Het Getijdenboek van Geert Groote

Het Getijdenboek van Gherijt die Grote alias Gerardus Magnus, maar beter bekend als Geert Gro(o)te (1340-1384) is het meest gelezen laat-middeleeuwse boek in de volkstaal in de noordelijke Nederlanden. Het is een gebedenboek dat op de vaste (ge)tijden van de dag (metten, primen, lauden, tertsen, sexten, nonen, vespers en completen) ter hand genomen werd.
Met de invoering van het kloosterwezen in het Westen door Benedictus van Nurcia (ca. 480-ca. 550) werd voor de monniken een dag-en-nacht-ritme vastgesteld, waarmee deze ‘engelen op aarde’ de Heer vol-continue konden (be)dienen. Dat gebeurde met het uitspreken van gebeden, en met het wekelijks zingen van alle 150 psalmen. In de loop der eeuwen werd dit strenge regime verzacht en aangepast: metten (zonsopgang), tertsen (koffietijd), sexten (12:00), nonen (theetijd), vespers (zonsondergang).
In zijn jonge jaren was Geert, geboren te Deventer, een wereldlijk denkend, vermogend en ambitieus man. Op zijn vijftiende ging hij naar Parijs om daar de Zeven Vrije Kunsten te studeren, om daarna verder te gaan met rechten en theologie - geen van beide studies voltooid. Daarnaast legde Geert een levendige belangstelling aan de dag voor astrologie en zwarte kunst. Vanaf 1371 werd hij kanunnik te Utrecht, een deels religieuze, deels wetenschappelijke, deels bestuurlijke aanstelling aan een bisschoppelijke kerk.
In 1372 werd Geert doodziek en vroeg hij om het heilig sacrament der stervenden. De geestelijke die hem bediende, weigerde hem de absolutie te geven - zijn zonden te vergeven - als Geert niet eerst beloofde zijn 'toverboeken’ te zullen verbranden. Nadat zijn boeken in vlammen opgegaan waren, volgde een wonderbaarlijk herstel. Vanaf die tijd richtte Geert zijn aandacht op geestelijke zaken, en groeide hij uit tot de peetvader van de Moderne Devotie. Vanzelfsprekend bracht zijn bekering hem in conflict met de gevestigde kerkelijke machthebbers, met als gevolg een preekverbod. Geert maakte van de nood een deugd door voor zijn ‘ongeletterde’ volgelingen enkele Latijnse teksten te vertalen, waaronder dit Getijdenboek. De standaardeditie is: Het getijdenboek van Geert Grote naar het Haagse handschrift 133 E 21. Uitgegeven door N. van Wijk. Leiden 1940. Een digitale versie van de tekst van het handschrift Den Haag, K.B. 133 E 21 is te vinden op de CD-ROM Middelnederlands. Den Haag-Antwerpen 1998.
Het hier geŽditeerde handschrift is, voordat het als Hs. 4 in de kunstcollectie van Huis Bergh werd opgenomen, opzettelijk verminkt door een aantal rijk gedecoreerde bladen eruit te snijden, om die los te verkopen. Als gevolg hiervan bevatte de codex een aantal losse bladen. Bij het opnieuw inbinden en inplakken van de codex zijn twee bladen - 14 en 13 in de huidige bladnummering - abusievelijk na de kalender ingebonden, zoals Willem de Vreese al vaststelde toen die in de jaren dertig van de vorige eeuw het handschrift beschreef voor zijn Bibliotheca Neerlandica Manuscipta. In deze diplomatische editie zijn deze bladen met behoud van de huidige foliŽring op de juiste plaats in de codex ingevoegd. De uitgesneden bladen zijn tot op heden niet teruggevonden. Qua volgorde van de gebeden wijkt Hs. 4 af van de standaardeditie. Gebruikelijk lijkt: 0) Kalender, 1) Getijden van de Heilige Maagd, 2) Getijden van de Heilige Geest, 3) Korte Getijden van het Heilig Kruis, 4) Getijden van de Eeuwige Wijsheid, 5) Lange Getijden van het Heilig Kruis, 6) De Zeven Boetepsalmen, 7) Litanie, 8) Dodenvigilie. Hs. 4 bevat achtereenvolgens: 0) Kalender, 1) Getijden van de Heilige Maagd, 2) Lange Getijden van het Heilig Kruis, 3) Getijden van de Eeuwige Wijsheid, 4) Getijden van de Heilige Geest, 5) De Zeven Boetepsalmen, 6) Litanie en 7) Dodenvigilie.
In de kalender vindt men ook wat verschillen ten opzichte van het exemplaar dat Van Wijk gebruikte voor zijn editie, wat erop kan duiden dat het boek bestemd was voor een andere regio en misschien ook een andere doelgroep dan de IJsselse bakermat. Zo wijzen de in het rood geschreven feestdag van de Elfduizend Maagden (21 oktober) en de zwart geschreven feestdag van de Drie Koningen op 11 januari richting Keulen: Lydia Wierda, De Sarijs-handschriften. Laat-Middeleeuwse handschriften uit de IJsselstreek. Zwolle 1995.
Hier en daar zijn in Hs. 4 bladen uitgesneden, die vrijwel zeker rijkversierd waren en miniaturen bevatten, dat wil zeggen schilderijen. Anders dan de naam nķ suggereert, hoefden die absoluut niet klein te zijn - je had ze bladgroot - de naam is afgeleid van minium, (rood) loodoxide, dat als verfstof gebruikt werd. Over deze “verdwenen verluchting” bestaat een ongepubliceerd artikel van Baad Loos uit 1992, waarin wordt voortgeborduurd op eerdere beschrijvingen van Hs. 4, en waarin een geslaagde reconstructie van de oorspronkelijke codex wordt beschreven. Minder prestigieus versierde bladen bleven gelukkig wel bewaard. Voor de kunsthistorische aspecten daarvan raadplege men: Anne S. Korteweg (red.), Kriezels, aubergines en takkenbossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften uit de vijftiende eeuw. Zutphen 1992.
Het tekstverlies dat hierdoor ontstond werd in voetnoten aangevuld. Wie geÔnteresseerd is in de precieze vindplaats (in het Oude en Nieuwe Testament) van de in dit boek door Geert Groote bijeengelezen gebeden kan terecht bij: K. de Gheldere, Ghetiden Boec. Naar een handschrift der XVe eeuw. Gent 1893. De meest recente informatie over het Getijdenboek van Geert Grote met uitgebreide literatuurverwijzingen vindt men in: R.Th.M. van Dijk, ‘Methodologische kanttekeningen bij het onderzoek van getijdenboeken’, in: Th. Mertens e.a., Boeken voor de eeuwigheid. Middelnederlands geestelijk proza. Amsterdam 1993, p. 210-229, p. 434-437.

Editie: