Bob de Bouwer

Burgerschap en Materialisme

 

Research en Redactie

Docent: Joke Hermes

 

September-januari 2003/2004

 

Anneloes Rosenbaum 0035688

Ineke Janssen 0005916

Sabine de Waart 0006505

 

Media en Cultuur

Universiteit van Amsterdam

Faculteit der Geesteswetenschappen

 

 

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

Inhoudsopgave

 

1. Inleiding

2. Burgerschap

3. Consumentisme en materialisme

4. Case-study: Bob de Bouwer als uithangbord voor goed burgerschap

4.1 Hoezo, Bob?

4.2 Wie is Bob?

4.3 Bob en Burgerschap

4.4 Analyse van Bob de Bouwer

4.5 Bob en Materialisme

5. Conclusie

6. Bibliografie

 

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

               

 

1. Inleiding

With over 5 million books and 2.5 million videos sold in the UK since April 1999, as well as a range of imaginative and high-quality products, Bob the Builder is the preschool world's favourite builder. In December 2000, Can We Fix It?, Bob's theme song, topped the charts in the UK, outselling the previous record-holder, Elton John's Candle in the Wind. In September 2001, Bob's version of Mambo No. 5 also topped the UK charts as did the Bob the Builder album, which reached #4 on the UK charts and continues to sell into 2002. Bob the Builder has attracted an expansive list of blue chip licensees, including Hasbro Toys, Lego, Martin Yaffe, Golden Books, Simon & Schuster, Tiger Electronics, and Brio, as well as many other outstanding companies. [1]

 

Zoals bovenstaand citaat laat zien, is Bob de Bouwer niet alleen een leuke en populaire kinderserie, maar ook een zeer lucratief commercieel succes. Overal waar je kijkt in de winkels, op internet, op straat, overal is Bob. Typ Bob de Bouwer in bij Google en de sites vliegen je om de oren. Artikelen van Bob de Bouwer zijn bijvoorbeeld te vinden op Amazon en op de  Bob de Bouwer site. Maar ook in de speelgoedwinkels staan rekken vol met merchandising. Kinderen storten zich massaal op de Bob de Bouwer-hype. Je zou haast denken dat je als vijfjarige pas meetelt als je op school verschijnt met je Bob de Bouwer-broodtrommel met bijpassende melkbeker. Een dergelijk merchandisingoffensief werkt de angst in de hand dat kinderen hierdoor een materialistische houding ontwikkelen.

 

In de samenleving heerst het idee dat deze materialistische houding wordt versterkt door de commerciële omroepen. Daar tegenover wordt vaak de publieke omroep geplaatst en deze wordt in verband gebracht met burgerschap. De publieke omroep wordt geacht het burgerschapsgevoel juist te versterken. Onder burgerschap verstaan we globaal een constructie van wettelijke en sociale rechten en plichten, die te maken hebben met vormen van in- en uitsluiting ten opzichte van de dominante cultuur.

 

We betwijfelen of deze tegenstelling tussen de publieke en de commerciële omroepen  wel zo zwart-wit lijkt. Om dit te onderzoeken richten wij ons op de vraag of het commerciële fenomeen Bob de Bouwer inderdaad materialisme versterkt en zodoende geen burgerschapwaarden kan etaleren. In het tweede hoofdstuk zullen we het begrip burgerschap nader toelichten. Vervolgens komt in het derde hoofdstuk het fenomeen materialisme aan bod. Aan de hand van de theorieën uit het tweede en derde hoofdstuk analyseren wij in het vierde hoofdstuk hoe Bob de Bouwer als animatieserie en de merchandising daar omheen de tegenstelling tussen burgerschap en materialisme tot uiting brengt.

 

 

2. Burgerschap

Burgerschap is volgens ons een cruciaal onderdeel binnen de discussie die wij in de inleiding aan hebben gesneden. Volgens deze discussie zou burgerschap niet geëtaleerd kunnen worden in een commercieel fenomeen als Bob de Bouwer. Of dat inderdaad geldt voor Bob de Bouwer zal in het vierde hoofdstuk naar voren komen. Daarom gaan we in dit hoofdstuk in op de term burgerschap en op de rol die burgerschap speelt in onze maatschappij. Jeugdcultuur binnen burgerschap zal aangeven dat burgerschap niet alleen een rol speelt voor volwassenen, maar ook voor kinderen.

 

Volgens Liesbet van Zoonen lijkt het alsof iedereen in deze postmoderne samenleving zijn of haar leven, levensstijl en –visie naar eigen wijze kan invullen[2]. “‘Zappen’ lijkt, aldus Van Zoonen, daarmee niet alleen een manier van televisiekijken geworden, maar ook een manier van leven.” Er zit hier echter een addertje onder het gras, want die zogenaamde vrijheid van “zapkeuze” is eigenlijk maar schijn. Wat wij zogezegd als collectiviteiten zien, ofwel hedendaagse gewoonten, die in de media geconstrueerd en gereconstrueerd worden, en door iedereen zogezegd gedeeld worden, zijn in de regel minder onschuldig, aldus Van Zoonen, dan wij denken.[3]

 

Die collectiviteiten die wij als Nederlanders beschouwen als gemeengoed, zijn namelijk ook afhankelijk van ieders rol als burger binnen een samenleving. Burgerschap is namelijk een zeer belangrijke factor bij het bepalen van iemands identiteit of juist bij het uitsluiten van personen of groepen binnen een sociale groep. De media spelen daarnaast een belangrijke rol als het gaat om de representatie van identiteiten. Etnische groepen worden in onze samenleving niet als onderdeel gezien van ons burgerschapsideaal, zoals blijkt uit het volgende citaat:

 

…je [zou] kunnen zeggen dat de media een voornamelijk witte Nederlandse gemeenschap reconstrueren en etnische minderheden buitensluiten door het niet over ze te hebben of door ze als problematisch af te schilderen (….) In meer sociologische of politieke termen betekent dat, dat volledig ‘burgerschap’ voor minderheden niet gerealiseerd wordt.[4]

 

Het burgerschapsideaal wordt in die zin alleen geconstrueerd voor de witte, ofwel blanke gemeenschap die de meerderheid vormt in ons land. Hoe worden betekenissen en identiteiten dan in het algemeen gedefinieerd in onze postmoderne, maar vooral multiculturele samenleving? Van Zoonen meent dat in een postmoderne samenleving, zoals de samenleving waarin wij nu leven, met name het beeld bestaat van “een wereld van beelden en betekenissen waarmee mensen en groepen hun bestaan vormgeven en waarmee ze hun plaats in de samenleving definiëren, evenals de rechten en plichten die ze daarin hebben.”[5]

 

Zo wordt er aan burgerschap via beelden en betekenissen inhoud gegeven aan de constructie van een identiteit, maar dan wel voornamelijk een blanke identiteit. Burgerschap, zoals dat op de hierboven beschreven manier tot uiting komt, is dan alleen maar gericht op een vaste gemeenschap of natie, omdat etnische groepen worden uitgesloten. Toch voegt Van Zoonen hier nog een duidelijke nuance aan toe, want volgens haar is een postmoderne samenleving echter niet alleen:

 

De nationale gemeenschap, maar ook bijvoorbeeld de regionale en lokale, en gaat het er ook om bij andere collectiviteiten te horen en eraan deel te nemen. Burgerschap krijgt zo ook een ‘culturele’ betekenis en wordt een kenmerk van individuele en collectieve identiteiten.[6]

 

Burgerschap is dus niet alleen een constructie voor de gemeenschap op zich, maar ook voor de verschillende groepen mensen die een eigen gemeenschap vormen op regionaal en lokaal niveau binnen die gemeenschap. Dat betekent dan dat etnische groeperingen in deze context juist wel deel uitmaken van de gehele natie of gemeenschap en daarbij ook als burger deel worden van de eerder genoemde collectiviteit en deel zijn van de constructie burgerschap. Deze vorm van burgerschap wordt dan ook  aangeduid met de term cultureel burgerschap.

 

Derek Heater vult het begrip burgerschap aan met bepaalde kenmerken die een burger moet hebben om een goed burger te kunnen zijn. Zo noemt hij “een goed burger” iemand die zijn leven tenminste voor een deel bewust richt op het voordeel van de samenleving waarin hij leeft. Daarbij is die persoon niet te beroerd om compromissen te sluiten en dat geldt dan ook voor de relaties tussen verschillende personen binnen het gezin. Verder is het ook geen probleem voor ‘een goed burger’ morele verplichtingen aan te gaan die zowel horizontaal gericht zijn naar medeburgers als verticaal naar instituties. Balans, inzicht en individuele autonomie zijn tot slot de kernwoorden waar Derek Heater aan denkt bij de term burgerschap.[7] Maar op een veel alledaagse en doordringender manier gaat het bij cultureel burgerschap om vormen van in- en uitsluiting ten opzichte van de dominante cultuur, om de culturele constructie en acceptatie van individuele en collectieve identiteiten, om maatschappelijke integratie die verder gaat dan een verzameling wettelijke, politieke en sociale rechten en plichten, aldus Van Zoonen.[8]

 

De Engelse socioloog T.H. Marshall heeft in zijn essay uit de jaren vijftig drie vormen van burgerschap onderscheiden die in een democratische samenleving voor iedereen zouden moeten gelden en toegankelijk zouden moeten zijn: civiel burgerschap; dit verwijst naar gelijke wetgeving voor iedereen en de plicht van burgers zich aan de wet te houden. Ten tweede politiek burgerschap; dit verwijst naar politieke gelijkheid en de morele verplichting van burgers om zich met de inrichting van de samenleving te bemoeien. En tot slot sociaal burgerschap; economische rechten op bijvoorbeeld een minimuminkomen of financiële bijstand, die onder de regelingen van de West-Europese verzorgingsstaten gerealiseerd leken te zijn, en de plicht daar geen misbruik van te maken.[9]

 

Tot nu toe lijkt het alsof burgerschap slechts te maken heeft met wettelijke verplichtingen voor en culturele verschillen tussen burgers. Met betrekking tot burgerschap én kinderen is het ontstaan van de jeugdcultuur in de jaren vijftig en de rol die de generatiekloof daarbij speelde, ook belangrijk om te noemen. De constatering dat er in de westerse samenlevingen al sinds de jaren ’50 een permanente tegenstelling is tussen jeugd en volwassenen, doet misschien vermoeden dat het generatieconflict de belangrijkste tegenstelling in de maatschappij geworden is. Er zijn inderdaad wetenschappers die dat betogen: zij stellen dat het verzet van een jonge generatie beschouwd kan worden als een maatschappelijke noodzakelijk ‘initiatieritueel’ dat voorafgaat aan de opname in de volwassenenmaatschappij. Zij vinden dat het generatieconflict op die manier een structurele functie heeft in de overdracht van normen en waarden en in de handhaving van de cohesie van een maatschapij.[10]

 

Volgens Parssons biedt de expanderende amusementsindustrie jongeren van verschillende afkomst de mogelijkheid om te ontsnappen aan de dwingende en verstikkende normen van de volwassenenmaatschappij, om te zoeken naar de betekenis van het leven en om een eigen nieuwe identiteit te vormen. “De zogenaamde ‘peer groups’(groepen vrienden en vriendinnen) zijn cruciaal in dat proces van losmaking, omdat ze een tussenweg bieden in de kinderlijke afhankelijkheid van anderen (ouders) en de onafhankelijke volwassen individualiteit.”[11] Voor Turner dient burgerschap in dat proces als een soort van buffer:

 

Citizenship is a buffer against the vagaries of the market place and the inequalities of the class system, because citizenship is a method of redistribution of resources to those who are unable to provide for their own needs as a consequence of some contingent feature of their life-circumstance.[12]

 

Toch schuilen er nadelen aan deze functionalistische benadering, aldus Van Zoonen, waarvan het voornaamste nadeel is dat “de jeugd als één ongedifferentieerde groep gezien wordt, die vooral verschilt van volwassenen, maar onderling vergelijkbaar is; de verschillen tussen jongeren onderling worden daarmee over het hoofd gezien”.[13]

 

Volgens Van Zoonen worden media vooral gezien als instrumenten die de reeds bestaande elementen van jeugdculturen doorgeven en vaak op een zodanig verwaterde of slappe manier dat de authenticiteit van de cultuur verloren gaat en opgenomen wordt in de bestaande dominante orde.[14] Maar in de huidige postmoderne visie bestaat er eigenlijk geen authentieke jeugdcultuur die vooraf gaat aan media-aandacht, maar: “bieden media juist de codes en conventies aan waarmee jeugdculturen nieuwe stijlen creëren en vormgeven. Zij zijn een cruciaal onderdeel in de constructie van nieuwe, andere identiteiten.”[15]

 

Het creëren van een eigen identiteit door jongeren wordt namelijk niet alleen maar –of zelfs helemaal niet-  gezien als onderdeel van een bestaande maatschappelijke achtergestelde positie waar daadwerkelijk iets aan veranderd moet worden, maar als een onderdeel van een algemene lifestyle die er vooral op gericht is om het verschil tussen jezelf en anderen duidelijk te maken: jij bent bijzonder, de ander niet. Je bent jong en je wilt in ieder geval wat anders. De consumptie van goederen – muziek, kleding, vervoersmiddelen, enzovoort- zijn uitstekende middelen om de uniciteit, die behoefte aan anders-zijn, vorm te geven.[16]

 

Het CCCS[17] verzet zich tegen de functionalistische opvatting dat het generatieverschil de centrale tegenstelling in de westerse samenlevingen is en dat klassenverschillen tussen jongeren zouden zijn verdwenen door de consumptie van algemeen toegankelijke producten, zoals muziek, film en televisie. Van Zoonen verwijst daarbij naar een citaat van Dieleman om dit punt te versterken: “In de welvaartsmaatschappij delen alle jongeren in een en dezelfde vrije-tijdskultuur.[18] Buckingham zegt daarover:

 

By contrast, I have argued that contemporary childhoods – and adulthoods – are inextricably entwined with consumer culture. Children’s social and cultural needs are unavoidably expressed and defined through their relationships with material commodities, and through the commercially produced media texts that permeate their lives. Like ‘youth’, the meaning of childhood is socially and historically constructed; and this process in which the commercial market plays an increasingly central role. Children are always already consumers, even if much of the actual purchasing that takes place on their behalf is done by parents.[19]

 

Voor Buckingham representeren de media zowel voor de ouders als voor het kind de “primary means of access to the public world of social and political debate.”[20] Volgens Buckingham kunnen kinderen niet langer los gezien worden van de “volwassen wereld” en daarbij spelen de media, volgens hem, een belangrijke rol:

 

We cannot return children to the secret garden of childhood, or find the magic key that will keep them forever locked within its walls. Children are escaping into the wider adult world – a world of dangers and opportunities, in which the electronic media are playing an ever more important role. The age in which we could hope to protect children from that world is passing. We must have the courage to prepare them to deal with it, to understand it, and to become active participants in their own right.[21]

 

Kortom, burgerschap is eigenlijk een overkoepelende term voor bepaalde culturele, sociale, historische en vooral wettelijke rechten en plichten. De algemene collectiviteiten, zoals Van Zoonen meende, die in de media geconstrueerd en gereconstrueerd worden, bleken niet door iedereen gedeeld te worden.  De rol van de media bij het vormen van constructies door beelden en betekenissen spelen namelijk een dominantere rol bij het vormen van identiteiten van voornamelijk de witte gemeenschap. Zoals eerder is aangehaald worden bepaalde etnische groepen uitgesloten door de media. Hoe kunnen zij dan toch als burger bestaan binnen onze Nederlandse samenleving?

 

Bij deze vraag speelt het begrip burgerschap een belangrijke rol. Burgerschap is namelijk iets anders dan de term burgerschapsideeal. De wereld van beelden en betekenissen waarmee mensen en groepen hun bestaan vormgeven en waarmee ze hun plaats in de samenleving definiëren, zoals die door de media, aldus Van Zoonen geconstrueerd worden, vormen een burgerschapsideeal. Maar als daarnaast ook de rechten en plichten die een ieder  binnen die samenleving heeft in beschouwing worden genomen, is er sprake van burgerschap. Theoretisch gezien is de term burgerschap niet alleen toe te passen op de blanke gemeenschap, maar ook op de verschillende groepen mensen die een eigen gemeenschap vormen op regionaal en lokaal niveau binnen die gemeenschap, zoals bijvoorbeeld verschillende etniciteiten.

 

Burgerschap zelf draait dan in feite om een verzameling wettelijke, politieke en sociale rechten en plichten. Als daarentegen gekeken wordt naar de constructie van een identiteit, een burgerschapsideaal, dan kun je beter spreken over cultureel burgerschap. Bij cultureel burgerschap, zoals de media deze construeerde en herconstrueerde, gaat het om alledaagse vormen van in- en uitsluiting ten opzichte van de dominante cultuur, om de culturele constructie en acceptatie van individuele en collectieve identiteiten, om maatschappelijke integratie.

 

Voor jongeren geldt dat zij als groep juist enerzijds alleen maar als collectief worden gezien en niet als verschillende identiteiten en eigen individuen. Anderzijds wordt zij gezien als een groep die geen deel uitmaakt van de wereld der volwassenen. Ook hier speelt de rol van de media een grote rol, omdat ook hier de media de codes en conventies, waarmee jeugdculturen nieuwe stijlen creëren en vormgeven, geconstrueerd hebben. Zij zijn daardoor een cruciaal onderdeel in de constructie van jeugdculturen. Maar hoe zit het dan met de identiteit van kinderen? De media en merchandising spelen hierbij een grote rol. Kinderen kunnen dan ook gezien worden als mini-consumenten, die langzaam aan volwassen worden. Anderen veronderstellen echter dat kinderen nog lang niet klaar zijn voor de grote mensenwereld en juist door de ouders beschermd moeten worden voor gevaren in de vorm van trends en populaire series als Bob de Bouwer en alle commercie daar omheen.

 

Net als bij jeugdcultuur speelt bij kinderen het consumeren een belangrijke rol. Dit helpt het kind een eigen identiteit te verschaffen en het vervult bovendien de behoefte van het kind zich te onderscheiden van anderen. Niet alleen van de volwassenen, maar ook van zijn leeftijdgenoten. In het volgende hoofdstuk zal dieper worden ingegaan op de rol van het kind als consument en hoe consumeren door kinderen, dat gezien kan worden als een vorm van materialisme, tegenover burgerschap kan worden geplaatst.

 

 

3. Consumentisme en materialisme

In de televisiewereld en de advertentie-industrieën die daar nauw mee samenhangen, worden kinderen vaak gezien als een  potentiële markt.[22] Maar waarom worden kinderen nu eigenlijk zo als commercieel interessant beschouwd? Volgens Patti Valkenburg is de belangrijkste verklaring hiervoor dat kinderen van nu niet één, maar drie markten vertegenwoordigen.

 

Als eerste vertegenwoordigen kinderen de primaire markt. Dit betekent dat kinderen zelf geld hebben te besteden. Tegenwoordig is dit bedrag meer geworden ten opzichte van vroeger. Dit omdat ouders tegenwoordig vaak een hoger inkomen en later en minder kinderen krijgen. Hierdoor kunnen ouders hun kinderen meer zakgeld geven. De tweede markt die kinderen vertegenwoordigen is de toekomstige markt. Er bestaat de gedachte dat volwassenen in sterke  mate loyaal blijven aan de merken die ze als kind waardeerden. Een consument die een kind weet te boeien, heeft een grote kans levenslang een consument aan zich te binden. De derde markt is de beïnvloedingsmarkt. Dit betekent dat kinderen invloed hebben op de gezinsaankopen.[23] Bijvoorbeeld kinderen hebben een leuke reclame op televisie gezien en gaan vervolgens mee naar de supermarkt, zien het geadverteerde product en smeken om het product.

 

Dat kinderen zoveel meer invloed hebben op aankopen, heeft ook te maken met de veranderende waarden ten opzichte van vroeger. Stonden vroeger gezag, gehoorzaamheid en respect binnen het gezin centraal, nu zijn de noties van begrip, gelijkwaardigheid en compromissen binnen het gezin veel belangrijker.[24] Als we ervan uitgaan dat kinderen als doelgroep een markt vormen dan is het uitgangspunt van Valkenburgs theorie dat ‘kinderen van alle leeftijden er naar streven hun fysieke en sociale omgeving te begrijpen’ en dat ‘het niveau waarop kinderen hun omgeving begrijpen in hoge mate bepalend is voor hun voorkeuren voor bepaalde producten of informatie en dientengevolge hun consumentengedrag.’[25]

 

Kinderen zijn in de laatste jaren dus een steeds belangrijkere markt geworden, ook in de televisiewereld zoals al eerder is gezegd. Hierbij bestaat echter wel het idee dat de commerciële omroepen kinderen eerder als een markt zien dan de publieke omroepen. Dit idee hangt samen met de al eerder aangehaalde discussie over burgerschap. In deze discussie wordt materialisme en consumeren tegenover burgerschap geplaatst. In relatie met de media wordt in deze discussie dan vaak gezegd óf de media dragen bij aan het burgerschap van kinderen óf de media zien kinderen als een markt op zich.

 

Met betrekking op publieke en commerciële omroepen wordt dan gezegd dat de publieke omroepen bijdragen aan burgerschap en de commerciële omroepen het materialisme versterken. Volgens Buckingham bestaat er dan ook de aanname dat alles wat op de commerciële zenders wordt uitgezonden per definitie slecht is voor kinderen: ‘This discourse [kinderen en televisie] rests on a series of binary oppositions that are routinely taken for granted: British is good, American bad; public service is good, commercial is bad; live action is good, animation is bad; education is good, entertainment is bad; and so on.’[26]

 

Gericht op kindertelevisie betekent dit dat de publieke omroepen goed zijn, omdat hun kinderprogramma’s zouden bijdragen aan het burgerschapsgevoel van kinderen. De kinderprogramma’s die de commerciële omroepen uitzenden zouden daarentegen niet verantwoord zijn. De commerciële omroepen zouden de kinderen voornamelijk zien als een potentiële markt. De kinderen zouden niets van de programma’s van zulke omroepen kunnen leren, omdat de inhoud slechts gericht is op het promoten van de merchandising. Dit draagt vervolgens weer bij aan materialistisch gedrag van kinderen.

 

Deze visie is echter niet helemaal juist. Ook de publieke omroepen verdienen geld aan kinderen en zien kinderen dus ook als een potentiële markt. Dit betekent echter niet dat ze geen ethisch besef hebben. Volgens Geke van der Wal is het idee van kinderen als potentiële markt in Nederland met de komst van de commerciële omroepen versterkt: ‘jarenlang groeiden de bomen tot in de hemel, tot de komst van de commerciële omroepen dertien jaar terug. Het marktgericht denken werd binnen de omroep geïntroduceerd, kijkcijfers werden belangrijker en merchandising werd als een belangrijke inkomstenbron gezien’.[27] Denk bijvoorbeeld eens aan de kinderserie Madelief van de publieke omroep VPRO. Daarvan zijn ook videobanden te bestellen. Maar ook aan de Teletubbies, dat wordt uitgezonden door de Teleac, is  merchandising gekoppeld.

 

De vraag is nu dus wat er met kinderen gebeurt als zij geconfronteerd worden met  merchandising. Hier bestaan zowel positieve als negatieve theorieën over. In dit hoofdstuk worden verschillende standpunten behandeld. Ten eerste de positie van Stephen Kline. Volgens hem kan het samengaan van een commerciële gedachte en een kinderprogramma niet goed gaan. Hij gelooft dat het ten koste gaat van het programma:

 

The marketplace will never inspire children with high ideals or positive images of the personality, provide stories which help them adjust to life’s tribulations or promote play activities that are most help to their maturation. Business interests trying to maximise profits cannot be expected to worry about cultural values or social objectives beyond the consumerist cultural vector that underwrites commercial media.[28]

 

Commerciële instellingen kunnen volgens Kline dus nooit programma’s maken die kinderen iets leren of helpen hen een ‘goed’ burger te worden. Naar Klines mening zijn het dan ook de elektronische media, zoals de televisie, die ‘the traditionally healthy preoccupations of street play, peer conventions and just wandering in the garden long associated with happy childhood’ hebben ondermijnd.[29] 

 

Door de toename van televisieprogramma’s voor kinderen die gemaakt worden door commerciële instellingen, is volgens Kline de televisie een toenemend effectief instrument geworden waarmee marketeers in staat zijn het kind als publiek direct aan te spreken. Televisie heeft kinderen als een publiek gevormd, zodat ze in de markt geïntegreerd konden worden. Daarmee is de televisie de onbetwistbare leider in de productie van ‘kindercultuur’.[30] Dit omdat televisie kijken een grote vrijetijdsbesteding is voor kinderen.

 

Hiermee zijn de media een belangrijke factor in het consumentengedrag van kinderen. Het is namelijk vooral door de media dat kinderen kennis nemen van verschillende soorten producten. Dit komt doordat kinderen over het algemeen redelijk veel televisie kijken en omdat ze via de televisie met veel producten worden geconfronteerd. Het duidelijkste voorbeeld is de reclame op zich. Als er een nieuw product op de markt komt, wordt daar meestal reclame voor gemaakt. Deze reclames kunnen bijvoorbeeld op televisie worden uitgezonden. Dit gebeurt tijdens reclameblokken tijdens en tussen de programma’s door. Dus met het televisiekijken word je vaak automatisch geconfronteerd met reclame en neem je kennis van (nieuwe) producten.

 

Ook televisieprogramma’s zelf spelen hierin een belangrijke rol. Dit is vooral het geval wanneer een bepaald kinderprogramma wordt ondersteund door een gigantische merchandising. Hierbij worden ‘licensed character tie-in programmes’ (een karakter waar omheen een programma en merchandising wordt gemaakt) geproduceerd om nieuwe speelgoedlijnen te promoten. Tom Englehart noemt dit de ‘Strawberry Shortcake’ strategie[31]:

 

Strawberry Shortcake wasn’t just another doll promoted by mass-market advertising. She was a sellable image conceived of by a company called Those Characters from Cleveland, the licensing branch of American Greetings Cards Ltd, to provide instant strong public identification for a new series of children’s products. The image was worth several hundred million dollars in sales of a wide variety of licensed goods ranging form the Kenner doll and accessories to stickers, cut-out books, clothing, cups, jewellery, shoes and food. Moreover, Strawberry Shortcake was not just a decorative motif but an identifiable character, carefully crafted and conveyed through advertising and two of her very own TV specials – thirty minute animated commercials provided as cheap programming to syndicated private TV stations.[32]

 

Snel daarna volgden concepten als He-man, GI Joe, The Transformers en My Little Pony toen de grote speelgoedfabrikanten dit spel wilden meespelen. De televisiespecial werd uitgebreid naar een geanimeerde serial. De serial bood sterkere herkenning aan het character en de gepatenteerde iconografie die op allerlei producten werd geprint.[33]

 

Deze concepten waren eind jaren tachtig, begin jaren negentig erg populair. De ‘Strawberry Shortcake’ strategie bleef populair, want daar wordt nu nog steeds gebruik van gemaakt. Bijvoorbeeld bij het concept Pokémon dat de laatste jaren erg populair is. Het kaartspel en de flippo’s van Pokémon waren de merchandising die ervoor zorgden dat Pokémon voor veel kinderen bekend werd. Pokémon werd bekend en de kinderen gingen ook de serie volgen waardoor de kinderen Pokémon nog leuker gingen vinden en er nog meer merchandising van wilden hebben zoals speelgoed, knuffels, verzamelkaarten, magazines, het computerspel et cetera.

 

Pokémon wordt vaak gezien als een gewelddadige serie. Pokémon gaat over een jongen, Ash, die zijn Pokémon, een soort van beestje, traint om uiteindelijk mee te kunnen doen aan de Pokémon league. Daarbij nemen alle grote trainers met hun Pokémon het tegen elkaar op in een soort arena. Hoe meer Pokémon je hebt hoe beter en hoe sterker je bent. Vechten is daarom eigenlijk het belangrijkste element in Pokémon. Belangrijk hierbij is dat er wel altijd tegen het kwaad wordt gevochten.[34]

 

Kline zou het concept Pokémon waarschijnlijk niets vinden. Pokémon zou voor hem een voorbeeld zijn dat sinds de komst van de commerciële kindertelevisie het alleen maar bergafwaarts gaat met de inhoud van kinderprogramma’s. De inhoud wordt voorspelbaar en is weinig moreel verheffend,[35] en zoals het voorbeeld van Pokémon heeft aangegeven te gewelddadig. Daarnaast zou een concept als Pokémon met al zijn merchandising leiden tot materialistisch gedrag bij kinderen. Dit idee halen David Buckingham en Julian Sefton Green aan in hun tekst ‘Gotta catch ‘em all: structure, agency, pedagogy in children’s media culture,’ als het negatieve denkbeeld over Pokémon:

 

The assumption here is that success is almost guaranteed; and that the children who are the consumers are easy targets for commercial exploitation. Advocates of this view might well go further, arguing that a phenomenon like Pokémon creates ‘false needs’, which it then promises to satisfy through consumption.[36]

 

In dit denkbeeld wordt Pokémon gezien als een middel dat gebruikt kan worden om kinderen commercieel uit te buiten. Dat het behoeftes bij kinderen creëert die door consumptie kunnen worden bevredigd. Tegenover dit negatieve denkbeeld, dat geassocieerd kan worden met de gedachtes van Kline, staan de denkbeelden van Buckingham en Sefton-Green. Zij bekijken Pokémon op een hele andere, positieve, manier, in het opzicht dat Pokémon activiteit vereist en van activiteit afhangt. In dit denkbeeld gaat  Pokémon op een niveau vooral over het verkrijgen van kennis:[37]

 

For the individual, it makes for a considerable degree of longevity: to ‘commit’ to Pokémon is to commit to a long term engagement, which poses some significant challenges in terms of finding, processing, remembering, and applying information. In interpersonal terms, this level of complexity also provides Pokémon enthusiasts with a great deal to talk about.’[38]

 

Pokémon daagt dus uit om kennis te zoeken, te verwerken, te onthouden en tot te passen. Een belangrijk aspect van deze kennis is volgens Buckingham en Sefton-Green, zijn ‘portability’. Dit geeft de manieren aan waarop het overgedragen kan worden tussen media en sociale contexten. Kinderen kunnen bijvoorbeeld naar de serie kijken en zo kennis verzamelen die ze later kunnen gebruiken bij het spelen van het computerspel of in het ruilen van de verzamelkaarten en omgekeerd.[39] Ook kan Pokémon de interactie in de sociale ruimtes van kinderen vergemakkelijken. Zoals het citaat al duidelijk maakte, biedt het iets om over te praten. Het biedt ‘a ticket of entry to play, a pretext for negotiating friendships, as well as a vehicle for competition and conflict.’[40]

 

Voor Buckingham en Sefton-Green is het centrale punt van het positieve denkbeeld dat de teksten van Pokémon, de verschillende culturele uitingen zoals de serie, het kaartspel, het computerspel et cetera, niet louter ontworpen zijn om geconsumeerd te worden in de passieve zin van het woord. In tegendeel, de teksten zijn ontworpen om activiteit en sociale interactie op te wekken. De teksten van Pokémon vereisen in een positieve zin activiteit. Verschillende vormen van activiteiten zijn niet alleen essentieel voor de productie van betekenis en plezier, maar ook voor het primaire mechanisme waardoor het fenomeen (Pokémon) in stand wordt gehouden, en waardoor commerciële winst wordt gemaakt.[41]

 

Hieruit blijkt dat commerciële kinderprogramma’s met een merchandising strategie er omheen helemaal niet zulke negatieve gevolgen hoeven te hebben, zoals de meeste mensen denken. Joke Hermes en Maarten Reesink zagen ook al dat de reputatie van televisie zo onlosmakelijk verbonden wordt met commercialisering, en via die commercialisering met verval van waarden.[42] Het is volgens hen dan ook belangrijk kinderen op tijd goed te leren omgaan met de verleidingen van de cultuurindustrie, dan ze angstvallig voor allerlei merchandising te beschermen.[43]

 

Ook Ellen Seiter gelooft dat commerciële kindertelevisie beter is dan sommige ouders denken. ‘In wanting to have toys and see television programs, children are also expressing a desire for shared culture with their schoolmates and friends and a strong imagination of community.’[44] Character toys dienen bijvoorbeeld om peer-group identificatie op vroege leeftijd te versterken, ze helpen kinderen zich met elkaar op krachtige manieren te identificeren en zetten vaak aan tot conversatie en vriendschap.[45] Tot deze conclusie waren Buckingham en Sefton-Green ook al gekomen. Verder is Seiter van mening dat kinderen juist creatief met commerciële kindertelevisie en de merchandising daar omheen om kunnen gaan:

 

Children are creative in their appropriation of consumer goods and media, and the meanings they make with these materials are not necessarily and not completely in line with a materialist ethos. Children create their own meanings from the stories and symbols of consumer culture.[46]

 

Het creatieve zit dus in het betekenis geven aan de televisieprogramma’s en de merchandising daar omheen. Bovendien hoeven deze betekenissen niet overeen te komen met ideeën over materialisme.

 

Zoals eerder is gezegd, zit het creatieve volgens Seiter ook in character toys. Seiter haalt voor dit argument in haar tekst de psychoanalist Erikson aan. Naar Eriksons mening is het zo dat vooral kinderen die nog niet naar school gaan, op een zeer creatieve manier met merchandising om kunnen gaan:

 

The formulaic, generic nature of these toys and videos, however, makes them especially adaptable for the kinds of play that Erikson suggests, and therefore they are especially attractive to pre-school age children. In fact, they probably encourage this kind of play more than abstract toys such as wooden blocks do. Because they are mass-media goods, these kinds of toys actually facilitate group, co-operative play, by encouraging children to make up their own stories with shared codes and narratives. Yet play with action figures and character dolls and play that makes references to television characters and situations are excluded form the category “creative” by educators interested in manifestations of individual personality and intellectual achievement in children. Television play is often social, shared, collaborative – and very creative.[47]

 

Een serie met daaromheen character-toys dat zich vooral op kinderen richt die nog niet naar school gaan, is Bob de Bouwer. Het programma wordt gemaakt door het commerciële bedrijf HIT Entertainment uit de Verenigde Staten van Amerika en wordt in Nederland uitgezonden op de commerciële zender FoxKids.

 

Zelf produceert Nederland nauwelijks series met veel merchandisingketens er omheen of character tie-in programmes. Waarschijnlijk om de reden dat Nederland een te kleine markt is en het te duur is om zulke programma’s te produceren. Bovendien is het goedkoper om ze vanuit het buitenland aan te kopen. Maar zoals blijkt, zendt Nederland wel degelijk zulke kinderprogramma’s uit, zoals Bob de Bouwer. Speijer zegt hier dan ook over: ‘genereert een character in het buitenland hoge kijk- en waarderingscijfers, dan rent de hele televisiewereld, inclusief de publieke omroep, erachteraan om die in eigen land te krijgen. Ze hebben er veel geld voor over, met name de commerciëlen.’[48]

 

Als voorbeeld van zo’n megasucces gebruiken wij de kinderserie Bob de Bouwer. In het volgende hoofdstuk zullen wij bekijken en analyseren hoe deze serie en de daar bijbehorende merchandising in relatie staan tot materialisme en burgerschap.

 

 

4.Case-study: Bob de Bouwer als uithangbord voor goed burgerschap

 

4.1 Hoezo, Bob?

 

Fox Kids zendt programma’s uit met goed en kwaad. Bloederige taferelen zul je bij ons ook niet zien. Maar we gaan wel verder dan de concurrentie. We bewaken het kindvriendelijke karakter van de zender streng, ook waar het onze internetactiviteiten betreft. Uit onderzoek is onlangs gebleken dat het imago van Fox Kids zowel bij ouders als bij kinderen positief is (…) Het blijkt belangrijk - ook voor het marktaandeel op televisie – om een clubgevoel te creëren en de basisactiviteiten te verbreden.[49]

 

Deze woorden komen van René Boogaard directeur van de commerciële jeugdzender Fox Kids. Deze opvatting staat bijna haaks op de ideeën die er heersen over de programmering van de commerciële omroepen. Tegenwoordig heerst het idee dat er een tegenstelling bestaat tussen burgerschap en materialisme en veel consumeren, de publieke omroepen worden bijna automatisch onder burgerschap geplaatst terwijl de commerciële omroepen zonder pardon onder materialisme worden gezet. Met de komst van Fox Kids zien we dat deze tegenstelling niet zo zwart-wit is.

 

In dit hoofdstuk staat deze schijnbare tegenstelling centraal. We willen onderzoeken of ook kinderprogramma’s van de commerciële omroepen kinderen goed burgerschap leren. Als uitgangspunt nemen we de animatieserie Bob de Bouwer een serie voor kinderen tot een jaar of vijf. Bob de Bouwer wordt gemaakt als coproductie tussen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Deze Angelsaksische oorsprong heeft geen invloed op het leren van burgerschap aan Nederlandse kinderen, want het wordt nagesynchroniseerd uitgezonden op de Nederlandse televisie en het zal dus bijdragen aan wat deze kinderen moeten leren over ‘goed’ burgerschap. Wij gaan er vanuit dat burgerschap in Nederland, Groot-Brittannië en  Amerika vergelijkbaar is.

 

De keuze om voor Bob de Bouwer te kiezen heeft allereerst een praktische reden. Voor beeldmateriaal zijn we aangewezen op de collectie van Surfnet(link:videosearch), deze collectie heeft een beperkt aanbod commerciële kindertelevisie. De reden om voor Bob de Bouwer te kiezen heeft ook te maken met het feit dat de serie nog steeds wordt uitgezonden en bovendien een hoge populariteit geniet onder de jeugdige kijkers. Mede om deze reden kunnen voor dit onderzoek ook de merchandising rondom Bob de Bouwer bekijken.

 

In dit hoofdstuk zullen we allereerst beginnen met een korte toelichting op de serie Bob de Bouwer, vervolgens een beeldanalyse waarbij wordt gelet op de manier waarop Bob de Bouwer kinderen burgerschap leert. De laatste paragraaf zal zich richten op de merchandising rondom de kinderserie, hier willen we kijken naar de relatie tussen burgerschap en de merchandising.        

 

4.2 Wie is Bob?

 

De serie Bob de Bouwer wordt gemaakt door het productiebedrijf HOTanimation, een samenwerkingsverband tussen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Er wordt gebruik gemaakt van de speciale Stop-Frame-Animation techniek waarbij de personages (poppen) echt tot leven lijken te komen.[50] In Nederland verzorgt de kinderzender Fox Kids de uitzendingen van Bob de Bouwer en wordt iedere werkdag in het televisieseizoen 2003-2004 tussen half acht en negen uur uitgezonden.

 

Voorbeelden uit Bob de Bouwer om het onderzoek te ondersteunen komen uit de aflevering ‘Rollie en de Popster’ van de Surfnet Collectie.

 

Het verhaal van Bob de Bouwer is duidelijk en voorzien van een strakke lijn. Bob woont in een rustig stadje op het platteland. Hij is de baas van een bouwbedrijf en samen met zijn vriendin en collega Wendy en een hele bende pratende bouwmachines zorgen ze er iedere aflevering samen voor dat alle klusjes van de stad gedaan worden.

 

Voor iedereen die nog niet bekend is met de personages uit Bob de Bouwer volgt hieronder een korte biografie[51]:

 

 

Bob de Bouwer:

 

Bob is de baas van het bouwbedrijf. Je herkent hem aan zijn blauwe overall, zijn geruit bouwvakkerhemd en zijn gele helm.

 

 

Wendy:

 

Wendy is de zakenpartner van Bob. Zij steekt ook meer dan eens zelf de handen uit de mouwen.

 

 

Scoop:

 

Scoop is de gele graafmachine die niets liever doet dan grond en vuilnis los te maken en op te graven.

 

 

Muck:

 

Muck is de rode bulldozer die erg stoer en sterk lijkt maar tegelijkertijd, maar een klein hartje heeft. Muck houdt van karweien in de modder! Een beetje vuil schrikt hem niet af!

 

 

Dizzy:

 

Dizzy is de oranje cementmolen die altijd lacht en veel plezier beleeft aan het werk. Wist je trouwens dat Dizzy de jongste van de hele bende is?

 

 

Liftie:

 

Liftie is de blauwe kraanmachine die zware dingen kan opheffen en vastgrijpen en gebouwen kan platgooien. Sterke Liftie heeft nochtans van bijna alles schrik!

 

 

Rollie:

 

Rollie is de groene pletwals. Met zijn grote rol kan hij alles platgedrukt krijgen! Gelukkig meent hij het goed met iedereen!

 

 

Spud:

 

Spud is een vogelverschrikker die graag grapjes uithaalt met Bob en zijn maatjes. Dat brengt hem soms wel in problemen.

 

 

Titus:

 

Titus is een kat die ook op het bouwterrein van Bob woont. Titus laat de dingen wel eens in het honderd lopen.

 

 

 

Benieuwd naar de avonturen van Bob en zijn maatjes Klik hier om de aflevering “Rollie en de Popster” helemaal te bekijken, in deze aflevering staat het maken van een wandelpad en vijver centraal.

 

Beschrijving Rollie en de Popster:

Bob is thuis en maakt zich klaar om aan het werk te gaan. Het is ontzettend warm en Bob zou het liefst gaan zwemmen, maar professioneel als hij is, gaat Bob toch aan het werk. Bob zegt dan ook tegen zijn vis (in het aquarium):  “Jou maakt het niets uit Vin, ik zou ook wel de hele dag in zo’n lekker badje willen zwemmen, maar ik heb twee grote klussen!” Fragment: Bob en Vin

      

Ondertussen is Wendy zich aan het klaarmaken voor haar klus, ze moet in het bos een wandelpad aanleggen met bewegwijzering. Wendy zou het liefst naar het strand gaan, maar ook bij haar gaat het werk voor het plezier. Bob gaat vandaag een vijver aanleggen bij Lenny Lazenby, een bekende popster. Samen gaat het team aan de slag om de klus te klaren: “Kunnen we het maken?, nou en of!” Wendy, Muck en Liftie gaan aan de slag met de wandelpaden, terwijl Bob en de andere machines beginnen met de vijver voor Lenny.

 

Tijdens het werk aan de wandelpaden schrikt de blauwe Liftie van een paar kleine eendjes. Wendy spreekt hem moederlijk toe en zegt:”Liftie suffie die je bent, die kleine eendjes zijn veel banger voor jou, dan jij voor hen!” (…) je kunt ook ergens bang voor zijn als dat niet nodig is.” Liftie wordt gerustgesteld en allen gaan verder met het werk. Wendy neemt de eendjes mee om de moeder te zoeken. Wanneer beide klussen klaar zijn, komt iedereen samen bij de vijver van Lenny. Wendy vraagt of de kleine eendjes in de vijver van Lenny mogen wonen. Deze heeft geen bezwaar en om het feest compleet te maken wordt de moedereend met haar kinderen herenigd. Lenny begint op zijn gitaar te spelen en iedereen begint te dansen. Fragment: Lenny's liedje

 

4.3 Bob en Burgerschap

 

Zoals eerder duidelijk is geworden heeft burgerschap vooral te maken met wat door het overgrote deel van de bevolking als goed gedrag wordt bestempeld. Eerder zagen we al de definitie van Derek Heater. Hij maakte duidelijk dat ‘een goed burger’ iemand is, die zijn leven tenminste voor een deel bewust richt op het voordeel van de samenleving waarin hij leeft. Zijn nadruk op personen die niet te beroerd zijn om compromissen te sluiten geldt ook voor de relaties tussen verschillende personen binnen het gezin [of bijvoorbeeld een samenwerkingsverband]. Verder geeft Heater aan dat  het ook geen probleem is voor ‘een goed burger’ morele verplichtingen aan te gaan die zowel horizontaal gericht zijn naar medeburgers als verticaal naar instituties. Balans, inzicht en individuele autonomie zijn tot slot de kernwoorden waar Derek Heater aan denkt bij de term burgerschap.[52]

 

Tegenover dit sociale idee van burgerschap wordt vaak het materialisme als tegenhanger genoemd, Stephen Kline geeft aan dat commercie in een kinderleven nooit kan aanzetten tot ‘goed’ burgerschap: “The marketplace will never inspire children with high ideals or positive images of the personality, provide stories which help them adjust to life’s tribulations or promote play activities that are most help to their maturation. Business interests trying to maximise profits cannot be expected to worry about cultural values or social objectives beyond the consumerist cultural vector that underwrites commercial media.”[53]

 

In de volgende beeldanalyse gaan we kijken of een commercieel geënt project als Bob de Bouwer wel burgerschapswaarden kan uitdragen en kinderen kan inspireren tot goed gedrag. Naast de relatie tussen Bob de Bouwer en burgerschap komt ook de merchandising rondom Bob de Bouwer ter sprake. We willen bekijken welke rol merchandising speelt in de heersende tegenstelling tussen burgerschap en materialisme.

 

4.4 Analyse van Bob de Bouwer

De serie van Bob de Bouwer draait eigenlijk om één centraal thema, samenwerken (zie voorbeeld). Bob, Wendy en de machines werken samen als een team en juist door samen te werken krijgen ze de meest moeilijke klussen geklaard. De bovenstaande aflevering (Rollie en de Popster) vormt dan ook geen uitzondering op de regel. De nadruk op het samenwerken komt iedere aflevering aan bod. Het motto van de serie ‘Kunnen we het maken? Nou en of!’ laat heel goed zien dat samenwerken een belangrijk onderdeel is van Bob de Bouwer. Door deze constante herhaling wordt de jonge kijkers geleerd hoe belangrijk samenwerken is en hoe ver je kunt komen door Bobs voorbeeld te volgen. Goed burgerschap impliceert indirect samenwerken, samenwerken betekent automatisch het horen bij een groep en dan vooral een groep die een gemeenschappelijk doel nastreeft. Werk je niet samen dan ontstaat er een proces van uitsluiting. Bob de Bouwer laat jonge kinderen zien hoe belangrijk het is om bij een gemeenschap te horen.

 

Samenwerking in Bob de Bouwer heeft niet alleen te maken met de werksituatie, ook in de relationele sfeer van Bob is het belangrijk te weten dat je altijd op iemand kunt terugvallen. Bob, Wendy en de pratende machines zijn ook buiten het werk vrienden. Alle personages hebben zo hun eigen specialiteiten en door elkaar aan te vullen en te helpen, krijgen ze alles voor elkaar. Er wordt wel duidelijk gemaakt dat het goed is om jezelf  te ontplooien en je eigen capaciteiten te kennen, maar daar tegenover staat dat jijzelf pas goed tot je recht komt wanneer je bij de gemeenschap hoort, waarin je jouw unieke aandeel kunt leveren.  

 

In Bob de Bouwer is er sprake van een strakke hiërarchie en een moreel besef onder de personages. Er wordt een duidelijk beeld geschetst hoe een ‘ideale’ samenleving er uit zou kunnen zien. Hoewel de personages elkaar aanvullen wanneer er werk gedaan moet worden is er een duidelijk verschil in rang. Zo moet Bob verantwoording afleggen aan de bouwinspecteur meneer Spijker. Wanneer hij niet aardig is tegen de klanten en slecht werk aflevert, is meneer Spijker in de positie Bob hier op aan te spreken. Bob zorgt er voor dat hij zich aan de regels houdt en ‘orders’ opvolgt. Doordat Bob  zich zo opstelt, laat de serie zien hoe belangrijk het is om je aan de regels te houden en je te gedragen als een goed burger. De dienstbaarheid van Bob werpt zijn vruchten af. Iedereen vindt hem aardig en vraagt hem om hulp bij klusjes (Bob zorgt ervoor dat ze niet naar de concurrent gaan).

 

Soms moet Bob een compromis sluiten. In de kerstfilm Bob de Bouwer-Winterspecial[54] heeft Bob met zijn tweelingbroer Tom afgesproken om samen kerst te vieren. Voor het kerst is moet er nog veel werk gedaan worden. Steeds als Bob denkt dat hij kan beginnen met zijn kerstinkopen, komt de burgemeester hem voor een nieuwe klus vragen. Om de versieringen van de stad op tijd af te hebben, moet Bob zijn eigen plannen tijdelijk opzij zetten. In een gemeenschap kan niet altijd de eigen zin worden doorgeduwd. Kinderen moeten leren dat het leven bestaat uit compromissen maken en dat er vaak eerst iets ‘vervelends’ moet worden gedaan voor ze aan hun eigen plezier kunnen denken.

 

Tussen Bob en de machines is er ook een verschil in rang. Hoewel Bob de machines nodig heeft om zijn werk te doen, staat hij qua kennis boven hen. Er zou zelfs gezegd kunnen worden dat Bob en Wendy de ouders/ volwassenen symboliseren en de pratende machines de kinderen. In de aflevering komt dit mooi naar voren. We zien de blauwe Liftie die schrikt van kleine eendjes en zich angstig verschuilt. Wendy legt Liftie moederlijk uit dat hij nergens bang voor hoeft te zijn en dat de eenden banger zijn voor hem dan hij voor de eendjes. Fragment:Wendy helpt Liftie

 

Een ander voorbeeld van kinderlijke trekjes in de machines komt in een aflevering over Wendy’s feestje naar voren. De zus van Wendy komt op bezoek en om dit te vieren geeft Wendy ’s avonds een barbecue. Iedereen is uitgenodigd, ook de machines. Maar wanneer Bob ze op wil halen, liggen ze allemaal al te slapen. Bob vraagt of ze nog mee willen, maar de machines zijn te moe.  “O, ja” zegt Bob, “jullie slapen altijd al om deze tijd”. Net als kleine kinderen liggen de machines al vroeg in ‘bed’. Door een ouder – kind relatie te verwerken in een serie als Bob de Bouwer worden kinderen er op geattendeerd hoe een kind zich ten opzichte van zijn ouders moet gedragen. Kinderen volgen hun ouders en leren van hen wat ze mogen en moeten. Net als kinderen luisteren de machines naar wat Bob of Wendy hen zeggen. Ze gaan niet ongevraagd aan de slag met een klus of op eigen houtje op pad. Pas wanneer Bob of Wendy het startsein geeft gaan de machines aan de slag.

 

Naast een hele volgzame rol hebben de pratende machines ook een andere kant. De machines zijn sterk en kunnen veel. Wanneer zij kinderen symboliseren, impliceert dat ook dat kinderen sterk zijn en tot veel in staat zijn.

 

Een goede burger in Bob de Bouwer heeft respect voor de regels en de gevestigde orde, maar boven alles weet een ‘goed burger’ wat zijn plek is in de samenleving. Wat is een maatschappij zonder dat er iemand tegenaan schopt?  In Bob de Bouwer is er ook ruimte voor de zogenaamde minderheid. Spud de Vogelverschrikker is anders dan de andere personages in Bob de Bouwer. Spud haalt kattenkwaad uit, is vaak met iets anders dan zijn werk bezig en boven alles ziet hij er anders uit. Spud komt vaak in de moeilijkheden door zijn eigen, vaak, domme gedrag, maar Bob en de anderen zorgen er voor dat Spud weer uit de penarie wordt gehaald. Bob de Bouwer toont zo een samenleving waar ook mensen die anders zijn een plaats hebben. Het is de taak van een goed burger om hen te helpen. Aan de andere kant laat Spud ook zien dat er ook mensen moeten zijn die anders zijn, anders zou het wel een hele saaie boel worden. Kinderen moeten eigenlijk kiezen voor een gulden middenweg, een goed burger zijn doch zich onderscheiden van de rest zonder het gevoel een buitenstaander te zijn.

 

Onder de minderheden horen natuurlijk ook de zwakkeren van onze samenleving. Wanneer het winter is, vinden Bob en de machines een nestje vogels. Ze komen tot de ontdekking dat de beestjes geen eten meer hebben. Bob stelt voor om extra voer te halen om de dieren te helpen, want “je moet anderen helpen als ze het moeilijk hebben”. Niet alleen de vogels worden in deze aflevering geholpen. Bob zorgt er ook voor dat een paar verdwaalde egels niet worden gestoord tijdens hun winterslaap. De morele plichten die een burger heeft, worden hier onder de aandacht gebracht.

 

Bob de Bouwer is natuurlijk de onbetwiste hoofdpersoon van de serie. Dit wil niet zeggen dat de serie mannen belangrijker vindt dan vrouwen. In Bob de Bouwer is er een vrouwelijke burgermeester die het kleine stadje leiding geeft. Verschillende bewoners waaronder de eerder genoemde bouwinspecteur meneer Spijker moeten aan haar verantwoording afleggen. De serie probeert zo een samenleving te laten zien waar iedereen gelijke kansen heeft. Bob is bouwvakker, iets wat als een typisch mannenberoep wordt gezien. Zijn vrouwelijke collega Wendy laat zien dat dit onzin is en dat ook vrouwen de bouw in kunnen. In de stad werken ook ‘allochtonen’, zo hebben we de Italiaanse pizzabakker en de donkere kruidenier. Iedereen wordt gelijk behandeld in zwart, wit, man, vrouw.  

 

Zoals we hebben gezien, zou Bob de Bouwer als een uithangbord voor goed burgerschap kunnen worden gezien. Er zijn voorbeelden te over die leren hoe een goed burger zich behoort te gedragen. Na verscheidene afleveringen van Bob de Bouwer te hebben bekeken kunnen we nu concluderen dat ook een kinderprogramma van de commerciële omroepen burgerschapswaarden in zich draagt. Maar waar komt dan die tegenstelling burgerschap-materialisme vandaan? Het lijkt er op dat die zich op een heel ander niveau afspeelt…

 

4.5 Bob en Materialisme

Naast een uithangbord voor burgerschap, zorgt Bob de Bouwer er ook voor dat de jonge kijkers bewust worden van hun rol als consument in de maatschappij. Rondom de serie van Bob de Bouwer is een enorm merchandise-imperium opgebouwd. Het is zo gek nog niet te bedenken of het is te koop. Van Bob’s mobieltje tot LEGO, van broodtrommel tot dekbedovertrek. Kinderen worden aan alle kanten overspoeld met de goede bedoelingen van Bob de Bouwer. Om te laten zien hoe populair de artikelen van Bob de Bouwer zijn, hebben we in twee speelgoedwinkels in Amsterdam[55] gekeken hoeveel aandacht er aan Bob wordt besteed. In de speelgoedwinkels hebben we gezocht naar Bob de Bouwer-artikelen. Een selectie van de verschillende Bob de Bouwer-artikelen is hieronder te bekijken: 

 

 

Figuur 1 Display bij de Blokker

 

Figuur 2 Bob en Wendy poppen

 

Figuur 3 Prijzen bij de Blokker

 

Figuur 4 Display bij de Bart Smit

 

Figuur 5 Samen spelen met Bob de Bouwer

 

Figuur 6 Schoolspullen van Bob

de Bouwer

 

 

Deze enorme hausse aan producten roept meer dan eens weerstand op bij critici. Wanneer kinderen al jong wordt geleerd dat het belangrijk is om veel te kopen en vooral te kopen wat anderen ook hebben, ontstaat er een situatie waar goed burgerschap naar achteren wordt geschoven en de nadruk gaat liggen consumeren.

 

Maar is het dan zo slecht als kinderen de merchandising  van Bob de Bouwer willen kopen? Creëren we monsters door toe te geven aan hun wensen? Mensen als Stephen Kline zullen altijd bevestigend antwoorden, maar wanneer er naar het schoolplein wordt gekeken zien we een heel andere kant van het verhaal. In het vorige hoofdstuk over commercie kwam het fenomeen Pokémon al tersprake. Door het onderzoek van Buckingham en Sefton-Green wordt eigenlijk het tegendeel bewezen. Door merchandise rondom een programma te hebben wordt het groepsgevoel onder kinderen versterkt. Kinderen gaan samen spelen met het speelgoed. Zoals figuur 5 laat zien, worden er ook producten ontwikkeld om samenspel onder kinderen te bevorderen. Naast samenspel kunnen de artikelen ook aanleiding geven tot gesprekken of zelfs vriendschappen tussen kinderen. In het klaslokaal kunnen bijvoorbeeld de schoolspullen hiertoe dienen, zie figuur 6. Door dezelfde artikelen te hebben, zien kinderen dat ze hun interesse in Bob de Bouwer gedeeld wordt. Maar dit kan ook een proces van in- en uitsluiting veroorzaken. Kinderen die de producten kunnen kopen zullen bij de groep horen en een eigen ‘gemeenschap’ vormen. Hier tegenover staan de kinderen die geen geld hebben om steeds de nieuwste Bob-de-Bouwer-rugzak aan te schaffen.

 

 

5. Conclusie

 

In deze paper hebben we onderzocht of het commerciële fenomeen Bob de Bouwer de tegenstelling tussen burgerschap en materialisme bevestigt. Na een uitgebreide analyse van het programma Bob de Bouwer, zijn we er achter gekomen dat in de tekst van Bob de Bouwer burgerschap juist een hele grote rol speelt. Wij beschouwen Bob de Bouwer dan ook als uithangbord voor burgerschap. In iedere aflevering wordt er veel aandacht besteed aan bijvoorbeeld samenwerking en morele plichten. Ook een kinderprogramma van de commerciële omroep kan dus zeker burgerschapswaarden in zich dragen en moreel verheffend zijn. De televisie maakt met het oog op publieke en commerciële omroepen geen onderscheid tussen burgerschap en materialisme.

 

Het lijkt er op dat de tegenstelling zich op een heel ander niveau afspeelt. Bob de Bouwer als programma bevestigt niet de bovengenoemde tegenstelling. Hoewel het een commercieel programma met merchandising is, promoot het wel burgerschapswaarden. De tegenstelling speelt zich dus niet af op het niveau van het programma, maar op het niveau van de merchandising. Aan de ene kant draagt merchandising bij aan het burgerschapsideaal. De producten promoten namelijk samenspel en creatief bezig zijn. Maar aan de andere kant wakkert merchandising materialisme aan. Kinderen willen Bob de Bouwer-artikelen om erbij te horen. Hierdoor zorgt het voor een proces van in- en uitsluiting.

 

Het merkwaardige aan dit proces van in-en uitsluiting, is dat het ook een typisch kenmerk van burgerschap is. Hoewel dit proces aan de kant van het materialisme staat is het ook een kenmerk van burgerschap. Burgerschap en materialisme zijn dus niet tegenover elkaar te zetten, het een sluit het ander niet uit. Dit wordt echter wel aangenomen in de discussie over burgerschap en materialisme. Tot slot kunnen we stellen dat de tegenstelling tussen publieke en commerciële omroepen genuanceerd moet worden. De publieke kinderprogramma’s richten zich niet alleen op de verheffing van de burger, net als dat de commerciële kinderprogramma’s zich niet alleen richten op commerciële doeleinden dat materialistisch gedrag van kinderen bevordert.

 

 

6. Bibliografie

 

·         Bob de Bouwer. Rollie en de popster. Surfnetcollectie. Video. Keith Chapman. Publisher: HITentertainment/Hotanimation Ltd. Contributor: Bridge Entertainment Group. Release date: 20-08-2002. Duration: 00:10:08

 

·         Bob de Bouwer- Winterspecial. FoxKids. 25-12-2003.

 

·         Buckingham, David. After the Death of Childhood. Growing up in the age of electronic media. Cambridge/Oxford: Polity Press, 2000.

 

·         Buckingham, David en Julian Sefton-Green. ‘Gotta catch ‘em all: structure, agency, pedagogy, in Children’s media culture’ in Media, Culture & Society. 25(3), May 2003: 379-399.

 

·         Heater, Derek. Citizinship. The Civic Ideal in World History, Politics and Education. London: Longman, 1990.

 

·         Hermes, Joke en Maarten Reesink. ‘Hoofdstuk 6. Kinderen en Televisie(onderzoek)’ in Inleiding Televisiestudies. Amsterdam: Boom, 2003: 145-161.

 

·         Kline, Stephen. Out of the Garden. Toys, TV, and Children’s Culture in the Age of Marketing. London/NewYork: Verso Press, 1993.

 

·         Marshall, T.H. Citizenship and social class and other essays.1950.

 

·         Seiter, Ellen. Sold Separately. Children and Parents in Consumer Culture. New Brunswick, N.J. Rutgers University Press, 1993.    

 

·         Turner, Brian S. Citizenship and social theory. London: Sage, 1994.

 

·         Valkenburg, Patti, M. Sinterklaasgedachten: De ontwikkeling van kind tot consument. Amsterdam: Het Spinhuis, 1998.

 

·         Wal, Geke van der. Kleine Mensen, Grote Zaken: Kindertelevisie, Commercie en Internet. Amsterdam: Veen, 2001.

 

·         Zoonen, Liesbet van. Media, Cultuur en Burgerschap: Een Inleiding. Amsterdam: Aksant, 2002.

 

·         http://www.computerfilm.com/stopframe.htm d.d. 22 januari 2004

 

·         http://www.hitentertainment.com/bobthebuilder/uk/parents/index.asp d.d. 6 november 2003

 

 



[1] http://www.hitentertainment.com/bobthebuilder/uk/parents/index.asp d.d. 6 november 2003

[2] Zoonen, van 1999: 7

[3] ibid

[4] Zoonen, van 1999: 8

[5] ibid: 9

[6] ibid: 9

[7] Heater, Derek 1990: 43

[8] Zoonen, van 1999: 9

[9] Marshall, T.H. 1950: 15

[10] Zoonen, van 1999: 137

[11] ibid: 137-138

[12] Turner 1994: 96

[13] Zoonen, van 1999: 138

[14] ibid: 141

[15] Zoonen, van 1999: 142

[16] ibid: 142

[17] Het Engelse Centre for Contemporary Cultural Studies, verbonden aan de Universiteit van Burmingham.

[18] Zoonen, van 1999: 139

[19] Buckingham 2000: 166 

[20] ibid: 169

[21] Buckingham 2000: 207

[22] Seiter 1993: 102

[23] Valkenburg 1998: 1

[24] Valkenburg 1998: 2

[25] ibid: 3

[26] Buckingham 2000: 163

[27] Van der Wal 2001: 30-31

[28] Buckingham 2000:148

[29] ibid: 159-160

[30] Kline 1993: 73-74

[31] K1ine 1993: 139 Strawberry Shortcake is het product dat het eerste echte succesvolle gebruik van Engleharts nieuwe marketingconcept vaste vorm gaf.

[32] ibid: 139

[33] Ibid: 139

[34] Hermes en Reesink 2003: 148-149

[35] ibid: 152

[36] Buckingham and Sefton-Green, 2001: 384

[37] ibid: 388

[38] ibid: 388

[39] Buckingham and Sefton-Green, 2001: 388

[40] ibid: 389.

[41] ibid: 389.

[42] Hermes en Reesink 2003: 152

[43] ibid: 149

[44] Seiter 1993: 9

[45] ibid: 223

[46] Seiter 1993: 10

[47] ibid: 191

[48] Wal, van der 2001: 33

[49] Geciteerd in Wal, Geke van der 2001: 21

[50] Voor meer informatie over deze techniek willen wij u toch verwijzen naar de website van HOTanimation. Http://www.computerfilm.com/stopframe.htm d.d. 22 januari 2004.

[51] Te vinden op www.ketnet.be d.d. 22 januari 2004 Het is hierbij opvallend dat Bob de Bouwer in België wel op de publieke zender is in tegenstelling tot de situatie in Nederland.

[52] Heater 1990: 43

[53] Buckingham 2000: 148

[54] Deze film is op FoxKids uitgezonden op 25 december 2003.

[55] Blokker: Kalverstraat 41 Amsterdam, Bart Smit: Kalverstraat 193-195