Verder heeft Het Zakmes veel meer een serial vorm doordat een doorlopend verhaal verteld wordt, terwijl Madelief een serie is die bestaat uit afgeronde narratieven per aflevering. Toch hebben wij ervoor gekozen om deze twee series allebei te analyseren omdat wij een beeld willen krijgen van de heersende vooronderstellingen die er bestaan over de educatie van kinderen tot goede burgers. Door de twee series tegen elkaar af te zetten hopen wij zoveel mogelijk verschillende opvattingen aan het licht te brengen. Door naar overeenkomsten te zoeken hopen we er juist achter te komen welke vooronderstellingen in beide series terugkomen, en dus blijkbaar een groot draagvlak hebben.    


 

 

3.1 Het Zakmes

 

Text Box: Regie: Ben Sombogart
Productie: Bos Bros, Film-TV Productions/Burny Bos
Scenario: Sjoerd Kuyper
Muziek: Karel Kleist
Met: Olivier Tuinier, Adelheid Roosen, Genio de Groot
In 1993 werd de televisie serie bekroond met een Gouden 
Kalf

Text Box: Fragment leader Het Zakmes

 

Het is het begin van een nieuw schooljaar Mees zit in de klas bij bij vriend Tim.. Plotseling staat zijn hele leven op zijn kop, als Tim vertelt dat hij gaat verhuizen naar Almere. Tim heeft een zakmes en laat deze op het schoolplein aan Mees zien. Precies als Mees het eventjes vasthoudt en komt de juf aanlopen. Snel verstopt Mees het mes snel in zijn zak.  En vergeet het terug te geven…

 

Mees heeft dus nu een groot probleem. Want hoe geef je een mes terug als je niet eens weet waar je vriend woont, van je vader geen mes mag aanraken tot je zeven bent, en je moeder omdat ze operazangeres is veel weg is? Dan praat je tegen een videoband van je moeder om raad te krijgen, probeer je een brief te schrijven, plaats je een advertentie en stap je in de trein naar Almere. Zal het Mees lukken om het mes terug te geven aan zijn vriend?

 

 

 

 


 

Concreet in

beeld en verhaal

 

 

 

 

 

Aflevering 1

Vriendjes

Aflevering 2

Het lege huis

Aflevering 3

Postkantoortje

Aflevering 4

Retour Flevoland

Symbolen

 

 

Het mes staat voor gevaar (de kleur rood)

Het mes staat voor

loyaliteit

Het mes staat voor

overtreden van regels

Het mes staat voor

vriendschap

Nederland

 

 

-Fiets

-leesbord

-taal

-kaart met koe erop

-fietsen

-sluizen

-beschuit bij het ontbijt

-postzegel met Beatrix erop

-rode PTT brievenbus

-tulpen

-sluizen

-aardappels

- Beatrix en Claus

- KLM

-Marga van Praag

-Nederlandse vlaggetjes

- de gulden

- NS

Buitenland

 

 

 

 

- Zwart en wit kind

- Eend (Franse auto)

-vader praat Engels en Frans

- aardbeien (Engels)

 

 

 

 

Media

 

 

 

 

 

-tv als meubelstuk.

- Televisie als bindende factor in de familie

-biet over de tv heen

-tv als meubelstuk staat op testbeeld

-bier over de televisie heen

-tv als bindende factor in de familie

- Koffie over de tv heen

-tv als bindende factor tussen Mees en Tim

- de tv stimuleert kinderen zelf na te denken

Omgevingen

 

 

 

 

 

Institutioneel

-school

-school

-school

-station

-in de trein

Informeel

-Bij Mees thuis

-in de auto buiten het schoolplein

-bij Mees thuis

 

-Bij Mees thuis

- de slaapkamer van Mees

-bij Mees thuis

 


 

Ideologisch

 

 

 

 

 

 

Aflevering 1

Vriendjes

Aflevering 2

Het lege huis

Aflevering 3

Postkantoortje

Aflevering 4

Retour Flevoland

Autoriteit

 

 

 

 

Ouders

- vader brengt Mees te laat naar school zo ondermijnt hij de regels van de school.

-vader is boos op Mees en laat hem niet uitspreken hierdoor heeft hij macht over zijn zoon.

-vader verbiedt Mees te spijbelen van school.

-vader leert Mees een brief versturen, vader heeft macht omdat hij meer kennis heeft.

-vader leert Mees waar Flevoland ligt.

-vader geeft Mees huisarrest hiermee toont hij zijn macht over zijn zoon aan.

Instituties

-de schooljuf als ze streng optreed tegen de klas, ze heeft overwicht over de kinderen door de kennis die zij wel heeft en de kinderen niet.

 

-het programma zelf leert de kijker via een liedje wat een dief is, dus ook de serie zelf is een vorm van educatie voor kinderen.

-de schooljuf geeft Mees op zijn kop waardoor hij machteloos is.

- Juf pakt speelgoed af van de leerlingen, zij staat boven de kinderen en laat dit duidelijk blijken.

- juf verscheurt een stripboek van een leerling, zij trekt de macht hier volledig naar zich toe en maakt er eigenlijk misbruik van, ze heeft een dictatoriale manier van het disciplineren van de kinderen in haar klas.

- op het station geeft men Mees geen kaartje omdat zijn moeder niet bij hem is een kind staat hier machteloos tegenover.

Mees

(hoofdzakelijk via het  -bewust-overtreden van de regels)

- In de auto buiten het schoolplein, een plek waar Tim en Mees niet mogen komen tijdens schooltijd.

- Tim en Mees hebben geheimtaal waarmee zij samen macht hebben over degenen die niet weten wat het betekend.

 

-Mees heeft in zijn kamer een ‘tent’ en verstopt daar spullen in, zo heeft hij een eigen domein.

-Mees sluipt het huis uit waarmee hij de regels bewust overtreedt wat maakt dat hij autoriteit naar zich toe trekt.

-geheimtaal, macht over degenen die deze taal niet kennen.

-Mees komt te laat op school, waardoor hij de autoriteit van het instituut ondermijnt.

-Mees verstopt zich en ruilt zijn zakmes met degene die in de la van de juf ligt, hij overtreedt de regels en ondermijnt de macht van de juf.

-de brief is geschreven in geheimtaal, Mees is de enige die de brief van Tim kan lezen wat heb een vorm van macht geeft.

- stapt zonder kaartje de trein in en trekt zo de macht in eigen handen.

Conventies/

Vertogen

 

 

 

 

 

Kinderen

- Kind moet via regels en opvoeding getemd worden.

- Kind al monster dat via regels beperkt moet worden.

-Kind als monster dat regels voortdurend overtreed.

-Het kind is onwetend: het heeft feitelijke kennis nodig om goed te kunnen functioneren in de maatschappij.

Opvoeding

- School staat voor educatie.

- Vader als huisman en moeder als kostwinner, staat voor feministisch denken moderne opvoeding waarbij ook vader de opvoeding op zich kan nemen.

- de juffrouw staat voor een ‘ouderwetse’ thuis situatie waarbij moeder thuis is en vader werkt. Moeders hebben de belangrijkste opvoedkundige taken.

- ouders moeten hun kind disciplineren als er kans is dat er regels overtreden gaan worden moet de ouder het kind tot orde roepen.

- de school staat voor disciplinering van het kind.

- Ouders hebben een educatieve ‘plicht’ t.o.v hun kinderen, stimuleren tot goed burgerschap.

 

Burgerschap

- De basis voor goed burgerschap wordt op school gelegd.

 

- Goed burgerschap is het kennen van gedragsregels

- een goede burger beschouwt de wereld kritisch en heeft individuele vrijheid.

- Bestaat uit regels die nageleefd moeten worden, maar ook uit een individuele vrijheid in het omgaan met die regels.


 

Concreet in beeld en verhaal

 

 

 

 

Aflevering 5

On Odvertonsio

 

Aflevering  6

3 x 3 = 9

Aflevering  7

Op tv

Symbolen

Het mes staat voor zelf nadenken om te bereiken wat je wilt

 

Het mes staat voor doorzettings-

vermogen

Het mes staat voor

overwinning

Nederland

-taal

- gracht

-kanalen

-Nederlands geld

-NS

-taal

 

 

Buitenland

 

 

 

 

 

 

 

Media

-tv als meubelstuk

- de krant staat voor het bereik in het hele land

-tv draagt bij aan de kennis van Mees

-tv brengt het gezin samen

- media als probleem

oplosser

-tv als iets waar iedereen naar kijkt

-tv als middel tot verenigen van het gezin

Omgevingen

 

 

 

Institutioneel

- school

- drukkerij

-muziekwinkel

-auditie ruimte

-televisie studio

-station

 

Informeel

- bij Mees thuis

- bij Mees in de keuken

 

- bij Mees in de keuken

 

 

 

 


 

Ideologisch

 

 

 

 

 

Aflevering 5

On odvertonsio

Aflevering 6

3 x 3 = 9

Aflevering 7

Op tv

Autoriteit

 

 

 

Ouders

-vader zegt dat Mees van het mes af moet blijven, kennis is hier de factor voor macht.

 

-vader op het moment dat hij Mees zijn gang laat gaan in de winkel, waardoor vader gedragsregels overtreed via Mees.

-ouders zijn trots op Mees.

 

 

 

 

 

Instituties

- de juf omcirkelt alle spelfouten in de brief van Tim, ze staat voor autoriteit van de school.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

- de studio omdat die richtlijnen geeft voor de opnames.

Mees

-geheimtaal in de advertentie, waardoor Mees en Tim macht hebben omdat niemand de advertentie begrijpt behalve zij.

- Mees gaat op ‘eigen houtje’ een advertentie zetten en lijkt te weten hoe dit moet waardoor hij macht heeft als kind omdat hij iets kan wat niet van hem verwacht wordt.

 

 

 

 

 

 

- Mees is de hele aflevering door degene met de macht, hij bepaald zelf dat hij naar de auditie wil, doet zijn eigen zin in de winkel en krijgt uiteindelijk voor elkaar wat hij wil bereiken.

- Mees overtreedt de regels, blijft niet op zijn plaats zitten in de studio, zoekt Tim daar en vind hem uiteindelijk.

Conventies/

Vertogen

 

 

 

Kind

-Een kind is in staat zelf na te denken.

- Het zelfdenkende, autonome kind dat zijn eigen plaats zoekt binnen de heersende regels.

- Het kind als een monster dat zijn zin doordrijft.

-Het kind als zelfstandig denkend individu.

- Het zelfdenkende, autonome kind dat zijn eigen plaats zoekt binnen de heersende regels.

Opvoeding

-Een kind moet worden opgevoed met regels.

- Het kind zelf de wereld laten verkennen via vrije opvoeding.

 

 

 

 

 

 

- vrije opvoeding, kind zelf de wereld laten verkennen.

-Individuele is belangrijk, ‘bemoeien met je eigen zaken’

 

 

Burgerschap

-Goede beheersing van de taal is belangrijk voor het Nederlands burgerschap.

-Een goede burger beschouwt de wereld kritisch, en neemt niet alles wat hij ziet voor waar aan.

 

 

3.2 Toelichting bij het schema van het zakmes

 

In de serie kunnen we drie grote vertooglijnen terug vinden, namelijk een eerste over opvoeding, een tweede over kinderen en de derde vertooglijn gaat over burgerschap. We komen in het schema tot deze drie vertooglijnen via symbolen en omgevingen naar de verdeling van de autoriteit tussen het kind en de volwassene en van daaruit komen we tot de drie genoemde vertooglijnen.

            De symbolen die staan voor Nederland zijn vooral terug te vinden op empirisch niveau. We zien in het schema dat elementen als sluizen, koningin Beatrix, kinderen met Nederlandse vlaggetjes en in veel afleveringen komen fietsen voor. Deze elementen zorgen voor een plaatsing van de serie in Nederland. Deze plaatsing kan het effect hebben op een gevoel van eenheid, van het Nederlander zijn, maar het geeft niets aan over de manier waarop dit Nederlanderschap ingevuld moet worden. Hier tegenover staan de symbolen voor het buitenland, in het schema is te zien dat er nauwelijks elementen zijn die naar iets buiten Nederland verwijzen. Dit heeft het gevolg dat de kijker er vanuit kan gaan dat de serie zich in Nederland afspeelt, er zijn immers geen elementen aanwezig die direct op een ander land wijzen.      

            De media hebben in de serie een bindende functie. De televisie staat in de eerste helft van de afleveringen symbool voor de relatie tussen Mees en zijn moeder. In de tweede helft van de serie staat de televisie symbool voor de eenheid die een gezin hoort te vormen waarbij de televisie het middel hiertoe is. We zien een ontwikkeling van de televisie als een meubelstuk dat in de keuken staat en wordt gebruikt als tafeltje naar de televisie als de manier waarop Mees zijn vriendje Tim kan bereiken om het zakmes terug te geven. De televisie is voor Mees een middel om (voor zijn idee) contact te krijgen met zijn werkende moeder. Als hij met haar wil praten wanneer zij niet thuis is, zet hij een videoband op en praat op die manier met/tegen haar. In de laatste twee afleveringen zien we hoe de televisie werkt als een bindende factor tussen niet alleen Mees en moeder maar ook met vader. Ze kijken gezamenlijk naar een programma waardoor ze een eenheid vormen, het lijkt een roep terug naar vroeger, de tijd waarin de hele familie nog gezamenlijk voor de buis zat. Uiteindelijk vindt Mees via een televisieprogramma waaraan hij meedoet zijn vriendje Tim en kan hem het mes teruggeven.

            Een tweede onderdeel dat terug te vinden is in het schema zijn de omgevingen waarin Mees zich beweegt. Door deze in twee categorieën te verdelen, namelijk informele omgevingen en formele omgevingen wordt er al een wending gemaakt naar de machtsrelaties die in de serie bestaan wat het volgende niveau van de analyse is. We zien dat Mees zich zowel veel in institutionele omgevingen beweegt met school als meest bezocht instituut, maar ook in informele omgevingen waarvan het meest thuis.

Via deze stap maken we een richting naar het hebben van autoriteit dat een essentieel element is van het hebben van macht. We zien in het schema dat de ouders van Mees, Instituties maar ook Mees regelmatig de autoriteit hebben. Zo neemt vader de macht in handen wanneer hij de regels van de school overtreedt als hij Mees te laat naar school brengt en geen haast heeft hoewel hij zich ervan bewust is dat hij gedragsregels overtreedt. Maar vader heeft ook regelmatig een autoritaire positie ten opzichte van zijn zoon. Dit zien we wanneer hij Mees straf geeft in bijvoorbeeld de vorm van huisarrest. De rol van de moeder is een heel andere dan die van vader, zij is altijd aan het werk en wil wanneer ze tijd heeft voor Mees leuke dingen met hem doen en is zelfs in staat om Mees een dagje van school te houden om naar de dierentuin te gaan. Op deze momenten zien we dat vader in een strenge man veranderd en zijn zoon (maar ook zijn vrouw) aan de regels houdt. Toch trekt Mees op vele manieren de autoriteit bij zijn vader weg doordat hij voortdurend de regels die zijn vader hem oplegt overtreedt. Zo sluipt Mees het huis uit terwijl zijn vader hem verboden heeft weg te gaan. Ook in de laatste aflevering sluipt Mees weg om Tim te zoeken. Ook steelt Mees het zakmes van zijn vader.

            Een derde machthebber is de school en daarmee de juf van Mees. De juffrouw straft de kinderen meerdere keren en treedt streng op, zo pakt zij speelgoed van de kinderen af waarmee ze staat voor het idee ‘leren doe je niet spelenderwijs’. Het instituut school staat voor educatie en voor het leren lezen, schrijven en rekenen wat een aantal keer benadrukt wordt in de eerste afleveringen. Maar ook met de autoriteit van de school gaat Mees aan de haal. Zo komt hij meerdere keren te laat op school, heeft hij met Tim een geheimtaal die de juf niet begrijpt en ruilt hij het zakmes van Tim dat de juf in een la heeft liggen om met het zakmes van zijn vader.

Text Box: Fragment: Mees zet een advertentievideo1            Het niveau dat we via de voorgaande stappen bereiken zijn de vertooglijnen die we terugvinden in de serie. De eerste vertooglijn is die over de opvoeding van het kind en de rol die zowel ouders als het instituut basisschool daarin hebben. De rol van de ouders wordt in de serie neergezet als een educatieve plicht die zij hebben ten opzichte van het kind. Zij moeten het kind opvoeden tot een goede burger. Zo zien we dat de ouders het kind mogen straffen wanneer die een bepaalde (gedrags)regels overtreedt. Mees krijgt dus ook huisarrest wanneer vader merkt dat hij zijn zakmes heeft gestolen. In de serie staat vader tot een man die een lichte autoriteit heeft over zijn kind, Mees leeft de regels die zin vader opstelt immers niet na. Bovendien doet vader wanhopige pogingen om een goede huisman te zijn waardoor hij Mees zo nu en dan uit het oog verliest. Moeder is voortdurend aan het werk. Deze verdeling tussen het huishoudelijke werk en het opvoeden van een kind en het zorgen voor brood op de plank is duidelijk geen traditionele. Het gevolg hiervan is dat Mees een vrije opvoeding geniet, het kind moet zelf de wereld ontdekken. Op school zien we het tegenover gestelde de juf staat voor een opvoeding van de oude stempel, kinderen leren via tucht en discipline. De school staat voor het geven van een basis tot goed burgerschap aan het kind.

De tweede vertooglijn die in de serie voorkomt gaat over het kind, verschillende ideeën over het kind komen in de serie aanbod. Zo zien we in het schema terug dat het kind in de eerste afleveringen van de serie vooral als een monster dat getemd moet worden wordt neergezet. Mees ondermijnt voortdurend de autoriteit van zowel zijn ouders als van de juffrouw van school. Het instituut en de ouders stellen regels op die Mees steeds opnieuw overtreedt. Hij luistert niet naar zijn vader, hij komt steeds te laat op school. Een tweede vertooglijn die over het kind duidelijk wordt is het idee dat een kind onwetend is, het kond heeft feitelijke kennis nodig om te kunnen functioneren in de maatschappij. Dit staat in relatie tot het hebben van kennis wat aan autoriteit en dus macht gekoppeld wordt via de juf en de ouders die het kind disciplineren en onderwijzen. Zo krijgt Mees geen kaartje voor de trein omdat zijn moeder niet bij hem is en de juffrouw behandelt hem als iemand die nog niet veel van de maatschappij weet. Mees gaat echter erg creatief om met de bestaande regels en de dingen die hem opgelegd worden, waaronder dus deze twee vertogen. Een derde idee over kind komt hieruit voort; het kind dat een zelfdenkend individu is. Het is duidelijk dat Mees een eervol, hoger doel nastreeft namelijk het teruggeven van het zakmes aan Tim. Om dit te bereiken moet hij zelf het een en ander ondernemen. Hij bedenkt zelf een manier om het mes weer bij Tim te krijgen, zo wil hij een brief schrijven, een advertentie plaatsen en uiteindelijk bereikt hij via de deelname aan een televisieprogramma zijn doel. Zo heeft het kind een eigen identiteit doordat het een zelfdenkend individu is dat een eigen mening en smaak heeft.

Text Box: Fragment: Mees zit in de klas            Tenslotte komen we tot het vertoog over burgerschap. In de serie komen verschillende ideeën over het burgerschap aanbod. De basis voor het worden van een goede burger wordt op de basisschool gelegd. Zo leert Mees daar lezen, schrijven en rekenen, middelen om uiteindelijk goed te kunnen functioneren in de samenleving. Ook is de beheersing van de Nederlandse taal een essentieel element voor een goede burger, als men dit onder de knie heeft kan men optimaal functioneren in de maatschappij. We zien dit in de serie niet alleen terug op school maar ook in de aflevering waarin Mees een advertentie wil plaatsen om Tim te vinden. De taal staat voor het onderdeel zijn van een gemeenschap, dit idee wordt versterkt door het idee van de geheimtaal van Mees en Tim. Doordat zij die geheimtaal kennen kunnen zij samen goed functioneren, we kunnen dit zien al een mini maatschappij waartoe mensen die de geheimtaal niet kennen buitengesloten worden zoals de juffrouw op school. Bovendien leert Mees niet alleen via school maar ook doordat hij zijn eigen weg gaat. Dit maakt onderdeel uit van een moderne opvatting over het komen tot een goed burgerschap. Dit wordt niet alleen bereikt via instituties maar ook voor een groot deel via de creativiteit van het kind. Dit laatste maakt dat het kind leert omgaan met de maatschappij waar het in opgroeit.

De spanning tussen maatschappelijke regels en individuele vrijheid komt in de serie ruim aanbod. We zien dat het burgerschap staat voor het naleven van de bestaande (gedrags) regels. Mees gaat in tegen dit traditionele ideaal doordat hij voortdurend de regels overtreedt. Hij neemt keer op keer de autoriteit van volwassenen en instituties over waardoor hij zijn doel bereikt. Hij krijgt de burgerschapsidealen aangereikt en gaat hier op geheel eigen wijze mee om. Zo wordt hij een zelfreflexief persoon. In de televisieserie Het Zakmes wordt op deze manier het ideaal van de zelfdenkende, autonome burger, die zoekt naar zijn eigen plaats binnen de heersende regels gepresenteerd. Kinderen worden daarbij beschouwd als ‘burgers in wording’ die nog moeten leren op welke manier ze moeten omgaan met deze regels en gedragscodes.


 

 

3.3 Madelief

 

 

Text Box: Fragment: leader MadeliefMadelief, Roos en Jan-Willem wonen alle drie in dezelfde straat, aan de rand van de stad, waar nog een stukje land is om te spelen. Ze trekken veel met elkaar op en zij net als alle kinderen lief en stout, verdrietig en vrolijk, gehoorzaam of brutaal. Met z’n drieen ontdekken ze aan de hand van hun eigen gedachten en gevoelens de wereld in hun nieuwbouwwijk. De stoere Madelief geeft met haar enorme fantasie en nieuwsgierigheid via haar eigen kinderlogica betekenis aan de wereld waarin ze met haar vriendjes speelt. Waar de ietwat tuttige Roos en verlegen Jan-Willem vaak al voorzien dat ze in de problemen kunnen komen met Madelief's spannende ideeën, stort Madelief zelf zich altijd vol overgave in het avontuur. Zo maakt ze heel spannende dingen mee als ze bijvoorbeeld haar hoofd in de wasmachine verliest, of een heel hoog balkon op klimt. Of juist zielige dingen als ze een dood vogeltje vindt of moet gaan verhuizen. Maar uiteindelijk maken de drie vriendjes vooral ook heel veel plezier met elkaar. 

 

De avonturen die Madelief en haar vriendjes beleven in de televisieserie zijn losjes gebaseerd op de verhalen die Guus Kuijer deze personages laat beleven in zijn boeken Met de poppen gooien en Krassen in het tafelblad. In het totaal heeft Kuijer inmiddels een vijftal boeken geschreven over de belevenissen van Madelief, die allemaal als klassiekers worden beschouwd en die zowel door lezers als recensenten geprezen worden. Zo schreef Miep Diekmann bijvoorbeeld enthousiast op de achterkant van het boek Met de poppen gooien : ‘Dit boek is meesterlijk van observatie en consequent in het ranghard neerleggen van kinderlogica. Veel emoties, zo niet alle, uit een klein kinderleven komen aan de orde, ook die welke tot nu toe zorgvuldig uit die boeken geweerd werden.’ De boeken hebben Kuijer heel veel prijzen opgeleverd waaronder de Nederlandse Staatsprijs voor Kinder- en Jeugdliteratuur, en zijn boeken over Madelief zijn zelfs vertaald in het Frans, Engels, Spaans, Zweeds, Deens en Japans.

            De populariteit van de boeken inspireerden Houtman voor het maken van een televisieserie over de avonturen van Madelief. Zij voelde zich aangesproken door de wijze waarop de gevoelens en gedachten van kinderen onvoorwaardelijk serieus genomen worden, zonder ze te overgieten met een moraliserende boodschap. Houtman houdt niet van een 'dit-is-voor-kinderen-gemaakt-toontje'. Zo zei zij ooit in een interview: 'Ik vertel het verhaal dat ik wil vertellen, ik ga geen knieval maken. Bovendien snappen kinderen vaak veel meer dan wij denken. Ze kijken scherper dan volwassenen’. Ze heeft daarom geprobeerd in de televisieserie alles vanuit kinderogen te filmen. Houtman : ‘In de serie waren de verhalen veel kleiner. Het waren anekdotes die ik helemaal vanuit het perspectief van Madelief kon vertellen. Van volwassenen zag je vaak niet meer dan voeten en benen.’ Madelief is uiteindelijk een erg populaire kindertelevisieserie geworden, die een vervolg heeft gekregen in de vorm van een tweede serie en zelfs een bioscoopfilm

            Madelief is een realistische dramaserie, die de ervaring van kinderen met de grote mensenwereld verbeeld via thema’s als dood, liefde, handicaps, school, verhuizen en vriendschap. Zware thema’s die niet vaak in kindertelevisiedrama te vinden zijn, maar die Houtman graag wilde verbeelden: ‘Ook kinderen krijgen met de dood en vastgelopen huwelijken te maken. Het hoort allemaal tot hun werkelijkheid en ze weten daar best mee om te gaan. Ik vertel gewoon het verhaal dat ik wil vertellen zonder iets te verdoezelen. We moeten kinderen niet onderschatten’. Belangrijke tegenstellingen ontstaan er in de serie tussen kinderen en volwassenen, goed en slecht gedrag.

           


 

Concreet in beeld en verhaal

 

 

 

 

 

 

Aflevering

1

Madelief’s nieuwe hoofd

Aflevering

2

Jan-Willem is brutaal

Aflevering

3

Hond

Aflevering 4

De Onderzeeër

Aflevering

5

De man met het snorretje

Titelverklaring

 

Madelief vertelt aan haar vriendjes dat ze vroeger een ander hoofd had in een ‘wedstrijdje’ wie het ergste heeft meegemaakt

 

 

Jan-Willem moet naar de supermarkt van zijn moeder, daar gaat van alles mis. Hij weigert om nog terug te gaan

Jan-Willem wordt ‘ontvoerd’ door pestjongens. Hij wordt gered door een hond

Jan-Willem ziet in zijn aquarium een onderzeeër. Het blijkt een fantasie van hem te zijn.

De heren in de kledingwinkel behandelen Madelief en Jan-Willem als onwetende kinderen. De heren hebben beiden een snor

Symbolen

 

 

 

 

 

Nederland

 

- taal

-fietsbord

-fiets

-oranje vlaggetje

-auto’s met Nederlandse kentekens

-Nederlandse vlag

-fietsen

-draaiorgel

Buitenland

 

 

 

Duitse televisieserie

Duitse klederdracht

Omgevingen

 

 

 

 

 

Institutioneel

 

Supermarkt

 

 

Kledingwinkel

Informeel

-bij Madelief thuis

-de slaapkamer van Madelief

-bij Jan-Willem thuis

-in het park

-op straat

-in de bosjes

-bij Jan-Willem thuis

-bij Jan-Willem thuis

 


 

Ideologisch

 

 

 

 

 

 

Aflevering

1

Madelief’s nieuwe hoofd

Aflevering

2

Jan-Willem is brutaal

Aflevering

3

Hond

Aflevering 4

De Onderzeeër

Aflevering

5

De man met het snorretje

Autoriteit

 

 

 

 

 

Moeder(s)

 

-Jan-Willem’s moeder intimideert Madelief

 

 

-Jan-Willem’s moeder zegt dat de tv wat zachter moet

-Moeder van Jan-Willem als opvoeder tot goed, gepast gedrag

-moeder bepaalt welke kleding Jan-Willem uiteindelijk koopt

 

Overige volwassenen

 

-Kind is machteloos door een gebrek aan kennis ten opzichte van de volwassenen in de supermarkt

-De baas van de hond is machteloos ten opzichte van het kind

 

Winkelverkopers zijn kinderachtig en gedragen zich onvolwassen tegenover de kinderen die zich correct gedragen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kind/Madelief - Dier

-Madelief heeft kennis en macht: ze poogt haar onwetende kat op te voeden en tot goed gedrag aan te sporen

-De vissen  bieden de kinderen de mogelijkheid om over banaliteiten als poep en vrijen te praten

-Madelief is de enige die niet bang is voor de hond. Doordat hij zich aan de regels houdt is Madelief in staat hem te gebruiken om haar te helpen

 

 

 

 

Madelief, Jan-Willem en Roos

-Madelief pakt koekjes, terwijl dit eigenlijk niet mag

-Madelief heeft het meest vreemde verhaal waardoor ze meer macht bezit dan haar vriendjes

 

-Madelief weet meer dan Jan-Willem, ze lacht hem uit

-Madelief is stoerder dan Roos en Jan-Willem, is niet bang voor de hond

-Madelief jaagt de pestjongens weg

 

-Madelief weet beter waar de Duitse serie over gaat dan Roos.

-Roos blijkt als de serie is afgelopen toch meer te weten dan Madelief en heeft zo heel even de macht

 

 

 

 

 

 

-Madelief en Jan-Willem staan boven de verkopers, ze zijn zich beter bewust van de eigenschappen die een goede burger behoort te hebben

 

Conventies/

Vertogen

 

 

 

 

 

Kinderen

-Kind als kind: dus niet als mini-volwassene of als ‘burger-in wording’

-Kind als monster dat via regels en opvoeding  getemd moet worden.

-Kind is onwetend: heeft feitelijke kennis nodig om te kunnen functioneren in de maatschappij.

-Kind als keianimatie die gevormd moet worden: moet leren sociaal en maatschappelijk betrokken te zijn

-Kind als zelfdenkend, autonoom individu

-Kind is onwetend: bezit nog niet alle feitenkennis om volledig te kunnen functioneren in de maatschappij.

-Kind als monster dat via regels beperkt moet worden.

-Kind als zelfdenkend individu dat binnen de regels een eigen mening en smaak oftewel identiteit mag hebben.

-Kind als kind: dus niet als mini-volwassene/ of als ‘burger-in-wording’

Opvoeding

 

-Moeders en onbekende volwassenen hebben de belangrijkste opvoedkundige taken

-In de opvoeding van kinderen tot goed burgerschap moet ook aandacht besteedt worden aan de minder leuke kanten van het leven

 

-Moeders en onbekende volwassenen hebben de belangrijkste opvoedkundige taken

-Er moet altijd ruimte zijn voor overleg en discussie tussen opvoeder en kind

Burgerschap

-Een goede burger is zich bewust van de spanning tussen de maatschappelijke regels en zijn individuele vrijheid, en zoekt hier een balans tussen.

 

-Een goede burger gedraagt zich volgens de heersende gedragsregels en is dus beleefd.

 

- Een goede burger beschouwt de wereld kritisch, en neemt dus niet alles wat hij ziet voor waar aan

- Een goede burger beschouwt de wereld kritisch, en neemt dus niet alles wat hij ziet voor waar aan

-Een goede burger gedraagt zich volgens de heersende gedragsregels en is dus beleefd

-Een goede burger is zich bewust van de spanning tussen de maatschappelijke regels en zijn individuele vrijheid, en zoekt hier een balans tussen.

 

 

 

 


 

Concreet in beeld en verhaal

 

 

 

 

 

 

 

Aflevering 6

Boenders

Aflevering 7

De deftige tante

Aflevering 8

Opbellen

Aflevering 9

Slak

Aflevering 10

Geld verdienen

Aflevering 11

Verhuizen

Titelverkla-

ring

Boenders is het woord dat de oude man roept tegen Roos en Madelief als ze aarde naar hem gooien, ze weten niet wat het betekent

De deftige tante van Madelief komt op bezoek. Madelief en haar moeder moeten zich gedragen als keurige ‘meisjes’

 

Madelief en Jan-Willem gooien zout op een slak. De slak gaat dood, ze komen erachter dat de dood niet leuk is.

Roos en Madelief gaan bloemen verkopen voor een man. Hij bedriegt hen uiteindelijk door hen er geen geld voor te geven

De moeder van Madelief heeft een nieuwe baan waardoor ze moeten verhuizen. Madelief wil dit niet

Symbolen

 

 

 

 

 

 

Nederland

-taal

 

 

 

 

 

 

-fietsen

-geld

 

Buitenland

 

 

 

 

 

 

 

Omgevingen

 

 

 

 

 

 

Institutioneel

 

 

 

 

 

 

Informeel

-in het park

-bij Madelief thuis

-bij Jan-Willem thuis

-op straat

-op straat

-bij Madelief thuis

 

 

 


 

Ideologisch

 

 

 

 

 

 

 

Aflevering 6

Boenders

Aflevering 7

De deftige tante

Aflevering 8

Opbellen

Aflevering 9

Slak

Aflevering 10

Geld verdienen

Aflevering 11

Verhuizen

Autoriteit

 

 

 

 

 

 

Moeder(s)

 

 

-moeder van Madelief zegt dat ze zich netjes en keurig moet gedragen

-moeder van Jan-Willem verbiedt Madelief met hem te spelen.

-moeder van Jan-Willem zegt dat ze Madelief voorlopig niet wil zien.

 

 

-de moeder van Madelief heeft een nieuwe baan. Ze gaan verhuizen. De moeder bepaalt hier wat er gebeurt

Overige volwassenen

 

-De oude man leert kinderen directe en impliciete gedragsnormen  tegenover kinderen die de regels en normen niet respecteren/ niet kennen.

-deftige tante speelt de baas over Madelief en haar moeder

 

 

- Man met één been leert kinderen  de gedragsnorm dat je medelijden moet hebben met zwakkeren in de samenleving, tegenover kinderen die zich niet bewust zijn van hun bevoorrechte positie in de samenleving

- De bloemenverkoper is niet eerlijk en houdt zich dus niet aan de regels, terwijl de kinderen  zich wel aan de regels houden

 

Kind/Madelief -  Dier

 

-Het lot van het dode vogeltje is afhankelijk van de kennis van de kinderen van de regels en normen die gelden rond de dood.

 

 

- De slak wordt vermoord door de kinderen, die dus hier de macht in  handen hebben

 

 

Madelief, Jan-Willem en Roos

 

-Madelief en Roos bekogelen de oude man met aarde, ze hebben geen respect voor hem omdat ze denken dat hij dood is.

-Madelief speelt samen met haar vriendjes op een trommel, ze maken herrie. Hiermee ondermijnen ze het gezag van de moeder van Madelief maar vooral het gezag van de deftige tante

-Madelief stapelt kopjes op de leuning van de bank terwijl ze weet dat dit niet mag. Ze ondermijnt hier het gezag van de volwassenen

-Madelief klimt op het dak van het huis van Jan-Willem. Ze overtreedt hier weer een regel

 

-Roos en Madelief leren steeds meer over het leven, dit geeft hen macht, kennis is macht.

-Madelief duwt Roos tegen een oude man aan

-Jan-Willem verzint een manier om Madelief te verstoppen zodat ze niet hoeft te verhuizen. De kinderen overtreden hier de regels

Conventies/ vertogen

 

 

 

 

 

 

Kinderen

-Kind als monster dat via regels en sancties beperkt moet worden.

-Kind als keianimatie die gevormd moet worden: moet zich de impliciete normen en waarden van een samenleving nog eigen maken.

-Kind als zelfdenkend individu dat binnen de regels een eigen mening en smaak oftewel identiteit mag hebben.

-Kind als monster dat via regels beperkt moet worden..

-Kind als monster dat via regels getemd moet worden.

-Kind als zelfdenkend individu dat binnen de regels een eigen mening en smaak oftewel identiteit mag hebben.

-Kind is onwetend: bezit nog niet alle feitenkennis om volledig te kunnen functioneren in de maatschappij.

 

-Kind als keianimatie die gevormd moet worden: moet leren sociaal en maatschappelijk betrokken te zijn.

-Kind als keianimatie die gevormd moet worden: moet zich de normen en waarden mbt de dood eigen maken.

-Kind als zelfdenkend individu dat de wereld om zich heen kritisch beschouwt.

-Kind als kind: dus niet als mini-volwassene of ‘burger-in wording

Opvoeding

-In de opvoeding van kinderen tot goed burgerschap moet ook aandacht besteedt worden aan de minder leuke kanten van het leven

 

 

 

 

-Er moet altijd ruimte zijn voor overleg en discussie tussen opvoeder en kind

-Als een kind regels overschrijdt mag hij gestraft worden

-Moeders en onbekende volwassenen hebben de belangrijkste opvoedkundige taken

-In de opvoeding van kinderen tot goed burgerschap moet ook aandacht besteedt worden aan de minder leuke kanten van het leven

-In de opvoeding van kinderen tot goed burgerschap moet ook aandacht besteedt worden aan de minder leuke kanten van het leven

-Moeders hebben de belangrijkste opvoedkundige taken

-Er moet altijd ruimte zijn voor overleg en discussie tussen opvoeder en kind

Burgerschap

-Een goede burger heeft medelijden en respect voor zwakkeren in de samenleving (dieren en gehandicapten)

-Een goede burger is zelfreflexief en probeert te leren van zijn fouten

-Een goede burger gedraagt zich volgens de heersende gedragsregels en is dus beleefd.

 

-Een goede burger gedraagt zich volgens de heersende gedragsregels en is dus beleefd.

-Een goede burger is zich bewust van de spanning tussen de maatschappelijke regels en zijn individuele vrijheid, en zoekt hier een balans tussen

-Een goede burger heeft medelijden en respect voor zwakkeren in de samenleving (dieren en gehandicapten)

-Een goede burger beschouwt de wereld kritisch, en neemt dus niet alles wat hij ziet voor waar aan

-Een goede burger is zelfreflexief en probeert te leren van zijn fouten

-Een goede burger is zich bewust van de spanning tussen de maatschappelijke regels en zijn individuele vrijheid, en zoekt hier een balans tussen

 


 

3.4 Toelichting bij het schema van Madelief

 

In Madelief zijn dezelfde vertooglijnen terug te vinden als in Het Zakmes namelijk vertogen over opvoeding, kinderen en burgerschap. Er is volgens hetzelfde schema gewerkt als bij de analyse van Het Zakmes, dit om een goede vergelijking te kunnen trekken tussen de twee series. Op sommige punten wijkt het schema af van het schema van Het Zakmes, zo komt de media niet of nauwelijks voor in Madelief. Er is besloten dit punt weg te laten. Ook de autoriteitsverhoudingen wijken af, er komen in Madelief andere personen voor dan in Het Zakmes en dieren spelen een belangrijke rol, het schema wijkt op dit punt eveneens af.

In Madelief zijn de symbolen die staan voor Nederland net als in Het Zakmes vooral te zien op empirisch niveau. Er zijn fietsen, Nederlandse vlaggen, geld en Nederlandse kentekens van auto’s te zien. Door middel van deze elementen wordt de serie in Nederland geplaatst. Verwijzingen naar het buitenland komen er nauwelijks voor in de serie. Het is dus vrij duidelijk voor de kijker dat de serie zich in Nederland afspeelt. Dit kan een gevoel van herkenning oproepen maar het zegt verder niks over hoe men zich dan als Nederlander moet gedragen.

Ten tweede wordt het onderdeel omgevingen beschreven. Dit zijn verwijzingen naar de institutionele en informele omgevingen waarin Madelief zich beweegt. Het blijkt dat er in Madelief veel minder institutionele omgevingen voorkomen dan in Het Zakmes. De serie Madelief speelt zich het meest buiten of thuis af. Slechts twee keer is er een institutionele omgeving namelijk, de supermarkt en de kledingwinkel. Toch is er besloten om de institutionele omgevingen te noemen omdat de keren dat er een institutionele omgeving is er een andere machtsrelatie bestaat dan er in de informele omgeving bestaat. Het blijkt dat de instituties veel macht hebben over de kinderen, zodra ze buiten hun veilige omgeving komen weten ze niet zo goed meer hoe zich te gedragen en moet dit hen verteld worden door volwassenen. Er wordt hier al een kleine link gemaakt naar het volgende onderdeel van het schema namelijk de machtsrelaties.

Text Box: Fragment: aflevering boendersIn Madelief zijn er verschillende machtsrelaties te vinden tussen het kind en zijn moeder, de overige volwassenen die een rol spelen, het dier en tussen de kinderen onderling. De moeders van Madelief en Jan-Willem spelen een rol als opvoeder. Jan-Willem’s moeder is veel strenger dan de moeder van Madelief. Ze zegt bijvoorbeeld dat de televisie zachter moet, ook verbiedt ze Madelief om met Jan-Willem te spelen en zegt ze dat ze Madelief voorlopig niet meer hoeft te zien. De moeder van Madelief is veel minder streng. Als de tante van Madelief op bezoek komt is haar moeder net een klein kind dat probeert om volgens de regels van de tante te leven. Ze komt in de serie ook niet echt naar voren als moeder, meer als een vriendin van Madelief. Ze is niet zo aanwezig in de afleveringen, Madelief gaat meer haar eigen gang en beleeft zo allerlei avonturen. De moeder van Jan-Willem is meer de stereotiepe moeder die streng is maar rechtvaardig, de moeder van Madelief is de vriendin.

De tweede machtsverhouding die er is, is die tussen de overige volwassenen en de kinderen. Bijvoorbeeld de volwassenen in de supermarkt hebben een grote macht op Jan-Willem. Jan-Willem is het domme kind dat niet weet hoe het werkt in een supermarkt en de volwassenen behandelen hem ook zo. Via een oude man in het park leren Roos en Madelief hoe ze zich moeten gedragen tegenover oudere mensen. De deftige tante van Madelief legt Madelief en haar moeder gedragsregels op terwijl Madelief deze regels juist moet overschrijden om een eigen identiteit te ontwikkelen. De man met één been leert de kinderen dat ze respect moeten hebben voor de zwakkeren in de samenleving en dat zijzelf een bevoorrechte positie hebben.

De relatie tussen kind en dier komt sterk naar voren in Madelief. Kinderen hebben tegenover volwassenen niet zo’n sterke positie, ze moeten luisteren naar hen en zich volgens bepaalde regels gedragen. Dieren bieden de mogelijkheid om toch macht uit te oefenen. Dieren zijn zwakker dan kinderen en dus makkelijker om wat over te zeggen te hebben. Iedere aflevering dat er een dier in Madelief voorkomt hebben de kinderen er de macht over, de dieren zijn afhankelijk van de kinderen in hun bestaan. Denk aan de kat, Madelief geeft hem eten, het dode vogeltje, Madelief en Roos begraven het en de slak die door Jan-Willem en Madelief gedood wordt. Toch leren de kinderen via de dieren hun verantwoordelijkheid te nemen en krijgen ze meer inzicht in de regels en normen die gelden rond bijvoorbeeld de dood.

De machtsrelatie tussen de kinderen onderling en tegenover de volwassen verschillen. Als de kinderen onder elkaar zijn is het meestal Madelief die de macht naar zich toe trekt. Zij is de bijdehante tante die alles weet en alles durft. Roos is meer het verlegen, voorzichtige meisje en Jan-Willem zit er tussenin. De kinderen ondermijnen de macht van de volwassenen door de regels te overtreden, Madelief pakt koekjes terwijl dit niet mag, ze stapelt kopjes op de leuning van de bank en ze klimt op het dak. Ook staan ze soms boven de volwassenen, in de kledingwinkel staan Jan-Willem en Madelief boven de twee verkopers die zich kinderachtig en onvolwassen gedragen terwijl Jan-Willem en Madelief zich correct gedragen.

Via de voorafgaande stappen kunnen we de vertooglijnen herleiden. Ten eerste de vertooglijn over opvoeding, de moeders en de overige volwassenen spelen hier in Madelief de grootste rol. De moeders hebben een grote rol in de opvoeding. Er komt naar voren dat er altijd ruimte moet zijn voor discussie en overleg tussen opvoeder en kind. Madelief’s moeder gaat met haar kind om als iemand die soepel met de regels om kan gaan. Ook is duidelijk te zien dat in de opvoeding van kinderen ook aandacht besteedt moet worden aan de minder leuke kanten van het leven, zoals de dood. Denk aan de dood van de slak of als Madelief en Roos denken dat de oude man dood is.

Text Box: Fragment: aflevering geld verdienenUit de tweede vertooglijn over kinderen komt naar voren dat er verschillende vertogen over kinderen bestaan. Het kind wordt gezien als kind en niet als minivolwassene, dit is vooral te zien in de eerste aflevering waarin er veel aandacht wordt besteed aan de fantasie van kinderen. De moeder van Jan-Willem leert de kinderen hoe ze zich moeten gedragen en dat ze zich aan regels moeten houden die worden opgelegd door ouders maar ook door de maatschappij. Het kind wordt gezien als iets dat gevormd moet worden. De moeder van Madelief laat de kinderen veel meer zelf ontdekken. Er komt meer naar voren dat kinderen zelfdenkende individuen zijn die binnen de regels een eigen mening of smaak mogen hebben en zo hun eigen identiteit kunnen ontwikkelen. De overige volwassenen behandelen de kinderen meer als onwetend kind die nog niet alle feitenkennis bezit om volledig te kunnen functioneren in de maatschappij. Dit komt erg duidelijk naar voren in de supermarkt, Jan-Willem wordt daar gezien als het domme kind dat nog veel niet weet en waar de volwassenen zich aan irriteren. Het laatste vertoog dat te vinden is over het kind als monster dat via regels en opvoeding getemd moet worden, dit is te zien als Madelief met Jan-Willem wil spelen maar het mag niet van zijn moeder. Ze klimt op het dak om toch bij Jan-Willem te komen, zijn moeder wordt dan erg boos en wil Madelief voorlopig niet zien.

Het laatste vertoog is het vertoog over burgerschap. Er komen verschillende ideeën over burgerschap naar voren. Een goede burger gedraagt zich volgens de heersende gedragsregels en is dus beleefd. Zo is te zien dat Jan-Willem beleefd blijft tegenover de volwassenen in de supermarkt terwijl zij hem behandelen als een dom, in de weg lopend kind. Een goede burger is reflexief en probeert van zijn fouten te leren, Madelief en Roos komen erachter dat je niet zomaar aarde naar iemand mag gooien, zelfs al zou hij dood zijn, je moet respect hebben voor iemand. Wat sterk naar voren komt is het feit dat de kinderen met respect moeten omgaan met de zwakkeren van de samenleving zoals dieren en gehandicapten. Door middel van deze ‘zwakkeren’ leren de kinderen over het leven en krijgen zo inzicht in de normen en waarden die gelden

Madelief overtreedt net als Mees voortdurend de regels maar dit heeft ook een hoger doel. Zo leert ze volwassen te worden, van fouten moet je immers leren. De burgerschapsidealen worden Madelief aangereikt en ze gaat er op haar eigen manier mee om, ze verschilt erg van Jan-Willem en Roos die er wat voorzichtiger mee omgaan. Madelief is zich bewust van het feit dat er een spanning is tussen de maatschappelijke regels en haar individuele vrijheid.

Het burgerschapsideaal is in Madelief op een indirecter niveau aanwezig dan in Het Zakmes. Pas als echt goed gekeken wordt zijn er elementen van het burgerschapsideaal aanwezig. Het wordt dus wel aangereikt maar de kinderen zijn veel meer ‘kind’ en moeten dus door volwassenen en regels leren om een goede burger te worden. Het idee van burgerschap waar wij voor pleiten, namelijk een combinatie van het mondige kind dat ook kwetsbaar is, komt in de serie Madelief duidelijker naar voren dan in Het Zakmes.


 

4. Conclusie

In deze laatste paragraaf zullen wij tot een antwoord proberen te komen op de hoofdvraag die centraal stond in dit essay:

 

Op welke manier wordt er in Nederlands kindertelevisiedrama een burgerlijke Nederlandse culturele identiteit gerepresenteerd  en geconstrueerd?

 

Uit onze analyse komt naar voren dat er zowel in beeld als verhaal verschillende vertogen bestaan met betrekking tot het opvoeden van kinderen tot goede burger in Nederlands kinderdrama. Dit zijn vertogen over kinderen, opvoeding en burgerschap. De hoofdrolspelers uit Het Zakmes en Madelief, Mees en Madelief beleven allerlei avonturen waar kinderen wat van kunnen leren. De makers gebruiken het fictie genre kinderdrama op deze manier vanuit het oogpunt hun kijkers op te voeden en te construeren tot goede burgers. De televisiekijkende kinderen geven vervolgens op hun beurt betekenis aan deze televisiedrama’s, waarbij zij in contact komen met de normen en waarden die in de televisietekst gerepresenteerd worden.

Wij hebben aangetoond het opvoeden van kinderen als kijker tot goede burgers, niet alleen maar voorkomt in de voor de hand liggende educatieve programma’s, zoals Het Jeugdjournaal en Het Klokhuis, maar ook in programma’s waar het veel meer op een indirecte manier naar voren komt zoals Nederlands kinderdrama. Uit ons onderzoek blijkt dat het opvoeden van kinderen tot verantwoordelijke burger veel meer verweven is in onze samenleving dan wij aanvankelijk dachten. Pas als er gekeken wordt naar de onderliggende vertogen wordt duidelijk hoe zeer het idee van het opvoeden van kinderen een rol speelt in de populaire televisieseries.

Text Box:  Madelief zoekt haar grenzen op            Nu wij ons hiervan bewust zijn kunnen we een kritische noot plaatsen bij dit idee van opvoeden. Het is aan de ene kant goed om via kinderdrama, kinderen de normen en waarden van onze maatschappij te leren omdat ze onbewust en spelenderwijs leren wat goed en fout is en hoe ze zich moeten gedragen. Dit zal uiteindelijk leiden tot goed functioneren in de samenleving. Aan de andere kant kan er ook gekeken worden naar de negatieve kanten van het opvoeden via kinderdrama. Want waar blijft de individuele vrijheid? Is een vraag die gesteld kan worden. Eén van de grootste burgerlijke waarden is immers de zelfontplooiing en vrijheid die een kind moet hebben om dit te bereiken. Een kind wordt toch op een bepaalde manier gevormd door kinderdrama terwijl dit in tegenspraak is met burgerlijke waarden en normen.

            Een ander punt van kritiek zou kunnen zijn dat er door de makers van kinderdrama teruggegrepen wordt naar de ouderwetse normen en waarden. De tijden zijn veranderd, de samenleving is een multiculturele samenleving geworden en er gelden tegenwoordig misschien wel andere of aangepaste normen en waarden. Zijn we in de eenentwintigste eeuw niet eens toe aan een pakketje nieuwe normen en waarden? Wordt het niet eens tijd om kinderen deze nieuwe normen en waarden te leren?

.


 

 

Bibliografie

 

Ø      Abercombie. Television and society. London: Polity Press, 1996

Ø      Bardoel, Jo. ‘Wie zal de media mores leren?’ NRC Handelsblad, 22 februari 2003: 7 www.krantenbank@picarta.pica.nl

Ø      Breedveld, Willem, Hans Goslinga. ‘Op zoek naar de ware burger.’ Trouw, 4 juli 1992: zz.05 www.krantenbank@picarta.pica.nl

Ø      Caughie, John. Television drama. Realism, modernism, and British culture. Oxford: Oxford University Press, 2000

Ø      Deuze, Mark. “Gekleurd nieuws. Journalistiek voor een multiculturele samenleving.” Journalistieke cultuur in Nederland. Bardoel, Jo, eds. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2000: 446- 464

Ø      Ellian, Afshin. ‘Burgerschap het wezen van politiek.’ Algemeen Dagblad, 30 maart 2002: 1 www.krantenbank@picarta.pica.nl

Ø      Etty, Elsbeth. ‘Op de nationale weegschaal.’ NRC Handelsblad, 4 oktober 2003: 7 www.krantenbank@picarta.pica.nl

Ø      Gripsrud, Jostein. “Television, broadcasting, flow. Key metaphors in tv theory.” The television studies book. Geraghy, Christine, and David Lusted, eds. London: Arnold, 1998: 17- 32

Ø      Heater, Derek. Citizenship: the civic ideal in world history, politics and education. Londen: Longman, 1990

Ø      Hall, Stuart, eds. Representation. Cultural representations and signifying practices. London: Sage, 1997

Ø      Hermes, Joke, en Maarten Reesink. Inleiding Televisiestudies. Amsterdam: Boom, 2003

Ø      Hulst, Auke. ‘Met z'n allen in een grote zuil. De leermeesters van Balkenende.’ Vrij Nederland,  22 november 2003: nr 47, 17- 19.

Ø      Martin, Troy Kennedy. “Nats go home. First statement of a new drama for television.” Encore 48 (March/April), 1964: 21-33

Ø      Potter, Dennis. “Realism and non-naturalism.” Programma of the Edinburgh International Television Festival, 1977

Ø      Ritzen, J.M.M. ‘School moet uitleggen wat democratie inhoudt.’ Trouw, 17 maart 1993: 011 www.krantenbank@picarta.pica.nl

Ø      Scheffer, Paul. ‘Alles van waarde moet zich verweren.’ NRC, 21 september 2002: 1-7  www.krantenbank@picarta.pica.nl

Ø      Scheffer, Paul. ‘Het multiculturele drama.’ NRC, 29 januari 2000: 1- 10 http://www.nrc.nl/W2/Lab/Multicultureel/scheffer.hmtl

Ø      Turner, Brian Stanley. Citizenship and social theory.  Londen: Sage, 1993

Ø      White, Colin, and Laurie Boucke. The Undutchables. Leven in Holland. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2001

Ø      Zeeman, Michaël. ‘Het gaat om een nieuwe inhoud van het begrip burgerschap.’ De Volkskrant, 11 oktober 2003: 17 www.krantenbank@picarta.pica.nl

Ø      Zeijden, Albert van der. “Of ik ben niemand, of ik ben de hele natie.” Volkscultuur. Tijdschrift over tradities en tijdsverschijnselen, jrg 9, nr 3, 1992: 5- 27

Ø      Zoonen, Liesbeth van. Media, Cultuur en Burgerschap. Een Inleiding. Amsterdam: Het Spinhuis, 1999.


 

Figure 11: aflevering 1: Madelief pakt koekjes

 

Figure12: aflevering 1: Madelief staat op een stoel

 

Figure13: aflevering 2: Jan-Willem doet boodschappen

 

Figure 14: aflevering 2: Madelief fietst

 

Figure 15: aflevering 3: Madelief is de hond de baas

 

 

 

 

Figure 16: aflevering4: Madelief en Roos kijken tv

 

 

 

Figure 17: aflevering 5: Madelief staat bij een draaiorgel

 

 

 

Figure 18: aflevering 5: Jan-Willem verkleed als meisje

 

 

Figure19: aflevering 5: Madelief als jongen

 

 

 

 

Figure 10: aflevering 5: de twee mannen doen kinderachtig

 

 

 

Figure 11: aflevering 6: Madelief als net meisje

 

 

 

Figure 12: aflevering 7: Jan-Willem's moeder is boos

 

 

 

Figure 13: aflevering 8: Madelief en Roos begraven het vogeltje

 

 

 

Figure 14: aflevering 9: Madelief, Roos en Jan-Willem met de slak

 

 

 

Figure 15: aflevering 8: Madelief doet zout op de slak

 

 

 

Figure 16: aflevering 8: Roos en de man met maar een been

 

 

Figure 27: aflevering 9: man met een holland sjaal om steelt bloemen

 

 

 

Figure 17: aflevering 10: Jan-Willem en Roos zwaaien Madelief uit

 

 

 

 

 

Analyse Het zakmes

 

Aflevering 1: Vriendjes

Bandnummer: AR 29866 BCN

Viewingcopie: V 29866 VHS

Uitzending 11/01/1992

Begintijd: 00:02:00

Eindtijd: 00: 21:47

 

 

 

Directe verwijzing naar de Nederlandse natie:

 

De aflevering begint met een school waar kinderen naar toegebracht worden. Veel moeders brengen hun kind naar school op de fiets. Iets wat typisch Nederlands is. Ook Mees wordt gebracht met de fiets, maar door zijn vader.

Het bord dat in het klaslokaal achter de juf hangt verwijst hiernaar. Het is een bord waarop de eerste woorden die je leert, te lezen zijn.Daan-mies-gijs-mier-vos enzovoort. Hierbij wordt verwezen naar de natie via de taal.

Text Box: Figure 18: de juf staat naast een bord met Nederlandse woordenIn de pauze rent Mees achter zijn vriendje Tim aan. Tim rent weg omdat hij Mees niet wil vertellen dat hij over drie maanden gaat verhuizen. Uiteindelijk zitten ze samen in een oude rode auto, een eend. Deze auto staat buiten het schoolplein. Tim vertelt Mees over het verhuizen. ‘Ik ga over twee maanden verhuizen naar Flevoland, naar Aalsmere ofzo.’ Dit is een verwijzing naar de natie. Vervolgens zegt Tim ‘...daar leer ik toch een andere taal’. Ze denken dus dat Flevoland niet in Nederland ligt. Voor hen is Flevoland iets dat buiten hun ‘eigen’ vertrouwde wereld ligt.

 

Indirecte verwijzingen

 

De media:

Mees komt thuis van school, vader zit aan de telefoon. Vader praat Engels op een zeer overdreven manier. De moeder van Mees is een opera zangeres en ligt vaak tot laat in haar bed en is vaak weg wegens optreden. De televisie staat bij de keukentafel (een soort bar) en staat voortdurend op testbeeld. De tv fungeert meer als een meubelstuk dan als een televisie. Vader praat nu Frans aan de telefoon. Mees wil wat aan vader vertellen maar hij luistert niet doordat de telefoon constant gaat. Mees gaat daarom ‘mamma kijken’ via een videoband, op deze manier staat moeder buiten de wereld van Mees en vader. Vader zegt: ‘moet dat nou?’. Dit lijkt een afkeer van hem te zijn van de televisie. Mees zet het beeld op pauze en zegt: ‘mam, Tim gaat verhuizen.’ Dan pas luistert zijn vader. De televisie lijkt hier de bindende factor tussen de familieleden te zijn. Weer wordt hij onderbroken door de telefoon. Vader maakt er een grappig gesprek van. Vervolgens gaat vader een biet schillen, de telefoon gaat opnieuw en vader knijpt zijn handen samen van irritatie waardoor de biet uit zijn handen schiet

en op de tv uiteenspat.

                                                                       

                                                                                                        Figure 19: er valt een rode biet op de televisie

Autoriteit:

Mees is al te laat maar vader fiets nog een extra rondje en wanneer Mees bijna de school binnen wil lopen roept vader hem terug voor een kus, vervolgens roept hij Mees nog een keer en steekt zijn tong uit. Vader maakt dus geen haast terwijl Mees te laat is op zijn eerste schooldag. Doordat Mees al enige door zijn vader naar school wordt gebracht en als enige te laat komt wordt hij buiten de rest van de groep geplaatst. Mees ondermijnt de autoriteit van de school en de juf doordat hij te laat komt en doordat hij binnen komt nadat zij zichzelf heeft voorgesteld. (juf Til). Hij overtreedt de regels.

            Juf Til geeft Mees op zijn kop waardoor zij weer de autoriteit naar zich toetrekt. Ze zegt dat de kinderen op school moeten leren lezen, schrijven en rekenen. Juf zegt: ‘jullie gaan leren lezen als de aller beste....jullie gaan je best doen.’ Alle kinderen knikken heftig ja. Het lezen, schrijven en rekenen heeft te maken met het burgerschapsideaal. Kinderen moeten opgevoed worden tot zelfstandig denkende mensen. Ook het bord dat in het klaslokaal achter de juf hangt verwijst hiernaar. Het is een bord dat waarop de eerste woorden die je leert te lezen staan. Daan-mies-gijs-mier-vos enzovoort. Hierbij wordt ook verwezen naar de natie via de taal.

In de pauze rent Mees achter zijn vriendje Tim aan. Tim rent weg omdat hij Mees niet wil vertellen dat hij over drie maanden gaat verhuizen. Uiteindelijk zitten ze samen in een oude rode auto, een eend. Deze auto staat buiten het schoolplein. Tim vertelt Mees over het verhuizen. ‘Ik ga over twee maanden verhuizen naar Flevoland, naar Aalsmere ofzo.’ Dit is een verwijzing naar de natie. Vervolgens zegt Tim ‘...daar leer ik toch een andere taal’. Ze denken dus dat Flevoland niet in Nederland ligt. Voor hen is Flevoland iets dat buiten hun ‘eigen’ vertrouwde wereld. Ze denken dat je daar kattentaal kunt leren. Ze gaan vervolgens dieren geluiden nadoen, naar aanleiding hiervan creëren ze een geheime taal. Deze geheimtaal creëert voor hen een zekere autoriteit omdat zij de enigen zijn die deze taal begrijpen

            Mees en Tim zitten in de klas, ze moeten leren lezen en schrijven van Juf Til en krijgen een opdracht. Maar Mees en Tim schrijven in hun geheimtaal en grinniken erbij. Juf kijkt neer op de schriften en ziet dat de jongens verkeerd zitten te schrijven. Ze vraagt de jongens of ze hebben afgekeken. Tim en Mees antwoorden in geheimtaal, waardoor ze autoriteit hebben doordat alleen zij weten wat het betekent. Juf neemt haar autoriteit terug door Tim naar voren in de klas te sturen. Op die manier kan ze de jongens goed in de gaten houden. Tim en Mees overtreden dus voortdurend de regels.

            In de pauze zitten Mees en Tim weer in de rode eend buiten het schoolplein. (waardoor ze de regels overtreden) Tim laat zijn zakmes zien aan Mees, hij heeft het van zijn buurman gekregen omdat hij gaat verhuizen. Mees wil het even vasthouden, Tim zegt eerst dat het niet mag, maar wanneer Mees alsjeblieft zegt mag het toch. Mees mag van zijn vader niet met messen spelen en dus overtreedt hij regels. Dan komt de juf eraan en Mees verstopt het mes in zijn zak.

 

Aflevering 2: ‘Het lege huis’

Bandnummer: AR 29866 BCN

Viewingcopie: V 29866 VHS

Uitzending 18/01/1992

Begintijd: 00:21:48

Eindtijd: 00: 38:29

 

 

Text Box: Figure 20: Mees rent over de sluizen

Directe verwijzingen naar de Nederlandse natie:

 

Mees rent naar het huis van Tim om het zakmes terug te geven. Zijn tocht naar het huis gaat door het Nederlandse landschap. Mees rent over sluizen heen. Er zijn fietsende mensen op de achtergrond. Tim is al weg.

            In de kamer van Tim hangt een ansichtkaart met daarop een koe.

 

Indirecte verwijzingen

 

De media:

Mees kleedt zich aan en ‘wast’ zijn gezicht, hij doet alsof hij zijn tandenpoetst en haalt zijn handen over zijn gezicht alsof hij zich wast. Vader maakt een ontbijt, beschuit met aardbeien en toast en ei. Hij wil een ei in de pan gooien maar deze valt stuk op de televisie. Er staat een op de televisie en de televisie staat (wederom) op testbeeld.

            Vader maakt aan het eind van de aflevering een blikje bier open. Het bier spuit over de televisie, die nog steeds op testbeeld staat, heen.

 

De natie:

Vader maakt een ontbijt, beschuit met aardbeien. Beschuit bij het ontbijt is iets typisch Nederlands.

 

Autoriteit:

Mees heeft een tentje in zijn eigen kamer, met allemaal indianen spullen eromheen. In zijn tentje heeft hij een kistje, dat met een sleutel open moet en daarin zit een muziekdoosje. In het muziekdoosje heeft Mees het zakmes bewaard. In zijn eigen kamer heeft Mees de autoriteit, hij verstopt er dingen die niemand mag zien.

Mees komt beneden en wil snel weg, zijn vader vraagt of hij zich wel heeft gewassen en vind dat Mees eerst moet ontbijten. Maar Mees zegt dat hij iets belangrijks moet doen. Dan gaat de telefoon en vader neemt op. Ondertussen sluipt Mees het huis uit. Mees overtreedt hier de regels voortdurend, hij liegt dat hij zich heeft gewassen en sluipt weg terwijl vader heeft gezegd dat hij moet ontbijten. Doordat hij niet naar zijn vader luistert, ontneemt hij deze zijn autoriteit.

Bij het huis van Tim aangekomen overtreedt Mees opnieuw de regels. Hij gaat het lege huis binnen omdat de deur nog open is. Hij kijkt voordat hij naar binnen gaat eerst om zich heen of niemand hem ziet, hij weet dus heel goed dat wat hij gaat doen niet mag. Dus opnieuw een bewuste overtreding van de regels. Als hij binnen is gaat hij naar de kamer van Tim, hier schrijft hij in hun geheimtaal dat hij zijn mes heeft.

Mees kijkt in de spiegel met het zakmes in zijn hand en vraagt zich af of hij een dief is. Vervolgens horen we een liedje dat uitlegt wat een dief is. Dit is educatie voor de kijker, leren kan ook op een leuke manier.

Ondertussen loopt Mees richting huis, hij is diep in gedachten. Hij loopt langs een oude man, die een boodschappenwagentje heeft. Mees steekt zomaar een straat over en wordt daarbij bijna aangereden door een vrachtwagen. Mees springt opzij en botst hierbij tegen de oude man aan, alle boodschappen liggen op straat. ‘Raap het op!’ zegt de man tegen Mees. ‘ Zag je die wagen?’ vraagt Mees, ‘en zag je wie erin zat?’. Maar de man denkt dat Mees hem voor de gek houdt en roept dat Mees de boodschappen moet opruimen. Er is ook een zak chips uit het wagentje gevallen en is open gegaan. Mees neemt een hap en de oude man wordt nog kwader. Het is duidelijk dat Mees geen respect toont voor de oude man en dat hij alles doet om zijn doel te bereiken, namelijk het mes teruggeven aan Tim. Mees is een voorbeeld van loyaliteit, maar het is duidelijk dat hij daar niet op de juiste manier mee om kan gaan en moet dit nog leren.

Mees rent snel naar school toe, hij is opnieuw te laat. Hij loopt het lokaal binnen en moet van de juf uitleggen waarom hij te laat is. Mees haalt het zakmes uit zijn broek, de juf wordt boos en zegt dat mees het aan haar moet geven. Maar dat wil hij niet en zegt dat hij het niet kan geven. Juf zegt: “wat zeg jij nee? Geef hier!”. Mees wil wat zeggen maar de juf laat hem niet uitpraten, hierdoor is zij autoritair aan Mees. Ze vraagt hem of zijn ouders wel weten dat hij zo’n mes bij zich draagt. Mees antwoord dat dat niet zo is. Juf vraagt of zijn ouders op de ouderavond komen, Mees zegt dat alleen zijn vader komt. De juf kijkt hem afkeurend aan. Hieruit wordt duidelijk dat juf vindt dat Mees in een ‘vreemde’ thuis situatie zit. Zijn vader is huisman en zijn moeder is bijna niet thuis omdat zij carrière maakt. Door deze afkeurende blik heeft zij een vorm van autoriteit, of doet zijn in ieder geval alsof zij die heeft.

Juf legt het mes in de la van haar bureau, daarin liggen nog meer spullen die zijn van de kinderen heeft afgenomen. Een stripboek, spek, lucifers, een nep pistool, sigaretten en nog meer speelgoed. Dit geeft aan dat je op school moet leren en niet mag spelen.

Mees zegt tegen de juf dat hij dat mes moet hebben. Zij stuurt hem de gang op om af te koelen.

Mees komt thuis en vader is boos op hem. Moeder was voor Mees extra vroeg opgestaan. Mees had zich niet gewassen, zijn tanden niet gepoetst, niet gegeten en was ook nog eens weggeslopen. Mees gaat er tegen in, maar vader is boos en laat hem niet uitpraten.

 

 

Aflevering 3: Postkantoortje

Bandnummer: AR 29866 BCN

Viewingcopie: V 29866 VHS

Uitzending 25/01/1992

Begintijd: 00:38:42

Eindtijd: 00:56:20

 

 

Directe verwijzing naar de Nederlandse natie:

 

Mees wil Tim een brief schrijven en vraagt aan zijn vader een postzegel. (waarop natuurlijk onze koningin staat).

            Mees rent naar de brievenbus toe, via straten en sluizen. Hij komt bij een rode PTT brievenbus.

            Er staan tulpen in de huiskamer.

 

Indirecte verwijzingen

 

De natie:

Vader maakt aardappel puree. Typisch Nederlands is dat we veel en vaak aardappels eten.

 

De media:

De televisie staat aan en moeder is in beeld. Vader is koffie aan het maken en ondertussen is hij zich aan het scheren. Op de televisie staan mandjes. De tv is erg vies, Mees veegt hem schoon. Mees wil met zijn moeder praten, maar ze ligt nog in bed wegens een optreden van de vorige avond. Mees kijkt naar de televisie en ineens heeft zijn moeder oorbellen in die een zakmes zijn. Mees gaat tegen de televisie aan praten, hij zet haar op pauze omdat ze naar hem moet luisteren en niet door moet zingen.

            Wanneer de koffie overloopt die vader aan het maken is, gooit hij de koffiefilter met de inhoud over de televisie heen.

            Vader is puree aan het maken, de televisie staat aan en moeder is in beeld. Vader vraagt haar hoeveel melk er in het recept moet. De televisie is dus (net als in aflevering 1 voor Mees) de verbinding tussen moeder en vader.

 

 

 

Autoriteit:

Mees pikt het zakmes van zijn vader uit de la, hij overtreedt opnieuw de regels en is nu duidelijk wel een dief (zie aflevering 2) De koffie loopt over en dan komt vader er aan. “Shit, waarom gaat toch altijd alles mis in deze keuken.” Blijkbaar is het geoorloofd voor een vader in het bij zijn van kinderen te schelden. Met zijn uitspraak blijkt dat hij het maar niks vind om in de keuken te staan. Het lijkt dus of hij niet zo tevreden is met de rolverdeling tussen hem en zijn vrouw.

            Mees gaat kijken of zijn moeder al wakker is, terwijl vader heeft gezegd dat hij haar moet laten slapen. Moeder is wakker en ze komen samen de trap af. Mees vraagt haar of hij niet een dagje schoolziek mag zijn. Zijn moeder zegt dat zijn vader al klaar staat met de spullen. Zij verbiedt het dus niet expliciet en is blij dat ze haar kind weer eens ziet. Ze geeft de zwarte piet aan vader door te zeggen dat hij al klaar staat. Mees zegt dat hij met zijn drieën naar de dierentuin wil. Moeder wil dit wel en samen vragen ze aan vader of het niet een dagje mag. Moeder neemt hier de rol van een kind aan. Maar vader blijft bij zijn standpunt en zegt dat Mees naar school moet en dat moeder straks naar Schotland moet. Moeder zucht dat ze het jammer vind. In dit fragment is vader plotseling zeer autoritair, Mees doet wat hij zegt (wat in de eerdere afleveringen niet het geval is).

            Vader trekt bij Mees zijn jas aan en samen met moeder zegt hij hem gedag. Mees is op dit moment weer even een kind met twee ouders. Op dit moment is het point of view van de camera ook even vanuit de ouders. In de rest van de aflevering en in de voorgaande afleveringen is hier geen sprake van en is het POV altijd vanuit Mees. Het is op dit moment eventjes niet hij tegen de rest van de wereld. Dit is in rest van de aflevering en in de voorgaande en nog komende afleveringen namelijk wel het geval. Daarin is hij alleen maar regels aan het overtreden en krijgt hij voortdurend op zijn kop door zijn vader en zijn juf. Bovendien is hij altijd alleen met zijn vader die wanhopig een goede huisman probeert te zijn.

            Op school heeft Ewoud, een jongetje uit de klas van Mees, het stripboek van juf terug gepikt. Juf heeft gezien dat Ewoud het stripboek onder zijn trui heeft verstopt. Ze roept Ewoud naar voor in de klas en pakt het terug, vervolgens verscheurt ze het boek. Hierbij kijkt ze zeer voldaan waaruit haar autoriteit duidelijk naar voren komt.

            Tijdens het speelkwartier verstopt Mees zich achter de deur van het klaslokaal en gaat naar binnen. Hij verwisselt het zakmes dat hij van vader heeft gepikt met het zakmes van Tim. Hij overtreedt opnieuw bewust de regels. We zien deze gebeurtenis vanuit het POV van Mees. Wanneer Mees de la weer dicht doet veranderd het POV naar de la toe, het is alsof wij vanuit de la kijken wat Mees doet. Hierdoor wordt zijn handeling nog geheimzinniger doordat de ruimte verkleind wordt op deze manier.

            Mees zit op zijn kamer en wil aan Tim een brief schrijven, hij doet dit in geheimtaal. Hij vraagt aan zijn vader een envelop en een postzegel. Vader vraagt of Mees een brief aan zijn moeder gaat schrijven, maar hij zegt dat hij postbode-tje speelt en liegt dus weer. Mees pakt stiekem twee enveloppen van het bureau van vader om te zien wat je op een envelop moet schrijven. Achterop schrijft hij zijn eigen adres (wat hij dus van de envelop van vader haalt) en voorop schrijft hij: aan Tim, Flevoland. Dit komt omdat op de envelop die aan zijn moeder geadresseerd is staat: Vera Grobben, Holland. Maar zijn moeder is zo bekend dat de envelop ook op het goede adres aankomt. Mees moet dus duidelijk nog het een en ander leren. Hij stopt het zakmes in de envelop en gaat op weg naar de brievenbus.

            De volgende ochtend brengt de postbode de brief van Mees weer terug. Er staat retourafzender op de envelop. Mees loopt naar boven. Vader zit op de wc met een krantje en de deur staat open. Mees vraagt wat retourafzender betekent, vader let het uit en doet dan de wc deur dicht. Vader neemt hier de rol aan van het onderwijzen van/leren aan zijn kind.

 

 

Aflevering 4: Retour Flevoland.

Bandnummer: AR 29866 BCN

Viewingcopie: V 29866 VHS

Uitzending 01/02/1992

Begintijd: 00:56:48

Eindtijd: 01:14:53

 

Directe verwijzingen naar Nederlandse natie:

 

In deze aflevering zitten er vrij veel directe verwijzingen naar de Nederlandse natie. Mees heeft het zakmes gepikt van zijn vader en voelt zich hier schuldig over. Hij stopt de videoband met daarop zijn moeder die aan het zingen is in de videorecorder en vertelt dat hij heeft gepikt. Hij zet de videoband stop en ineens verschijnt het nieuws. Hij ziet Beatrix en Claus, een helikopter van de KLM en Marga van Praag die het presenteert. Het gaat over Cultureel Flevoland, dit is een soort feest waar de koningin naartoe zal gaan. We zien Beatrix en Flevoland waar kinderen langs de kant staan te zwaaien met Nederlandse vlaggetjes. Beatrix en Claus, de helikopter, Marga van Praag en de Nederlandse vlaggetjes zijn allen elementen die direct naar Nederland verwijzen.

            Mees haalt geld uit zijn kluisje, de Nederlandse gulden. Mees gaat met de bus naar het station, op de bus staat West-Nederland. Op het station zijn er treinen te zien met daarop NS, Nederlandse Spoorwegen dus. Als Mees eenmaal in de trein zit zien we het Nederlands landschap voorbijflitsen, we zien heel veel weilanden. Hij zit tegenover een vrouw die het tijdschrift Vorsten aan het lezen is. Op de achterkant van dit tijdschrift staan Beatrix en Claus.

De kijker wordt door al deze verwijzingen direct gewezen op het feit dat de serie zich in Nederland afspeelt en dat hij zelf Nederlander is.

 

 

Indirecte verwijzingen

 

Media:

De media spelen ook in deze aflevering weer een belangrijk thema. Mees praat door middel van de televisie met zijn moeder. Omdat ze er bijna nooit is, ze is een beroemde operazangeres, zet Mees vaak een video aan waarop zij al zingend te zien is. Zo communiceert hij met haar. In deze aflevering stopt Mees de video van zijn moeder in de videorecorder omdat hij wat wil bekennen. Hij heeft namelijk het zakmes van zijn vader gepikt en vind zichzelf nu een dief, hij voelt zich hier erg schuldig over. Hij durft het niet tegen zijn vader te zeggen omdat hij bang is dat hij straf krijgt. Hij bekent het tegen zijn moeder en voelt zich al iets beter. Mees gebruikt de media, in dit geval de televisie, om met zijn moeder te praten en om zich beter te voelen. De televisie heeft hier een psychologische functie. Hij zorgt ervoor dat Mees contact heeft met zijn moeder en dat hij zijn verhaal kwijt kan. De media heeft hier dus de macht.

            Nadat Mees het tegen zijn moeder verteld heeft zet hij de band stop en verschijnt ineens het nieuws. Dit is de eerste keer dat er iets anders verschijnt op de televisie dan het testbeeld, waar de tv constant op staat, of zijn moeder op de video. Maar dit heeft een functie. Door dit nieuws weet Mees dat er een feest is in Flevoland genaamd Cultureel Flevoland waar ook de koningin bij zal zijn. Hij bedenkt dat Tim daar waarschijnlijk ook wel aanwezig zal zijn en besluit om naar Flevoland te gaan om Tim op te zoeken en zijn zakmes terug te geven. De media heeft hier een informerende functie. Door het nieuws komt Mees erachter dat Flevoland in Nederland ligt, hij vraagt ook aan zijn vader:’Ligt Flevoland in Nederland?’ Die vertelt hem dat het zo is en Mees besluit naar Flevoland te gaan.

Media zorgt er hier voor dat het kind wat gaat ondernemen. Het heeft een stimulerende functie waardoor het kind zelf gaat nadenken over dingen. Het kind wordt hier als zelfdenkend individu geconstrueerd, wat weer te maken heeft met de notie van burgerschap dat kinderen autonome, zelfstandige individuen moeten worden.

 

Autoriteit:

Het thema autoriteit loopt als een rode draad door de aflevering heen. Als Mees erachter komt dat Flevoland in Nederland ligt vraagt hij het aan zijn vader die hem uitlegt dat Flevoland een provincie van Nederland is. In dit fragment komt naar voren dat de ouders van kinderen, kinderen moeten leren hoe de wereld in elkaar zit en als ze vragen hebben dat ze die dan moeten beantwoorden. Zo wordt een kind goed opgevoed en wordt het wereldwijs waardoor het een goede burger in wording is.

            Mees doorbreekt constant de regels waar een kind zich aan moet houden. Hij moet naar zijn vader luisteren maar die laat hem gewoon gaan, zonder vragen te stellen. Hierdoor kan Mees naar het station en naar Flevoland. De autoriteit ligt eigenlijk constant bij hem, dit zien we aan het POV-shot, alles is voortdurend vanaf Mees zijn oogpunt gefilmd. Dit verandert slechts één keer. Als Mees naar het station gaat moet hij een kaartje kopen bij de balie. Hier verandert het pov, we zien Mees hier vanaf de verkoopster aan de balie. Er wordt dus van bovenaf gefilmd waardoor hij ineens heel klein lijkt, echt een kind dus. Dit komt omdat hij hier ineens niet meer alwetend is, wat hij door de rest van de aflevering wel is, hij stelt allerlei vragen aan de verkoopster omdat hij niet weet hoe het werkt. Ook heeft hij te weinig geld bij zich waardoor hij geen kaartje kan kopen. Hij wordt hier weer als kind aangesproken. De verkoopster vraagt aan hem: ‘Weet je moeder dat je hier bent?’ Hier komt naar voren dat kleine kinderen eigenlijk niet alleen op stap mogen gaan zonder dat de moeder erbij is. Dit zijn beide noties van de Nederlandse maatschappij, kinderen mogen niet zomaar alleen ver weg omdat ze anders kunnen verdwalen of door vreemde mensen meegenomen worden. Ook is het in Nederland gebruikelijker dat een moeder voor de kinderen zorgt dan de vader.

            Mees stapt toch de trein in, zonder kaartje. Hier overtreedt hij dus weer de regels en heeft hij de macht terug over de volwassenenwereld. Als Mees de trein inkomt staart iedereen hem aan, omdat hij alleen is. Kleine kinderen mogen helemaal niet alleen met de trein. Hij gaat tegenover een dame zitten die vragen aan hem begint te stellen en hem een snoepje aanbiedt. Hij neemt het snoepje aan, weer een overtreding van de regels, neem nooit een snoepje aan van vreemden, wordt kinderen altijd geleerd. Hij wil het zakmes aan de mevrouw laten zien maar komt erachter dat het weg is. Gaat weer terug naar huis. De dame helpt hem hiermee. Mees dus geholpen door de volwassenen, hij verliest zijn greep weer op de wereld, hij is weer kind.

            Hij gaat naar huis, zijn vader is boos omdat hij zolang weg is gebleven. Hij vertelt het verhaal en hij krijgt huisarrest. ‘Wat is dat?’ vraagt Mees aan zijn vader. Hij heeft blijkbaar nog nooit eerder huisarrest gehad, de regels zo overtreden als nu. De vader heeft nu autoriteit over Mees. Hij is weer even kind. Het blijkt dat het huisarrest niet zoveel voorstelt, de vader is niet boos, hij was alleen ongerust. Mees behoudt de autoriteit.

            Eigenlijk komt in al deze waarnemingen naar voren dat het kind een zelfstandig denkend, autonoom individu moet zijn, Mees overtreedt voortdurend regels maar de straffen die erop staan zijn mild. Zo hoeft hij bijvoorbeeld als de conducteur in de trein langskomt geen kaartje te kopen. Van zijn vader krijgt hij huisarrest maar eigenlijk mag hij alles nog wat hij daarvoor ook deed. Het huisarrest stelt niet zoveel voor. Je mag regels overtreden als het voor een goed doel is.

Figure 21: fragment

 
video1
 


Aflevering 5: On Odvortonsio

Bandnummer: AR 29867 BCN

Viewingcopie: V 29867 VHS

Uitzending 08/02/1992

Begintijd: 00:01:44

Eindtijd: 00:21:02

 

 

Indirecte verwijzingen

 

Taal:

In dit gedeelte is gelet op het taalgebruik in de serie, taal is een belangrijk aspect van het Nederlander zijn, de Nederlandse identiteit. Men voelt zich verbonden omdat men dezelfde taal spreekt. Het is misschien voor de hand liggend om op taal te letten, maar omdat taal sterk naar voren komt in de fragmenten is besloten dit toch te analyseren.

In één van de eerste scènes zien we Mees, hij ontdekt dat hij het zakmes van zijn beste vriendje Tim nog heeft. Tim is verhuisd, Mees wil het teruggeven maar hij weet niet waar Tim woont. Op het moment dat Mees ontdekt dat hij het zakmes nog heeft roept hij: “Shit!”. Voor Nederlandse kinderen is het blijkbaar toegestaan om dit te zeggen, dit zal bij ieder gezin anders zijn maar de makers vonden het normaal genoeg om het te gebruiken. Dit heeft te maken met de Nederlandse identiteit, in Engeland zal je niet zo snel een kind het woord shit horen gebruiken op televisie. Shit heeft in Nederland niet zo’n beladen betekenis, daarom zullen kinderen het sneller gebruiken. Kinderen kopiëren van anderen, hun ouders of hun vriendjes.

Mees zit in de klas, de juf kondigt aan dat er een brief is gekomen voor de klas. Een brief van Tim. De juf heeft de brief op het bord overgeschreven. Een kind moet het voorlezen en het blijkt dat de brief vol spelfouten staan. De juf haalt de spelfouten eruit en doet dit erg overdreven, ze omcirkelt de fouten. Volgens de juf maakt Tim zoveel spelfouten omdat hij op een slechte school zit. Uit dit fragment blijkt dat een goede taalbeheersing belangrijk is, als de Nederlandse burger de taal niet goed beheerst kan dit als ‘dom’ worden gezien. Als men wil meedraaien in de maatschappij is een goede taalbeheersing een must. Dit kan gezien worden als een onderdeel van het Nederlands burgerschap.

In de brief van Tim zitten twee verwijzingen naar de Nederlandse natie, Tim schrijft dat de koningin bij hen was en dat hij heel hard gezongen had. Deze aspecten verwijzen naar Nederland, het feit dat er in de korte brief staat dat de koningin is geweest valt op. De makers hebben zo een verwijzing gemaakt naar het Nederlanderschap. Door deze kleine verwijzing weten kijkers dat de serie zich in Nederland afspeelt.

Tim eindigt zijn brief met Dog Mos, dit is de geheimtaal die Tim en Mees bedacht hebben. Zo weet alleen Mees wat Tim daarmee bedoelt, namelijk Dag Mees. Door deze geheimtaal heeft Mees meer macht dan de rest van de kinderen. Hij weet wat er staat, dit plaatst hem buiten/boven de rest.

Mees gaat naar een krant om een advertentie te plaatsen. Hier wordt weer verwezen naar taal. Mees leest het bord wat bovenop de drukkerij staat. Hij spelt het, zo weet hij dat hij goed zit, het is de Weesummer Courant. Binnen staat een vrouw achter de balie, er staat een  groot bord achter haar met daarop duidelijk iets geschreven. Mees kan het lezen maar de vrouw leest het nog eens extra voor. Ze neemt aan dat Mees nog niet goed kan lezen. Hier wordt de nadruk op het kunnen lezen gelegd, als Mees niet zou kunnen lezen dan zou hij ook niet weten waar hij moest zijn. Het is belangrijk dat kinderen kunnen lezen, verwijzing naar het burgerschap. Als men niet kan lezen kan men ook niet meedraaien in de maatschappij en is iemand ook geen goede burger.

Mees plaatst de advertentie voor Tim, hij wil hem vertellen dat hij zijn zakmes heeft maar Mees weet niet waar hij woont. Daarom plaatst hij de advertentie. De advertentie is in geheimtaal zodat niemand het kan lezen behalve Tim. De geheimtaal is een verwijzing naar het kind zijn. Kinderen hebben soms geheimpjes en willen dit niet delen met volwassenen. De geheimtaal is een manier om met elkaar te communiceren zonder dat iemand weet waar het over gaat. Ik denk niet dat dit bij de Nederlandse identiteit hoort, het is meer een verwijzing naar de kindertijd.

 

Nostalgie:

Het idee van nostalgie komt ook naar voren in de serie. De hele sfeer die om de serie heen hangt is nogal ouderwets. De vader van Mees en de juffrouw op school zijn erg ouderwets gekleed. De vader van Mees draagt een broek die je vroeger veel zag, een blouse die hooggesloten is met een strikje. Daaroverheen draagt hij een hesje. Deze kleding zie je tegenwoordig weinig meer. De juffrouw draagt een lange rok, een ouderwetse blouse en een rode gestrikte lint om haar blouse af te sluiten. Ze is het prototype strenge juf, ze heeft haar haar in een knot, praat bekakt en het zou de kijker niets verbazen als ze met haar aanwijsstok eens een flinke pets uit zou delen. Deze juffrouw is een typische juf die vroeger voor de klas stond, toen de scholen nog autoritair waren en kinderen normen en waarden moesten leren. Als kinderen niet deden wat de juf of meester zei kregen ze gewoon een klap, dit werd als normaal gezien. De juf is een verwijzing naar vroeger.

Deze aflevering brengt een wereld die te overzien is. Het speelt zich af in een klein dorp waar iedereen elkaar kent. Er zijn vier ruimtes waar het verhaal zich afspeelt, op school, thuis, in de drukkerij en de ruimte voor de drukkerij. Erg overzichtelijk. Dit zou een verwijzing kunnen zijn naar de hedendaagse roep om burgerschap, door technologische ontwikkelingen van bijvoorbeeld tv, internet en satellieten, ligt de hele wereld binnen handbereik. Door het openstellen van de grenzen komen er steeds meer buitenlandse invloeden ons land binnen. Het burgerschap is in gevaar, vindt de politiek. In deze aflevering zijn al deze nieuwe invloeden niet terug te vinden, het doet daarom nogal ouderwets en nostalgisch aan. Het lijkt een hang naar ‘de goede oude tijd’, waarin burgers nog goede burgers waren en hun rechten en plichten kenden.

 

Media:

Text Box: Figure 22: fragmentDe media zijn een belangrijke plaats waarin de Nederlandse identiteit gerepresenteerd en geconstrueerd zou kunnen worden. Ook in Het Zakmes wordt er een link gelegd tussen media en nationaal bewustzijn. Wanneer Mees een advertentie zet in de krant wordt er bijvoorbeeld herhaaldelijk gezegd en gezongen: ‘een advertentie in de krant, leest het hele land’. Nationaal bewustzijn via de krant (burgers weten wat er in het land speelt door inzicht te hebben in de publieke sfeer) en het belang dat hieraan wordt gehecht, blijkt een terugkerende thema te zijn dat een plaats heeft in de dagelijkse praktijk: vader heeft nonchalant een krant in zijn boodschappentas zitten, de juf heeft er eentje in haar la. Toch kan deze kennis niet probleemloos verbonden worden met autoriteit zoals de voorgaande waarnemingen doen vermoeden. De nationale kennis die de krant namelijk voortbrengt wordt namelijk gerepresenteerd als een illusie. Bijvoorbeeld wanneer Mees er achter komt dat de krant niet door iedereen wordt gelezen. Mees:’zijn er dan twee kranten? Vader: ‘wel honderd’. En wanneer zijn moeder hem vertelt dat iedereen in Weesum de Weesummer Courant leest, behalve zij, omdat zij De Wereld lezen, die iedereen in Nederland kan lezen. In het narratief van Het Zakmes wordt de Nationale kennis die de krant aan burger biedt en de hiermee verbonden waarheid over het land dus sterk gerelativeerd.

 

            Dit gebeurt ook in het geval van de televisie als medium dat een Nationaal ‘wij-gevoel’ zou kunnen creëren. De televisie is in het programma gerepresenteerd. Maar in Het Zakmes heeft de televisie slechts de functie als ‘meubelstuk’, en is de nieuws en media waarde van de televisie geheel afwezig. Hoewel de televisie als apparaat een belangrijke plaats in het beeld inneemt in het huis van Mees, staat deze televisie immer op het testbeeld, en wordt hij gebruikt als tafeltje waar van alles op gezet kan worden. De televisie wordt als ‘betekenisloos’ onderdeel van de huiskamer gerepresenteerd, waarbij het idee van ‘voor de televisie eten’ een letterlijk in beeld wordt gebracht wanneer vader de kaasfondue van het apparaat af eet. In Het Zakmes is de televisie als medium dus wel aanwezig, maar ontdaan van al zijn betekenissen door gerepresenteerd te worden als ‘meubelstuk’.

           

Rood:

De kleur rood een belangrijk teken in deze aflevering te zijn. Zoals Stuart Hall in zijn boek Representation [53]beschrijft, kunnen kleuren allerlei verschillende betekenissen connoteren. De kleur rood kan bijvoorbeeld staan als teken voor gevaar, bloed, liefde, ‘gezelligheid’, maar ook voor goedkoop en sexy. Deze verschillende betekenissen voor de kleur rood komen allemaal aan bod in de aflevering: het zakmes is rood hetgeen voor gevaar staat (vader zegt steeds: ‘pas op!’). Mees snijdt zich aan het mes en gaat bloeden.  Het hele huis van Mees is doordrongen van rood; rood/wit gestreepte stof en iedereen draagt rode kleding (Mees, vader en moeder: ‘gezelligheid’); de jufvrouw aan de balie van de krant (dom sexy type dat t over de ‘mooie mannen’ heeft in de drukkerij) draagt rode lippenstift. Door de kleur rood van deze verschillende betekenissen te voorzien, en deze betekenissen ook expliciet te representeren worden de kijkers dus geïntroduceerd in de belangrijke thema’s binnen de Nederlandse cultuur. Want wanneer een autoriteit (ouders/juf) stelt dat iets gevaarlijk is, (mes)  is het maar het slimst als je ze gehoorzaamt (bloed) omdat ze het namelijk goed bedoelen (rode kleding; gezelligheid) terwijl je jufvrouwen met rode lippenstift niet serieus hoeft te nemen. De kleur rood kan op deze manier dus op een meer verborgen niveau belangrijke kenmerken van de Nederlandse cultuur representeren. Waarbij de autoriteit van de ouders, juf en andere volwassenen niet iets is dat afgedwongen wordt, maar als het ware door de volwassenen verdiend wordt door hun kennis van de verschillende betekenissen van het teken.

 

Autoriteit:

Het issue van autoriteit blijkt een belangrijk thema in de aflevering te zijn, wanneer wij de ‘blikken’ binnen de story-world nader beschouwen. Alle scènes zijn opgenomen vanuit een ‘kinderstandpunt’, ofwel als POV van Mees, ofwel als camera/kijkerblik vanaf kinderhoogte. Dit houdt in dat  blijkbaar de macht van de Gaze bij het kind ligt (via Mees, of de tv-kijker als kind). Kinderen hebben dus een autoriteit binnen deze aflevering van Het Zakmes. Slechts op een tweetal plaatsen verliest het “kind’ zijn autoritaire blik. Ten eerste op het moment dat de juf een vraag stelt aan de klas, waarop zijzelf het antwoord al weet maar de kinderen niet. Een vraag waarop de kinderen helemaal het antwoord niet konden weten, waardoor de vraag dus een onnodige benadrukking van de autoriteit van de juf is. Op het moment dat deze ongepaste vraag gesteld wordt, ziet de kijker Mees vanuit de POV van de juf als dom-nietswetend kind, dat nog veel moet leren. Deze toewijzing van de macht van de Gaze aan de juf, wordt getoond als een moment waarop volwassenen op een ongepaste manier kinderen op een ‘kinderachtige manier’ benaderen. In het volgende shot neemt Mees de blik weer over, waardoor getoond wordt dat het hele verhaal van Het Zakmes vanuit het oogpunt van het kind wordt verteld. Iets dat dit kind prima kan, zolang er maar niet wordt ingegrepen in zijn belevingswereld door volwassen autoriteit. Net als bij de representaties van de media en taal wordt de autoriteit van volwassenen dus ondermijnd. Dit is ook het geval op het tweede moment dat de Gaze door een volwassene wordt toegeëigend. Wanneer Mees voor de eerste keer de mevrouw achter de balie van de krant ontmoet, neemt zij hem niet serieus. Op dit moment zien wij vanuit haar POV Mees maar net boven de balie uitkomen. Wanneer zij hem vervolgens voor de tweede maal ziet lopen, is het camera standpunt weer op ‘kinderhoogte’ en neemt de jufvrouw Mees wel serieus. Ook in dit geval wordt een inbreuk in de autonomie van het kind gerepresenteerd via een verlies van de autonome kinder-blik, een blik die snel weer hersteld moet worden.

 

 

Aflevering 6: 3 x 3 = 9

Bandnummer: AR 29867 BCN

Viewingcopie: V 29867 VHS

Uitzending 15/02/1992

Begintijd: 00:21:17

Eindtijd: 00:38:27

 

Directe verwijzingen:

 

De enige directe verwijzing naar Nederland is het landschap buiten. Tim loopt samen met zijn vader een winkel binnen waar trommels verkocht worden. Deze winkel is gelegen aan een gracht. Hier zou men aan kunnen zien dat het verhaal zich in Nederland afspeelt.

 

Indirecte verwijzingen

 

Media:

De vader van Mees heeft een uitvinding. Trots laat hij het zien aan Mees en zijn moeder, die er nu wel is. Het is een ruitenwisser voor op de televisie. Omdat er steeds etenswaren over de tv heen gaan, wordt zo de televisie automatisch schoongemaakt en hoeft zijn vader hem niet meer af te doen. Mees gooit vervolgens een tomaat tegen het beeld om te testen of hij het echt doet. De ruitenwisser werkt en het beeld is weer schoon. De ruitenwisser zorgt er dus voor dat de familie voortaan gewoon televisie kan kijken zonder dat ze hem eerst schoon moeten maken.

Voor de tweede keer in de serie is er een echt programma te zien op de tv namelijk,

3 x 3 = 9. Dit programma toont kinderen die muziek maken, ze zingen of spelen een stukje op een instrument en dit wordt uitgezonden. Uiteindelijk is er een winnaar. Mees komt hierdoor op een idee, hij komt er, door het aan zijn ouders te vragen, achter dat dit programma in Nederland wordt uitgezonden en ook dat Tim het dan ziet. Hij besluit om aan het programma mee te doen en gaat een liedje schrijven, hij gebruikt zijn trommel als muziekinstrument.

            De televisie in dit fragment een educatieve functie. Door het programma weet Mees wat hij moet doen om het zakmes aan Tim terug te geven. Hij leert dat het programma in Nederland wordt uitgezonden en ontdekt dus de invloed en de macht van de media. De media dragen bij aan de kennis van Mees, zijn algemene ontwikkeling wordt verbreed door de media.

Vader, moeder en Mees kijken met z’n allen naar het programma. Dit is de eerste keer dat ze iets samen doen in de serie.

             De eerst keer dat het gezin wat samen doet kijken ze naar de televisie. De tv verenigt het gezin, dit is een verwijzing naar vroeger. Toen zaten mensen bij elkaar tv te kijken omdat nog niet iedereen een televisie had. Later kregen steeds meer mensen een tv en werkte het juist isolerend. Het lijkt erop dat hier een roep is naar de goede oude tijd toen men nog met het hele gezin voor de buis naar één programma keek.         

 

Autoriteit:

Mees zit met zijn ouders in de keuken, hij begint samen met zijn moeder suiker naar elkaar te gooien. Ze zitten als een stel kleine kinderen te giebelen en suiker te gooien. Er wordt totaal niet ingegrepen door de ouders en één van de ouders doet zelfs mee. Mees heeft hier dus weer de autoriteit, hij krijgt geen standje.

Mees gaat samen met zijn vader op auditie voor het programma. Mees heeft een liedje geschreven. Op de auditie zitten allemaal ouders met kinderen. Mees zijn vader springt eruit omdat hij er een beetje vreemd uitziet. Hij heeft een soort Tiroler pakje aan en wil Mees begeleiden op de accordeon. Als Mees naar binnen wordt geroepen mag zijn vader niet mee naar binnen, het is immers alleen voor kinderen. Mees heeft hier de macht, zijn vader wordt meer als een kind behandelt door de producer van het programma dan Mees. Het kind staat hier boven de volwassene.

Mees gaat samen met zijn vader een nieuwe trommel kopen voor zijn verjaardag en voor zijn optreden op televisie. Ze komen in een winkel waar muziekinstrumenten verkocht worden, trots vertelt zijn vader dat Mees op tv komt aan de verkoper. Ondertussen slaat Mees met zijn stok op alle trommels die er staan. De verkoper kijkt afkeurend, Mees breekt weer een regel, maar zijn vader praat onverstoord door over zijn optreden en geeft hem geen straf. Hij krijgt zelfs een beloning, een nieuwe trommel. Uit deze scène blijkt dat Mees een hele vrije opvoeding krijgt, de verkoper kijkt immers afkeurend terwijl zijn vader zich van geen kwaad bewust is. Je ziet de verkoper denken, als het mijn kind was dan had ik allang ingegrepen. De verkoper zegt echter niks omdat dat niet netjes is, mensen bepalen zelf wel hoe hun kind opgevoed wordt. Het individuele, het niet bemoeien met andermans zaken is iets wat de Nederlandse identiteit kenmerkt.

In al deze fragmenten heeft Mees steeds de macht, alles wordt vanaf zijn pov gefilmd, geen een keer verliest hij de autoriteit.

 

 

Aflevering 7: Op tv

Bandnummer: AR 29867 BCN

Viewingcopie: V 29867 VHS

Uitzending 22/02/1992

Begintijd: 00:38:48

Eindtijd: 00:55:25

 

Directe verwijzingen:

 

Directe verwijzingen naar de Nederlandse natie zijn te vinden in het landschap. Als Mees met zijn vader en moeder door de stad wandelt op weg naar de studio lopen ze langs een kanaal.

            Als ze bij het station zijn aangekomen betalen ze de kaartjes met Nederlands geld en we zien weer de treinen van de NS.

 

Indirecte verwijzingen

           

Taal:

Taal speelt in deze aflevering weer wel een belangrijke rol. Mees heeft een liedje voor Tim geschreven waardoor hij hem kan laten weten dat hij zijn mes heeft en dat hij het terug kan geven. Als Mees het liedje voor zijn vader en zingt, zingt hij het liedje in het ‘gewone’ Nederlands. Als Mees echter het liedje voor de camera zingt en het komt op televisie, zingt hij een ander liedje in de geheimtaal die alleen Tim kent. Op deze manier worden Tim en Mees afgezonderd van de rest van Nederland. Alleen zij kennen de betekenis van de woorden die Mees zingt en zo weet Tim dat de boodschap voor hem bedoelt is. De taal plaatst Tim en Mees buiten de rest en geeft hun de macht.

             

Media:

Text Box: Figure 23: Mees is op televisieDe media speelt in deze aflevering een cruciale rol. De media is hier de probleem oplosser. Doordat Mees in dat programma komt krijgt Tim uiteindelijk zijn zakmes terug en daar draaide heel de serie om. Na heel veel moeite gedaan te hebben om het zakmes terug te geven, is de media degene die alles oplost. Tim blijkt vlak bij de studio te wonen, zijn moeder heeft hem snel erheen gebracht zodat hij Mees kan vinden en zijn mes terugkrijgt. Er wordt dus vanuit gegaan dat het programma live is, anders heeft het natuurlijk geen zin om naar de studio te gaan. Mees maakt de veronderstelling dat iedereen naar het programma kijkt, hij gaat uit van de macht van de media die ervoor zorgen dat, dat programma bij iedereen op de tv verschijnt en iedereen ernaar kijkt.

De media zorgt er in deze aflevering voor dat Mees weer eens samen met zijn vader en moeder wat gaan doen. Zijn moeder heeft het altijd te druk, ze kan nooit ergens mee naartoe maar als het dan opeens om de media (televisie) draait wil ze wel mee. De moeder lijkt verbonden te zijn met de televisie. Als Mees haar in het begin wil spreken zet hij de tv aan met de video, ze zijn voor het eerst samen als gezin voor de tv en zijn moeder gaat alleen maar mee naar zijn tv-optreden. Zijn moeder heeft een hele grote zonnebril op omdat ze niet herkent wil worden.

 

Autoriteit:

Mees heeft zich netjes aangekleed voor zijn tv-optreden. Hij heeft een colbertje aan met een blouse en een strikje. Hij heeft alleen een korte broek aan, er komt niet naar voren of hij dit zelf wil of dat hij gewoon vergeet om een lange broek aan te trekken. Zijn ouders zeggen er echter niks van en ook in de studio vindt niemand het raar. Dit is iets wat erg opviel, waarom heeft hij een korte broek aan? Zoiets van ach het is een kind, laat maar?

            Mees heeft zijn optreden gedaan en gaat weer bij zijn ouders zitten, die zijn erg trots op hem. Dan komt Tim opeens om de hoek, hij tikt Mees aan. Mees is erg blij hem weer te zien en glipt weg. Ze praten wat, blij dat ze elkaar weer zien, Mees geeft eindelijk het zakmes terug aan Tim. De uitslag van de wedstrijd wordt bekend en Mees heeft gewonnen. Maar Mees is weg en zijn ouders hebben dit niet gemerkt. Hier wordt dus weer de autoriteit van de ouders ondermijnt. Ze worden als slechte, onoplettende ouders neergezet. Er wordt hier impliciet gezegd dat goede ouders verantwoordelijk zijn en op hun kinderen behoren te letten. Als een kind goed opgevoed wordt, wordt hij later ook een goede burger.

            Mees ondermijnt de autoriteit constant en legt de macht bij zichzelf neer. Het kind wordt hier dus geconstrueerd als zelfdenkend, kritisch individu.

           

4.4 Conclusie beeldanalyse

 

In het zakmes is niet duidelijk sprake van een ‘Nederlandse identiteit’. We zien op empirisch niveau wel elementen als sluizen, koningin Beatrix, kinderen met Nederlandse vlaggetjes en fietsen, maar dit is enkel plaatsing van de serie in Nederland. Deze plaatsing kan het effect hebben van het gevoel van eenheid, van het Nederlander zijn, maar het geeft niets aan over de manier waarop dit Nederlanderschap ingevuld moet worden.

De televisie fungeert als een meubelstuk, hij staat vrijwel altijd op testbeeld e elke aflevering valt er iets overheen. De televisie is ook een bindende factor tussen Mees en zijn moeder wanneer zij aan het werk is. Mees kijkt namelijk naar een videoband als hij zijn moeder wil zien en praat op die manier ook met haar. Maar de televisie verbindt ook het hele gezin. Ze zijn samen als ze televisie kijken of als ze naar het programma 3 x 3 = 9 gaan waar Mees gaat optreden. De televisie zorgt ervoor dat Mees wat gaat ondernemen. Het kind wordt gestimuleerd om zelf na te denken. De televisie zorgt voor een verbreding van de algemene kennis van Mees, hij ontdekt dat het programma in Nederland wordt uitgezonden en weet dan wat hij moet doen om het zakmes aan Tim terug te geven. Ook vindt Mees via de televisie zijn vriendje Tim terug.

In de serie komen verschillende burgerschapsidealen aanbod, naast het feit dat kinderen zelf moeten leren nadenken. We zien dat Mees in gaat tegen de traditionele idealen doordat hij voortdurend de regels overtreedt. Maar hij gaat creatief met de regels om. Om een hoger doel te kunnen bereiken. Namelijk het terug brengen van het zakmes aan zijn vriendje Tim. Ook is het zo dat de juf en school staan voor de opvoeding tot een goed burger. Zo zegt de juf dat kinderen moet leren lezen, rekenen en schrijven als de beste. De ouders van Mees staan voor het tegenover gestelde. Vader doet wanhopige pogingen om een goede huisman te zijn, maar op veel momenten is hij niet de strenge opvoeder. Mees luistert niet vaak naar hem en vader is veel bezig met andere dingen. Moeder komt niet veel in beeld, zij is altijd aan het werk. Wanneer zij eenmaal in beeld verschijnt,  gedraagt zij zich als een kind waardoor vader de strenge opvoeder moet zijn en dan ook is.

De Nederlandse taal fungeert als middel van macht. De geheimtaal van Tim en Mees plaatst hen buiten de rest. Door middel van de geheimtaal weet Tim uiteindelijk dat Mees zijn zakmes heeft. Ze trekken op bepaalde momenten met hun geheim taal de autoriteit naar zich toe doordat anderen hen niet kunnen verstaan. Op die manier ondermijnen ze op school, de autoriteit van de juf.

Autoriteit, geeft het burgerschapsideaal weer. Doordat Mees voortdurend de regels overtreedt en op deze manier de autoriteit van de volwassenen overneemt bereikt hij zijn doel. Hij krijgt de burgerschapsidealen aangereikt en gaat hier op geheel eigen wijze mee om. Zo wordt hij een reflexief persoon. In de Televisieserie Het Zakmes wordt op deze manier het ideaal van de zelfdenkende, autonome burger, die zoekt naar zijn eigen plaats binnen de heersende regels gerepresenteerd. Kinderen worden daarbij beschouwd als ‘burgers in wording’ die nog moeten leren, op welke manier ze moeten omgaan met deze regels en gedragscodes.


 Analyse Madelief

 

Aflevering 1: Madelief’s nieuwe hoofd

 

Het eerste shot is vanaf het pov van de grond. We zien alleen benen. Madelief zoekt haar kat, het is dus de pov van de kat. De kat heeft hier de macht want hij verstopt zich voor Madelief en zij weet niet waar hij is. Het pov verandert van laag naar hoog. We zien Madelief de kat zoeken. Madelief pakt koekjes uit de trommel boven op de koelkast. Dit is van bovenaf gefilmd, we zien hierdoor dat Madelief er bijna niet bij kan. De koekjes zijn expres op de koelkast gezet zodat zij er niet bijkan. Eigenlijk mag ze de koekjes niet hebben. Madelief overtreedt hier de regels. (zie figuur 11)

            Madelief pakt een blikje kattenvoer uit de kast en lokt zo de kat. Ze probeert hem te pakken maar hij rent naar boven de trap op. Als Madelief de trap oprent, wordt er vanaf beneden gefilmd, vanaf haar pov, de trap ziet er dus erg hoog uit. In Madelief’s kamer, de kat is in de gordijnen geklommen. Ze probeert de kat te pakken te krijgen. Ze klimt op een stoel, haar schoenen worden gefilmd en we zien dat de stoel gevaarlijk wiebelt. Hier wordt de nadruk gelegd op dat het gevaarlijk is om op een stoel te gaan staan. (zie figuur 12)

            De deurbel gaat, we zien haar moeder achter een computer zitten. Ze roept Madelief, maar die heeft het te druk. Daarom doet haar moeder de deur open. Er wordt nu weer gefilmd vanuit het pov van een kind. We zien de vriendjes van Madelief, Jan-Willem en Roos. De moeder roept Madelief, we zien Madelief vanaf boven gefilmd. Ze probeert de kat uit de gordijnen te trekken, weer is de wankele stoel te zien. Madelief valt op het bed samen met de kat. Jan-Willem en Roos komen binnen, op kindhoogte gefilmd. Ze vragen wat Madelief aan het doen is, Roos aait de kat, de kat krabt haar. Madelief zegt daarop dat hij heel lief en gehoorzaam is, dan krabt hij haar ook. Ze zegt dat de kat maar speelt. Madelief heeft hier de autoriteit en wil die niet verliezen daarom zegt ze dat de kat maar speelt.

            Jan-Willem vraagt of het pijn doet, het bloedt zegt Roos. Ze beginnen dan alledrie verhalen te vertellen over dingen die er gebeurd zijn toen ze jong waren. Jan-Willem vertelt het verhaal dat toen hij drie was hij tegen de tafelpunt was gevallen en een bult had zo groot als een.. ondertussen zien we een bult groeien op zijn hoofd, als een tennisbal zegt Madelief. Hier is duidelijk de kinderfantasie in verwerkt. Het feit dat Madelief en Roos de bult ook echt zien groeien duidt op fantasie. Madelief is de wijsneus die de zin van Jan-Willem afmaakt.

            Roos vertelt dan dat toen ze vier was ze in glas had gestapt en ontzettend bloedde. Ze wordt in de wachtkamer gezet met allerlei ingezwachtelde mensen (mummies). De voet is te zien en er stroomt letterlijk bloed uit. Hier komt in naar voren dat kinderen fantaseren en het dan altijd erger maken dan dat het is. De mensen hebben het over haar en denken dat ze doodbloedt. Daarom mag ze voorgaan. Al die mensen zitten dus helemaal in het verband, maar zij mag voor omdat ze iets heel ernstigs heeft.

            Jan-Willem vertelt dat hij een keer in het zwembad is gevallen. We zien hem rennen over de rand van het zwembad, er wordt afgewisseld tussen shots van zijn voeten en van zijn gezicht. Zo wordt er spanning opgebouwd want hierdoor verwacht men eigenlijk dat hij gaat vallen. Hij valt dan ook op zijn kin, dit gebeurt in een slow motion. Hij springt daarna gewoon het water in, de badmeester roept tegen hem dat hij eruit moet omdat hij een hele bloedvlek in het water achterlaat. Dit zien we pas als het van boven gefilmd wordt.

            Madelief vertelt dat ze vroeger een ander hoofd had. We zien Madelief, maar met een ander hoofd, via een over the shoulder, naar een wasmachine lopen. Ze steekt haar hoofd in de wasmachine. De machine slaat op hol. Dan zien we een shot van het hoofd dat in de machine zit. Samen met haar moeder loopt ze door het bos zonder hoofd. Ze komen bij de dokter, deze heeft achter een gordijn allemaal hoofden staan. Moeder kiest een hoofd uit, ze schroeven het erop, kijken in de spiegel maar Madelief zelf vindt het niks. Ze kiezen een ander hoofd, dit is Madelief’s huidige hoofd. We zijn terug in Madelief’s kamer. Jan-Willem zegt dat je geboft heeft met het hoofd, Roos bevestigt dit.

            Deze laatste scènes zijn typisch kinderpraat. Ze willen opscheppen naar elkaar en maken de verhalen steeds bonter en erger. Madelief heeft het raarste verhaal en heeft daardoor een soort ‘gewonnen’. Ze staat hier boven de andere twee en heeft zo de meeste macht.

 

Aflevering 2: Jan-Willem is brutaal

 

Directe verwijzingen naar natie:

Als Jan-Willem naar de supermarkt gaat staat er reuzegoed en goedkoop op het wagentje. Er zijn borden met aanbiedingen te zien. Hier komt duidelijk de Nederlandse taal naar voren, zo weet de kijker dat de serie zich in Nederland afspeelt.

            Als Jan-Willem boodschappen gaat doen moet hij betalen, we zien hier Nederlands geld, verwijzing naar Nederland.

            Na het boodschappen doen rent Jan-Willem naar huis, we zien een fietsbord en een fiets. Jan-Willem rent naar buiten en er is een typisch Nederlandse nieuwbouwwijk te zien. We zien Madelief op haar fietsje met een oranje vlaggetje, dit oranje vlaggetje was typisch iets wat ten tijde van het maken de serie, ieder kind had.

 

Indirecte verwijzingen

 

Autoriteit:

Er zijn vissen in een aquarium te zien. Jan-Willem en Madelief kijken ernaar. De vis is zwanger, ze vragen zich af hoe dat kan. We zien hen kijken in de kom, er is vanaf de andere kant van de kom gefilmd. Het shot verandert van Madelief en Jan-Willem naar zijn moeder die binnenkomt. Jan-Willem durft geen poep te zeggen, er hangt namelijk een sliert poep aan een vis. Madelief vraagt wat het is, ze weet wel wat het is maar ze weet ook dat Jan-Willem geen poep durft te zeggen, daarom vraagt ze het. Madelief vraagt dan of Jan-Willem ook niet durft te vrijen. Vrijen? Vraagt hij, ja dit, zegt Madelief en ze geeft hem een kus. Oh dat, zegt Jan-Willem. Madelief vraagt weer wat die sliert aan de vis is, Jan-Willem zegt zachtjes, druk, Madelief lacht heel hard.

            In deze scène komt naar voren dat Madelief het brutale meisje is dat alles weet en alles durft te zeggen. Jan-Willem is wat meer verlegen, hij durft minder dan Madelief. Madelief heeft hier de macht.

            Madelief loopt naar Jan-Willem’s moeder toe, ze vraagt: ‘weet u hoe Jan-Willem poep noemt, druk!’ Ze lacht weer maar moeder kijkt erg streng. Ze gaat dan maar buiten spelen, hier is gefilmd vanuit pov van Madelief waardoor de moeder erg groot lijkt. Ze intimideert Madelief hier bij wijze van spreken, het is de volwassene waar Madelief even denkt dat ze de autoriteit over heeft, maar dit blijkt niet zo te zijn.

            De moeder van Jan-Willem roept hem en kijkt heel streng. Hij denkt dat hij straf krijgt, maar ze vraagt of hij boodschappen wil doen. Hij is zichtbaar opgelucht, hij slaakt een diepe zucht. We zien dit in een close up van hem. Moeder heeft autoriteit.

            Jan-Willem is in de supermarkt, het is gefilmd vanaf boven, waarschijnlijk is het de bewakingscamera. Er volgt een pan langs de rekken vanuit zijn pov. Hij gaat een pad in en ziet mensen in witte jassen artikelen stickeren.

            Jan-Willem loopt langs de vleeswaren, ze glijden voorbij in een pan, er wordt afwisselend een shot getoond van de vleeswaren en Jan-Willem. Er is een tilt omhoog naar de slager. Hij vraagt ham, de slager vraagt, wat voor ham? Hij noemt verschillende hammen op, uiteindelijk kiest hij schouderham, hij vraagt hoe hij de ham wil, Jan-Willem weet het niet. De slager snijdt het dan maar. Jan-Willem is hier het onwetende kind, de slager heeft de autoriteit omdat hij meer kennis heeft dan Jan-Willem

            Bij de groenteboer, een vrouw dringt voor, Jan-Willem laat haar begaan en speelt met de boodschappenkar. Als de vrouw weg is vraagt de verkoopster wat hij wil. Er vallen verderop een heleboel potten om, Jan-Willem kijkt ernaar, als hij weer naar de vrouw kijkt, staart ze hem verveeld aan. Jan-Willem vraagt om een kilo aardappels. Welke, vraagt de vrouw. Gewoon aardappels, zegt Jan-Willem. Er zijn drie soorten, intussen is er een andere vrouw binnengekomen. Ze wisselt veelbetekende blikken met de verkoopster, dat kind snapt het niet en houdt de boel op. De verkoopster pakt aardappels voor hem, hij wil dan toch weer andere. Daarna vraagt hij om appels, de verkoopster beslist meteen, goudrenetten. Ze vraagt dan of het iets meer mag zijn. Jan-Willem snapt het niet. Die appels, zegt de vrouw geïrriteerd. Vervolgens zien we Jan-Willem vanuit haar pov, daarvoor was alles vanuit zijn pov gefilmd, Jan-Willem staat voor haar met daaromheen allerlei mensen die wachten op hun beurt. Jan-Willem lijkt zo kleiner. (zie figuur 13) Ze moeten allemaal in de rij staan omdat Jan Willem zo langzaam is. Hij zegt dan met een zacht stemmetje: ‘nou goed, doet u maar.’ De mevrouw die na hem aan de beurt is maakt meteen een goede bestelling. Jan-Willem is hier duidelijk het kind dat niets weet, hij verliest hier alle autoriteit aan de volwassenen. Ze behandelen hem ook niet echt als kind, ze zijn niet aardig tegen hem en vragen zich af wat hij eigenlijk in de supermarkt komt doen. Dat is toch niks voor kinderen in hun eentje! Hij loopt daarna door de paden naar de kassa, iedereen staart hem aan, dit versterkt ook weer het gevoel dat ze hem allemaal maar een dom kind vinden.

            Hij komt bij de kassa, de caissière kijkt al verveeld. Jan-Willem heeft niet genoeg geld bij zich, dit zegt de caissière dan ook. Maar ik heb niet meer, Jan-Willem kijkt erg ongemakkelijk en voelt zich heel klein. Daarop ontdooit de vrouw en ze zegt dat hij het later mag brengen. Dit is een typische scène uit een kindertijd, volgens mij heeft elk kind weleens met te weinig geld aan de kassa gestaan. Ook hier heeft Jan-Willem weer geen autoriteit.

            Hij rent naar huis en zijn huis binnen, hij gooit de boodschappen op de grond, dit is van achteren gefilmd. Hij roept tegen zijn moeder dat hij een kwartje tekort komt maar dat hij het niet gaat brengen. Zijn moeder roept dat hij dat wel moet doen. Hier komt het burgerschap om de hoek kijken, je moet wel eerlijk zijn. Jan-Willem roept heel hard ‘Nee!’ Hij rent naar buiten, we zien Madelief op haar fiets met een oranje vlaggetje erop. (zie figuur 14) Jan-Willem zit sip in een plantenbak. Madelief vraagt wat er is, Jan-Willem huilt, ze probeert hem te troosten. Dan komt Jan-Willem’s moeder en neemt hem mee naar huis terwijl ze hem troost.

 

Aflevering 3: Hond

 

Directe verwijzingen::

 

Jan-Willem en Roos zijn in een park met op de achtergrond water met typisch Nederlandse

nieuwbouw huizen. Roos komt aanlopen, om de achtergrond staan auto’s met Nederlandse kentekens.

 

Indirecte verwijzingen

 

Autoriteit:

Madelief is op straat aan het hinkelen. Ze ziet Roos, de hond en de man aan komen rennen. De hond blaft tegen Roos, ze vindt dit eng. Madelief blaast op haar fluitje, de hond rent naar haar toe. Ze roept dat hij weg moet gaan, jankend rent hij weg. Madelief is hier het stoere meisje dat de enge hond wel even vertelt dat hij weg moet gaan.

Roos vertelt aan Madelief dat Jan-Willem door grote jongens gevangen is. Ze rennen naar de plek en gaan de bosjes in. Ze horen Jan-Willem gillen en zien hem dan, hij is vastgebonden aan een boom. Er is indianen muziek te horen. De jongens steken een pijp aan, ze spelen dus blijkbaar ‘indiaantje’ en hadden een slachtoffer nodig die hun gevangene moest zijn. Madelief roept opeens: ‘He daar!’ en stapt uit de bosjes, Roos is bang en probeert haar tegen te houden. Madelief stapt uit hun schuilplaats, Roos blijft zitten. Madelief zegt tegen de jongens dat ze blij is dat Jan-Willem gepakt is en geeft hem stiekem het fluitje. Ze vertelt de jongens dat Jan-Willem een grote, gemene hond heeft en of ze zijn fluitje afgepakt hebben, de jongens kijken een beetje angstig. Jan-Willem blaast op de fluit, de hond komt aangerend, de jongens vluchten weg. Het baasje komt de bosjes in, geeft de hond een standje en neemt hem mee. Hij heeft geen controle over de hond. Jan-Willem is vastgebonden maar hij loopt gewoon weg.

In deze scènes komt naar voren dat Madelief de autoriteit heeft, Roos vraagt haar om hulp omdat ze het zelf niet durft op te nemen tegen de grote jongens. Madelief zorgt er uiteindelijk in haar eentje voor dat Jan-Willem bevrijdt wordt. Zij heeft de macht over de grote jongens, Roos, de hond, zijn baasje en Jan-Willem. Het baasje, de volwassen man, heeft totaal geen macht in deze aflevering. Zijn hond ontsnapt hem steeds en als hij ziet dat Jan-Willem zit vastgebonden zegt hij er ook niks van. Als ‘verantwoordelijke’ volwassene zou hij er toch wat van moeten zeggen. (zie figuur 15)

 

Aflevering 4: De onderzeeër

Directe verwijzingen:

 

In het aquarium van Jan-Willem loopt een kleine duiker, deze plant een Nederlandse vlag in het aquarium. Het lijkt een soort verwijzing naar de eerste landing op de maan.

 

Text Box: Figure 24: Jan-Willem en de onderzeeerIndirecte verwijzingen

 

Autoriteit:

Madelief en Roos kijken samen tv bij Jan-Willem thuis, ze kijken naar een Duitse serie. Madelief vertelt aan Roos dat de ene man boos is op de ander. Roos zegt dat ze elkaar zullen doodmaken. Madelief is het hier niet mee eens, ze zegt dat er een goede en een slechte zijn en de goede zal de slechte doodmaken. Madelief is hier de wijsneus die het beter weet, zij heeft de macht. (zie figuur 16)

            Als de serie is afgelopen hebben Madelief en Roos nog een kleine discussie. Madelief zegt dat over een man dat hij nog wel doodgemaakt wordt. Nee joh, zegt Roos, het is afgelopen. In deze scène is het dus andersom, Roos weet het hier beter dan Madelief en heeft voor een keer de macht.

 

Media:

Madelief en Roos bespreken de serie, het is een Duitse serie maar toch begrijpen ze hem. Dit zegt iets over de universaliteit van de media, als kind maakt het niet zoveel uit of je naar een buitenlandse serie kijkt Door het beeld begrijpt een kind het toch wel. Een kind maakt zijn eigen verhaal ervan. De universaliteit van de media komt hier aan bod. Series kunnen over heel de wereld worden uitgezonden en iedereen in de westerse wereld kan het begrijpen omdat dezelfde standaarden er gelden.

Jan-Willem zit bij het aquarium. Hij ziet ineens een heel kleine onderzeeër verschijnen. Hij roept Madelief en Roos om te komen kijken maar de serie is spannend dus komen ze niet. Uit de onderzeeër komt een duiker. Jan-Willem schrikt van de televisie, er wordt geschoten. De duiker verdwijnt weer in zijn boot. We zien dan weer de duiker, Jan-Willem zwaait naar hem. De duiker salueert naar Jan-Willem, hij vraagt weer of Madelief en Roos komen kijken maar ze willen nog steeds niet. De man gaat weg.

            De moeder van Jan-Willem vraagt of de tv wat zachter kan. Ze komt met koekjes en limonade, ze vraagt hoe het was op school. Ze vertellen dat ze een verhaaltje moesten schrijven maar allemaal wisten ze niks omdat er nooit wat gebeurt! Dit is erg ironisch, Jan-Willem heeft namelijk net een duiker met een onderzeeër in het aquarium gezien en Madelief en Roos hebben naar een spannende serie gekeken.

            De onderzeeër verschijnt opeens op de televisie. Jan-Willem roept dat ze naar het scherm moeten kijken, Roos en Madelief kijken maar zijn niet onder de indruk. Kennelijk is het gewoon een fantasie van Jan-Willem want ze zien het niet.

 

Aflevering 5: De man met het snorretje

 

Directe verwijzingen:

 

In de leader van Madelief zien wij fietsen tegen een hek aan staan in de nieuwbouwwijk waar Madelief met haar moeder woont. Fietsen kunnen gezien worden als een kenmerk van Nederland, zoals Colin White schrijft in het boek The Undutchables: ‘Holland telt meer dan 16.5 miljoen fietsen (de grootste fietsdichtheid ter wereld)’[54] en wij zijn volgens deze auteur hardnekkig aan deze vehikels verslaafd.

            Verder zien we in de winkelstraat waar Madelief, Jan-Willem en de moeder van Jan-Willem gaan winkelen op straat een orgelman staan, met een draaiorgel. Een beeld natuurlijk alleen in een Nederlandse winkelstraat gezien zou kunnen worden en daarom deze aflevering van Madelief in Nederland plaatst. (zie figuur 17)

            Ook op een iets indirectere manier is er een verwijzing naar de Nederlandse natie te vinden. Wanneer Jan-Willem en Madelief zich verkleden in allerlei ‘gekke’ kleding, trekken zij op een gegeven moment Duitse klederdracht aan. De moeder van Jan-Willem zegt hier met een VO: ‘nee, dit is niets…dit is veel te Duits.’De Nederlandse identiteit wordt hier gerepresenteerd als zijnde ‘niet Duits’, aangezien een identiteit altijd geconstrueerd wordt in relatie tot de Ander.

 

Indirecte verwijzingen

Autoriteit en machtsverhoudingen:

In deze aflevering van madelief zijn er een aantal momenten waarop machtsverhoudingen tussen volwassenen en kinderen als ‘burger-in-wording’ gerepresenteerd worden en verbonden worden met het idee van ‘goed Nederlands burgerschap’.

Text Box: Figure 25: Madelief en Jan-Willem in klederdracht            In deze aflevering heeft de moeder van Jan-Willem een duidelijke rol als opvoeder tot goed, gepast gedrag  wanneer zij bijvoorbeeld aan Madelief vraagt: ‘kan je een beetje rustig zijn in winkels? En beleeft?’. De moeder van Jan-Willem stelt op deze manier gedragsregels waaraan de kinderen zich moeten houden als zij mee willen naar de winkel. Verder bepaalt de moeder uiteindelijk de kleding die Jan-Willem koopt. Zij heeft het geld waardoor zij uiteindelijk degene is die bepaald of kleding passend is voor de ‘verjaardag van oma’.  Maar de relatie tussen de opvoedende ouder en de kinderen die opgevoed worden, is er een van regels en overleg. Doordat de kinderen zich netjes aan de regels houden door in de winkel rustig en beleefd te zijn, is de moeder uiteindelijk bereid tot overleg. De kinderen worden dus hier gerepresenteerd als ‘burgers-in-wording’ die regels nodig hebben om in het openbaar te kunnen functioneren, maar die binnen deze regels een eigen mening en smaak mogen hebben.

            Wat is nu eigenlijk de kleding die uiteindelijk passend wordt gevonden voor de verjaardag van oma? Het is kleding die door zowel moeder als de kinderen netjes gevonden wordt, maar die wel past bij de leeftijd van Jan-Willem. Het kind hoeft zich dus niet als minivolwassene te kleden, maar mag zelf een eigen kind als ‘burger-in-wording’ kleding dragen: een broek met een trui. Hij hoeft niet een mannenpak in miniformaat aan, maar mag ook geen frivole kleding aan zoals een meisjesjurk, een indianenpak of een Duitse klederdracht. Er is dus wel degelijk een kledingcode waaraan Jan-Willem zich moet conformeren tegenover volwassenen, maar ook tegenover andere kinderen. (zie figuur 18 en 19)

            Een heel andere machtsverhouding is er te vinden tussen de twee winkelverkopers en Jan-Willem en Madelief. De twee verkopers worden afgeschilderd als volwassenen die zichzelf beter vinden dan kinderen, kleinerend doen tegenover kinderen, maar ondertussen zelf kinderachtig op zoek zijn naar macht. De twee kledingverkopers worden geïntroduceerd als ‘geen kindervriend’ wanneer zij in een gesprekje tegen elkaar zeggen: ‘ik heb een ontzettende hekel aan kinderen’/ ‘wat dacht je van mij?’/ ‘jij weet het goed te verbergen’. Vervolgens worden de manieren in beeld gebracht op een manier waarmee duidelijk wordt dat deze twee volwassenen zichzelf boven de kinderen zien staan, en macht proberen uit te oefenen. Bijvoorbeeld door Jan-Willem steevast op een cynische toon ‘jongeman’ te noemen, door Jan-Willem in een herenpak te kleden en door niet te luisteren naar wat Jan-Willem en Madelief zelf van de kleding vinden. Het kindbeeld dat hieruit spreek is er een van kinderen als minivolwassenen maar dan nog met enkele slechte eigenschappen die ingeperkt moeten worden. Deze pogingen van de verkopers om macht uit te oefenen worden echter belachelijk gemaakt. De verkopers worden namelijk zelf afgeschilderd als kinderachtige en onbeleefde  personen, doordat zij elkaar persten en zich letterlijk tot kinderachtig gedrag verlagen. Wanneer zij bijvoorbeeld op hun knieën achter de kledingrekken gaan zitten, en dus afdalen tot kinder-ooghoogte zetten zij zichzelf namelijk voor schut door met elkaar te gaan bekvechten. (zie figuur 20) De twee volwassenen die macht proberen uit te voeren op de kinderen doordat zij hen niet serieus nemen als persoon worden op deze manier gerepresenteerd als oneerlijk, onbeleefd en niet integer. Jan-Willem en Madelief zijn hierdoor ‘volwassener’ dan de mannen doordat zij wel beleefd en eerlijk zijn. De kinderen worden getoond als zich beter bewust zijnd van de eigenschappen die een goede burger behoort te hebben. Het kindbeeld dat de machtsverhoudingen tussen de twee mannen en de kinderen uitdraagt is er dus een dat aangeeft dat kinderen inderdaad ‘jonge burgers’, die zelfdenkende personen zijn die heel goed weten wat wanneer wel en niet mag in de grote mensen wereld, maar die soms ook nog geholpen moeten worden.

Aflevering 6: Boenders

 

 

Taal:

De oude man die Madelief en Roos hebben gepest, en die dus boos op hen wordt noemt hen ‘Boenders’. Madelief en Roos begrijpen de man in de eerste instantie niet. Hiermee wordt aangegeven dat taal zich ontwikkeld, waardoor volwassenen en kinderen verschillende woorden kunnen gebruiken die dezelfde betekenis hebben. Taal wordt zo dus getoond als iets dat noodzakelijk is om te kunnen communiceren, waardoor het noodzakelijk is ook woorden te leren die ouderwets zijn. Op deze manier wordt educatie tot goed burgerschap dus verbonden met het leren van taal.

 

Autoriteit:

Madelief en Roos denken dat de oude man op het bankje dood is, en gaan hem vervolgens bekogelen met aarde. Wanneer Roos zegt dat ze het niet wil doen, omdat dat niet mag, is Madelief het hier niet mee eens: ‘hij merkt het toch niet’. Waar Roos zich dus bewust is van de heersende gedragsregels, en zich hier aan wil houden, heeft Madelief het idee dat je je alleen maar aan regels hoeft te houden als andere mensen het kunnen zien. De man merkt het bekogelen, en wordt kwaad, als gevolg waarvan de meisjes geschrokken wegrennen. Roos blijkt hier dus gelijk gehad te hebben. De man is kwaad op hen geworden omdat ze iets hebben gedaan dat niet mocht volgens de regels. Madelief's idee dat je je slechts aan regels hoeft te houden als volwassenen kijken, blijkt dus niet te gelden. Hiermee wordt dus de autoriteit van volwassenen die regels maken versterkt, doordat die regels er niet voor niets blijken te zijn. Regels zijn er zo blijkt uit deze scène niet om overtreden te worden.

            Ook blijkt uit deze aflevering van Boenders dat er ook meer impliciete gedragsnormen zijn waar burgers zich aan moeten houden. Het thema in de aflevering is onder andere ‘de dood’. De dood blijkt iets te zijn waar Madelief vrij laconiek mee omgaat, terwijl gaande weg in de aflevering duidelijk wordt dat voor volwassenen de dood iets is waar je geen grapjes over maakt. Volwassenen worden getoond als mensen die bang zijn voor de dood (zoals de oude man die bang wordt van de man met een zeis in zijn hand) en die heel serieus met deze zaak om gaan. Roos is zich bewust van deze heersende codes wanneer zij over het dode vogeltje zegt: ‘ah, wat zielig’, ‘niet aankomen, dat is vies’ en ‘ik wil hem niet in mijn kinderwagen’ of wanneer zij het vogeltje uiteindelijk gaat begraven en een bloemetje op het graf legt.  (zie figuur 21) Madelief is vooral geïntrigeerd door de dood, maar helpt uiteindelijk ook met het begraven. In deze aflevering wordt het televisiekijkende kind net als Madelief en Roos in de serie onderwezen over de dood, de regels die hier omtrent bestaan, en de manier waarop volwassenen met de dood omgaan. Dit idee is terug te leiden tot het idee dat binnen de opvoeding van kinderen tot goede burgers ook aandacht besteed moet worden aan de minder leuke kanten van het leven.

 

Aflevering 7: De deftige tante

Indirecte verwijzingen

Autoriteit:

Ook in deze aflevering wordt het idee van de opvoeding van kinderen tot burgers verbeeld in de relatie tussen ouder en kind. In deze aflevering gaan Madelief en de moeder van Madelief gelijkwaardig met elkaar om. De moeder van Madelief legt haar dochter uit waarom zij niet wil dat Madelief rommel maakt, buiten speelt of op een andere manier herrie maakt. Doordat de deftige tante van Madelief op visite komt, moet zij gaan doen alsof ze een ‘net, lief en gehoorzaam meisje is’ zegt Madelief's moeder. Iets dat deze moeder zelf ook probeert te doen. Zowel moeder als Madelief conformeren zich naar de heersende regels om als ‘nette, goed opgevoede’ mensen over te komen via hun kleding (jurkje, strik, mantelpakje en knot) en gedrag (stil en beleefd). Moeder en dochter gaan met z’n tweeën proberen de oude deftige tante die zeer strikt is met haar regels te doorstaan.  (zie figuur 22)

Deze regels worden uiteindelijk in de aflevering getoond als iets waaraan je je officieel moet houden, maar die heus wel als je van mening bent dat het kan overschreden mogen worden. Madelief gaat uiteindelijk namelijk toch samen met Roos en Jan-Willem door het huis heen trommelen en herrie maken. De deftige tante reageert met een ‘kinderen toch’, waarmee ze aangeeft dat zij kinderen ziet als ‘burgers-in-wording’ die nog niet volleert zijn en die uit de band kunnen springen. Een denkbeeld dat een duidelijk onderscheid aanbrengt tussen kinderen en volwassenen, waarbij volwassenen zich altijd aan de regels moeten houden en moeten conformeren tot de regels. De reactie van de moeder van Madelief spreekt dit tegen. zij is namelijk opgelucht dat zijzelf niet meer hoeft te doen dat ze een ‘net en opgevoed meisje is’,  waarmee ze aangeeft dat het belangrijker is als persoon jezelf te zijn, dan je anders voor te doen dan je bent doordat de regels het voorschrijven. Ook in deze aflevering wordt er dus weer aangegeven dat er regels zijn die je moet opvolgen om een ‘goede burger’ te zijn, maar dat deze regels je nooit mogen belemmeren jezelf te zijn. Als burger moet je dus altijd reflexief blijven en de regels kritisch benaderen.

 

Aflevering 8: opbellen

 

Indirecte verwijzingen

Autoriteit:

In deze aflevering ontstaat er een machtsconflict tussen Madelief en de moeder van Jan-Willem. Madelief wil graag met Jan-Willem spelen, maar zijn moeder verbiedt dit. Zij is namelijk boos op Jan-Willem omdat hij niet wil doen wat ze zegt. Wanneer de moeder Madelief vertelt dat ze weg moet gaan, vraagt Madelief haar waarom ze weg moet. Hierop antwoordt de moeder: ‘daar heb jij niets mee te maken. Ga jij maar naar buiten’. De moeder van Jan-Willem heeft dus duidelijk macht en bepaalt wat er wel en niet mag gebeuren. Als Madelief vervolgens toch met Jan-Willem probeert te spelen door het dak op te klimmen, en dus de regels van de moeder overtreedt grijpt de moeder in.  Deze roept: ‘blijf staan dame! Ik wil je hier voorlopig niet meer zien!’. De moeder geeft met het woord ‘dame’ hier aan dat ze Madelief ziet als iemand die volwassen genoeg moet zijn om te weten dat regels nageleefd moeten worden omdat ze niet voor niets door de machthebbers worden opgelegd. (zie figuur 23)

            Dit blijkt ook nog uit de scène waarin Madelief kopjes op de leuning van de bank opstapelt als ze moet wachten tot Jan-Willem weer naar buiten mag. Dit stapelen is iets dat niet mag, waarbij het ook duidelijk is waarom (anders vallen de kopjes namelijk). Madelief wordt hier dus afgebeeld als iemand die te makkelijk, nonchalant en onnadenkend met regels om gaat. Wanneer Madelief namelijk uiteindelijk weer met Jan-Willem mag spelen, en weg rent, vallen alle kopje van de bank. In deze aflevering wordt er dus het idee uitgedragen dat regels er niet voor niets zijn. En dat het onverantwoordelijk is om deze regels te overtreden. Het kind wordt in deze aflevering dus gerepresenteerd als een naïef persoon dat regels moet leren waarderen, omdat het anders wel eens fout zou kunnen gaan. Maar tegelijkertijd, zo blijkt uit het gedrag van de moeder van Jan-Willem moeten kinderen niet te lang en echt gestraft worden, aangezien ze er eigelijk weinig aan kunnen doen dat ze zich nog niet helemaal aan de regels houden. Kinderen worden dus weer gezien als ‘burgers-in-wording’ die hun grenzen binnen de heersende regels aan het zoeken zijn.

 

Aflevering 9. Slak

 

Indirecte verwijzingen

 

De natie:

Roos loopt over straat met haar kinderwagen, achter haar langs komen fietsers voorbij.

 

 

Autoriteit:

Roos komt op straat een man tegen die maar één been heeft. Hij zingt dat hij maar een been heeft, dat hij zo eenzaam is en wie voor hem een been te leen heeft. Roos kijkt hem na en hij vraagt aan haar of zij soms een been heeft voor hem. Zij zegt dat ze niet zomaar een been weg kan doen en dat het toch ook wel gat met die krukken. Roos neemt hier een volwassen rol over ten opzichte van de man die zich als kind gedraagt. De man zegt dat ze de stokken mag hebben, maar zij zegt dat ze nog goed kan lopen en ze niet nodig heeft een huppelt om hem heen. Ze verteld de man dat ze een pop had met een been en verteld dat die weggegooid is. Het is duidelijk dat Roos niet goed weet hoe ze om moet gaan met mensen die ander zijn dan zij. Ze zegt ook dat zij geboren is met twee benen en dat ze daar niks aan kan doen. ‘Kan ik er wat aan doen dat ik twee benen heb en jij niet! Ik ben toevallig zo geboren hoor!’  Hierdoor lijkt het alsof Roos autoriteit bezit over de man, ze denkt dat zij de juiste informatie heeft en dat geeft haar een gevoel van overheersing waaroor ze brutaal doet tegen de man. De point of view is ook constant van Roos. (zie figuur 26)

Text Box: Figure 26: Roos en man met maar een been            Madelief heeft een slak in haar hand en gaat er met Jan-Willem zout overheen gooien, omdat de slak dan gaat knetteren. Roos wil niet dat ze het doen en verstopt de slak wanneer Madelief en Jan-Willem het zout gaan halen. Toch vinden de laatste twee de slak. Wanneer ze er zout overheen gooien is de lol ineens verdwenen. De slak is opgelost en ze houden alleen een huisje over. De reactie van Madelief is dan ook ‘kom we gaan iets leuks doen’. Hieruit kunnen we de lering trekken dat de dood niet leuk is. Roos blijft achter en de man met het ene been komt opnieuw langs. Hij zegt dat hij dood had willen zijn en dat niemand medelijden heeft. Hij verwijt scholen dat ze kinderen niet meer leren wat medelijden is. Roos zegt dat zij dat we kan, ze is verdrietig om de slak. Via dieren leert het kind medeleven te hebben voor andere mensen. Ze leren dit door de regels te overtreden. (zie figuur 24 en 25)

 

Aflevering 10: Geld verdienen

 

Directe verwijzingen:

 

Roos en Madelief verdienen geld doordat ze bloemen verkopen, we zien constant de Nederlandse gulden in hun handjes liggen

 

Indirecte verwijzingen

 

Autoriteit:

De kinderen overtreden regelmatig regels. Zo zijn Madelief en Roos handje klap aan het spelen op een plein vlakbij hun huis. Er komt een oudere man aan lopen en Madelief duwt Roos tegen de man aan. Die zegt dat hij nog eens een hartverzakking van ze krijgt.

            We zien een man bloemen stelen uit de bakken die op straat staan. (zie figuur 27) Hij gaat naar Madelief en Roos toe en vraagt ze of ze een ‘riks’ willen verdienen. Ze moeten de man helpen de bloemen te verkopen. Bij de eerste deur denkt de vrouw dat ze de bloemen gratis krijgt, wanneer ze hoort dat ze moet betalen zegt ze boos dat ze, ze dan niet hoeft. Madelief en Roos bedenken dat ze moeten zeggen dat ze, ze verkopen dan kan dat niet nog een keer gebeuren. Doordat ze op avontuur uitgaan leren ze zelf oplossingen te bedenken en leren dus creatief te zijn.

            Na een poosje hebben ze allebei hun mandjes leeg. De bloemenman vindt het knap van ze en geeft ze nog een mand vol en de meisjes moeten het geld aan ze geven. Dan komt er een doodskist en een rouwstoet langs. Op de kist ligt een petje dat de oude man altijd opheeft. De meisjes schrikken en denken dat hij dood is. De mensen van de stoet kopen hun bloemen, de meisjes fluisteren de prijs. Hieruit blijkt dat ze leren omgaan met de dood. Hun fluisteren is een combinatie van respect en angst voor de dood.

            De oude man is niet dood want hij koopt bloemen bij Madelief. Hij vraagt of ze dachten dat hij dood was en zegt ze dat niets is zoals het lijkt en dat ze uit hun ‘doppen’ moeten kijken. De man heeft op dit moment autoriteit omdat hij meer kennis heeft dan de meisjes.

Text Box: Figure 27: Madelief verdient geld            De bloemenman roept de meisjes en ze geven opnieuw hun geld af. Ze moeten nog een bosje verkopen. De bloemenman gaat er snel vandoor met het geld, als een klein kind. Madelief en Roos zijn ook blij met de gulden die ze hebben verdiend en hadden de man ook geholpen voor niets, ze vonden het toch leuk om te doen. Madelief zegt dat ze uit hun doppen hadden moeten kijken.

            We zien dat de meisjes geleerd krijgen dat je ogen je kunnen bedriegen. Eerst omdat ze denken dat de oude man dood is, en hij leeft nog. Vervolgens omdat ze in de maling zijn genomen door de bloemenman waarvan ze dachten dat hij aardig was. . Het leerproces ondergaan ze op eigen wijze. Kennis staat hier dus voor autoriteit.

            .

Aflevering 11: Verhuizen

 

Indirecte verwijzingen

 

Autoriteit:

Madelief gaat verhuizen. Madelief wil niet verhuizen mar haar moeder heeft een andere baan. Madelief heeft een gesprek met Jan Willem en Roos waarin ze het erover hebben dat het niet eerlijk is dat ouders zomaar voor jou kunnen beslissen dat je gaat verhuizen. Jan Willem probeert een plek te bedenken waar Madelief zich zou kunnen verstoppen. Hij bedenkt hoe het zou zijn wanneer ze onder zijn bed zou wonen. Maar komt tot de conclusie dat zijn moeder er achter zou komen, en dan zou ze boos worden.

            In deze aflevering ligt de autoriteit volledig bij de volwassenen. Zij beslissen wat goed is voor het kind, hoewel het kind het daar niet altijd mee eens is. (zie figuur 28). Er zijn in deze aflevering geen verwijzingen naar de natie of de media.

 

 

 

4.8 Conclusie beeldanalyse Madelief

 

In Madelief komt net zoals in het Zakmes de Nederlandse identiteit, niet duidelijk naar voren. Op empirisch niveau zijn wel ‘Nederlandse’ elementen te herkennen zoals auto’s met Nederlandse kentekens, Nederlands geld en fietsen. Deze elementen plaatsen de serie in Nederland maar hebben niet specifiek betrekking op de Nederlandse identiteit.

            De media spelen in Madelief niet zo’n grote rol als in het Zakmes. Slechts in één aflevering, de onderzeeër, komt de media in de vorm van televisie naar voren. De universaliteit van de media komt aan bod. Madelief en Roos kijken naar een Duitse serie, ze begrijpen het verhaal omdat ze de beelden begrijpen. De ‘taal’ van de media is universeel, zelfs jonge kinderen begrijpen het.

            De Nederlandse taal speelt in mindere mate een rol als in het Zakmes. Alleen in de aflevering Boenders komt het echt naar voren. In deze aflevering is te zien dat taal getoond wordt als iets dat noodzakelijk is om te kunnen communiceren. De oude man die Roos en Madelief pesten noemt hen boenders, ze begrijpen dit woord niet. Het blijkt dat ze nog een hoop moeten leren willen ze oudere mensen begrijpen. Educatie is dus belangrijk, dit is terug te koppelen aan het burgerschapsideaal.

            In Madelief komt vooral het burgerschapsideaal autoriteit vaak terug. De volwassenen worden in de serie tegenover de kinderen geplaatst. Er komt duidelijk naar voren dat kinderen moeten leren, daarbij moeten ze luisteren naar volwassenen die het vaak beter weten. In Madelief komt de macht van de volwassene veel duidelijker naar voren dan in het Zakmes. In het Zakmes had Mees bijna altijd de macht over de volwassene, in Madelief wisselt het heel sterk. Als Madelief, Jan-Willem en Roos samen zijn is het meestal Madelief die de macht naar zich toetrekt. Ze wordt neergezet als het bijdehante, brutale meisje dat het beter weet dan haar vriendjes. Madelief overtreedt ook veel vaker de regels dan Roos en Jan-Willem. Ze pakt koekjes terwijl dit eigenlijk niet mag, ze gooit met aarde naar een man op een bankje en ze stapelt kopjes op de leuning bij Jan-Willem thuis waardoor ze omvallen. Zodra er een volwassene in het spel is verliezen de kinderen de macht. Ze worden streng toegesproken over dingen die wel en die niet mogen. Vooral de moeder van Jan-Willem is erg streng, de moeder van Madelief is veel minder streng.

De volwassenen behandelen de kinderen heel erg als burgers-in-wording. Er wordt getoond dat er regels zijn die nageleefd moeten worden, als dit niet gebeurd kunnen er brokken van komen, bijvoorbeeld als de kopjes van de bank vallen. Maar Madelief krijgt niet echt straf, dit verwijst naar het feit dat kinderen nog niet zo goed met de regels om kunnen gaan en de grenzen binnen de heersende regels aan het zoeken zijn. Binnen de regels mogen kinderen best een eigen mening en smaak hebben.

Madelief overtreedt net als Mees voortdurend de regels maar dit heeft ook een hoger doel. Zo leert ze volwassen te worden, van fouten moet je immers leren. De burgerschapsidealen worden Madelief aangereikt en ze gaat er op haar eigen manier mee om, ze verschilt erg van Jan-Willem en Roos die er wat voorzichtiger mee omgaan.

Het burgerschapsideaal is in Madelief op een indirecter niveau aanwezig dan in het Zakmes. Pas als echt goed gekeken wordt zijn er elementen van het burgerschapsideaal aanwezig. Het wordt dus wel aangereikt maar de kinderen zijn veel meer ‘kind’ en moeten dus door volwassenen en regels leren om een goed burger te worden. Het idee van burgerschap waar wij voor pleiten, namelijk een combinatie van het mondige kind dat ook kwetsbaar is, komt in de serie Madelief duidelijker naar voren dan in het Zakmes.

 

 

 

 

 

 



[1]  Hermes, 2003: 147

[2] Scheffer 2002: 6

 

[3] Ellian, 2002: 1

[4] Heater, 1990: 336

 

[5] Zoonen, van 1999: 8

[6] Turner 1993: xi

[7] Turner 1993: viii-ix

[8] Turner 1993: 15

[9] Breedveld, 1992: zz05

[10] Afshin Ellian is filosoof. Hij is als rechtsgeleerde verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

[11] Ellian, 2002: 1

[12] Ellian, 2002: 1

[13] Ritzen, 1993: 011

[14] Heater 1990: 337-338

[15] Bardoel, 2003: 7

[16] Bardoel, 2003: 7

[17] Deuze, 2002: 446-464

[18] Deuze, 2002: 459

[19] Abercombie, 1996

[20] Gripsrud, 2000: 17-33

[21] Kennedy Martin, 1964: 24- 25

[22] Kennedy Martin, 1964: 30

[23] Caughie, 2000: 88- 124

[24] Caughie, 2000: 111

[25] Caughie, 2000: 111

[26] Caughie, 2000: 111

[27] Abercombie, 1996: 27-28

[28] Geciteerd in Caughie, 2000: 125

[29] Potter, 1977: 37

[30] Caughie, 2000: 154

[31] Tony Hendra geciteerd in White, 2001: 107

[32] Zeijden van der, 1992: 5- 27

[33] Zeijden van der, 1992: 13

[34] Zeijden, van der 1992: 15

[35] Zoonen, van 1999: 3

[36] Zoonen, 1999: 3

[37] Scheffer, 2000: 1- 10

[38] Scheffer, 2000: 6

[39] Scheffer, 2002: 1-7

[40] Scheffer, 2002: 1

[41] Scheffer, 2000: 4

[42] Hulst, 2003: 18

[43] Hulst, 2003: 17- 19

[44] Hulst, 2003: 17

[45] Hulst, 2003: 19

[46] Zeeman 2003: 17

[47] White, 2001

[48] White, 2001: 124

[49] White, 2001: 124

[50] Etty, 2003: 7

[51] White, 2001: 16

[52] White, 2001: 75

[53] Hall 1997: 26

[54] White, 1990: 124