Legenda aurea - Gouden legenden

(in bewerking)

Terwijl ik in 1991-1992 herstelde van hoornvliestransplantaties aan beide ogen had ik meer dan voldoende tijd om na te denken over wat ik allemaal wilde gaan doen als ik weer zou kunnen lezen. Ik besloot om de tweede helft van mijn wetenschappelijke leven te wijden aan teksten die bij voorkeur onuitgegeven waren, vertaald waren zodat je de auteur / vertaler op zijn vingers kon kijken, en die aantoonbaar invloedrijk waren in hun tijd en daarom van groot belang voor de reconstructie van de middeleeuwse belevingswereld.
    Omdat ik wist dat er een handschrift in twee banden van de onuitgegeven Legenda aurea in de UBA UvA bewaard werd, en omdat er vanuit de studenten behoefte was aan een extra doctoraal-werkgroep, besloot ik een diplomatische editie van dit handschrift VI B 14-15 te bezorgen. En zo geschiedde. Het was heel veel werk, maar het werd door allen met plezier verzet en na afloop lag er een integrale (digitale) editie op tafel.
    Terwijl ik zocht naar een mogelijkheid om deze editie te publiceren sprak ik Amand Berteloot. Die bleek zich in zijn onderzoek naar taalgeografische variatie ook bezig te houden met de Middelnederlandse vertaling van de Legenda aurea. Maar met dit cruciale verschil dat hij meer dan één handschrift in zijn onderzoek betrok en streefde naar een editie van het oudste, volledig bewaard gebleven handschrift. Het handschrift dat ‘ik’ had uitgegeven was een jonge loot aan de stam: Utrecht 1438. De vertaling zelf werd door Petrus Naghel van Aalst voltooid op 9 januari 1358 (onze jaarstijl) en het oudste complete handschrift dateerde van omstreeks of kort voor 1400. Wat de zaak verder compliceerde was dat ‘mijn’ handschrift heterogeen was: een mengeling van de zogeheten Zuidnederlandse vertaling en de zogeheten Noordnederlandse vertaling. Publicatie van ‘mijn’ handschrift zou een heel verkeerd beeld geven van 'de' Middelnederlandse Legenda aurea en vrijwel zeker de publicatie van de oorspronkelijke (Zuidmiddelnederlandse) vertaling belemmeren. Ik heb daarop besloten 'mijn' editie niet te publiceren.

[Onlangs echter heb ik deze diplomatische editie(s) op deze website on-line gezet:

- Amsterdam UBA UvA, hs. VI B 14: Winterstuk (Utrecht 1438)
- Amsterdam UBA UvA, hs. VI B 15: Zomerstuk (Utrecht 1438) - extra collatie i.s.m. mevr. drs. Mieke Koeman

Van deze anonieme Utrechtse? kopiist van dit tweebandige papieren handschrift is een op perkament geschreven Zomerstuk bewaard gebleven dat in 1439 voltooid werd: UB Leiden hs. Ltk. 279. Van dit handschrift heb ik samen met mevr. drs. Swanny Kessens een diplomatische editie gemaakt met de bedoeling beide afschriften met elkaar te vergelijken. Uit die vergelijking bleek dat het jongere handschrift onmogelijk een afschrift kan zijn van het één jaar oudere handschrift, maar dat het naar een derde handschrift werd afgeschreven. Opvallend is de consequente spelling in hs. VI B 14-15 en de willekeurige(r) spelling in hs. Ltk. 279. Merkwaardig is ook de Latijnse kalender in Ltk. 279 en de Hollandse in hs. VI B 14-15.

- Leiden UB, hs. Ltk. 279: Zomerstuk (Utrecht? 1439)]

In 1993 vond een Dozentenkonferenz (van alle universitaire docenten Nederlands in het Duitse taalgebied) in Keulen plaats, waarbij Amand Berteloot en Geert Claassens aanwezig waren. Tijdens die conferentie zijn er concrete plannen gemaakt om te komen tot een kritische editie van de Legenda aurea.
    Omstreeks deze tijd moet er ook een bijeenkomst zijn geweest, waarbij Ludo Jongen, Johan Oosterman en Wybren Scheepsma met Amand Berteloot hebben gesproken en hun interesse in deelname aan dit Legenda aurea-project hebben uitgesproken. Ook is er contact geweest tussen Amand Berteloot en Eef Overgauw, die werd aangezocht voor het maken van een codicologische beschrijving van het Brusselse handschrift (Brussel KB 15140) dat de basis van de kritische editie vormt.
    De volgende fase werd gekenmerkt door het heen en weer sturen van (wit-zwart) fotokopieën van dit handschrift Brussel 15140 en transcripties daarvan. Uiteindelijk kwamen die bij mij terecht en ik reeg die transcripties aaneen tot een diplomatische editie. Dit alles vond plaats in een tijdperk, waarin e-mail weliswaar gebruikelijk was, maar nog niet door iedereen gebruikt werd. Een Internet-aansluiting was normaal gesproken op de werkplek aanwezig, maar nog lang niet altijd thuis. Bandbreedte, processorkracht en harde schijf-ruimte waren niet te vergelijken met wat wij nu gewend zijn. Kortom, het was behelpen, waarbij de geografische afstanden (Amsterdam, Leiden, Leuven en Münster), en de primaire werkzaamheden van alle betrokkenen een (te) grote vertragende rol speelden. Contact verliep via e-mail of via de 'slakken'-post. Er waren geen fysieke bijeenkomsten van de deelnemers aan dit project.
    Een ‘tussentijdse evaluatie’ leidde tot reductie van de werkgroep tot drie editeurs en tot een stroomversnelling van de werkzaamheden, maar de geografische afstanden vormden nog altijd een moeilijk te nemen hindernis: het bleef in de praktijk onmogelijk om anders dan incidenteel bij elkaar te komen om de vele grote en kleine problemen gedrieën  te bespreken, waarvoor de editeurs zich geplaatst zagen.
    Ondertussen waren er onder leiding van Amand Berteloot transcripties vervaardigd van het onvolledige handschrift Brugge en het volledige handschrift Stockholm. Van groot belang was ook het verschijnen van de editie Maggioni van de Latijnse brontekst in 1998. Tot dan toe waren wij gedwongen de Middelnederlandse vertaling te vergelijken met de editie-Graesse, waarvan de derde en laatste druk dateerde uit 1890.
    Inmiddels was ik vertrouwd geraakt met communicatie via MSN en met video conferencing zoals aangeboden door Surfnet. Nu waren het de universitaire systeem- en netwerkbeheerders die dwars lagen, omdat deze verbindingen onveilig zouden zijn. Pas met de doorbraak van Skype bleek het mogelijk om wekelijks een middag af te spreken, waarop wij met elkaar konden confereren. Als er één factor doorslaggevend geweest is voor het voltooien van wat wij nu aanbieden dan is het deze vorm van Internet-communicatie geweest.
    Toen het werk aan de editie (niet voor de eerste keer) opnieuw werd gestart, stelde Amand Berteloot voor om niet vooraan te beginnen, maar met de legende van de dichtstbijzijnde kalenderdag. En zo begonnen wij met legende 82: Van sinte Leone paus (28 juni). Nadat wij twee jaar later het einde van het boek gehaald hadden, keerden wij terug naar ons uitgangspunt en gingen vandaar terug, Eind vorig kalenderjaar bereikten wij zo het Pinksterfeest.
    Omdat de Legenda aurea een nogal lijvig boek vormen, heeft men al gedurende de Middeleeuwen geprobeerd dit boek wat handzamer te maken door het op te delen in twee stukken. Hierbij liet men één deel beginnen met Pinksteren en dat deel eindigde met de laatste tekst in het boek over hoe een kerk te wijden. Dit deel noemde men het Zomerstuk. Het andere deel begon met de Advent en eindigde met Pinksteren, en dat deel noemde men het Winterstuk. In het Brusselse handschrift 15140 dat wij editeren is deze scheiding niet aangebracht. Het handschrift is wat men in Duitsland een ‘Einband’ noemt. Ms. 15140 bevat de gehele Legenda aurea-vertaling en niets anders. Daarvoor had één kopiist 402 bladen perkament nodig, dat zijn 804 bladzijden, gevuld met twee kolommen van 41 regels.
    Wie vertrouwd raakt met het handschrift Brussel 15140 kan heel veel vooroordelen die negentiende-eeuwse filologen koesterden jegens middeleeuwse kopiisten als pure laster ter zijde schuiven. De literaire teksten waarop zij hun (voor)oordelen baseerden, zijn absoluut niet representatief voor de middeleeuwse handschriftencultuur die toch vooral uit handschriften met geestelijke teksten bestaat. Waar het gaat om heilige boeken konden middeleeuwse redacteurs-kopiisten een nauwkeurigheid en een acribie aan de dag leggen die vergelijkbaar is met de onze.
    Brussel 15140 is een ouderwets ogend handschrift [klik hier voor een specimen], omdat de kopiist de minuskel ‘v’ niet gebruikt behalve in Romeinse cijfers. Hij gebruikt zowel aan het begin van een woord als binnen het woord de ‘u’. De kopiist maakt gebruikt van ‘hoofdletters’ en interpunctie en ook is het handschrift gecorrigeerd en geglosseerd. Hoe de vertaler aan zijn handschrift met de Latijnse brontekst kwam, weten wij niet, maar de praktijk leert dat Middelnederlandse vertalers heel vaak een handschrift uit de periferie gebruikten dan wel moesten gebruiken. Als men later een beter handschrift in handen kreeg kon men corrupte woorden en passages verbeteren. Dit is in handschrift 15140 gebeurd. Het handschrift is door een andere hand (of twee handen?) dan die van de kopiist verbeterd met vertalingen van een zuiverder brontekst. Ook was de corrector zich bewust van het feit dat verschillende mensen verschillende woorden voor hetzelfde kunnen gebruiken. In de marge vindt men regelmatig alternatieve lezingen.
   
Nu wij het 'Zomerstuk' voltooid hebben, brengen wij dit graag onder ogen van de vakgenoten in de hoop dat wij met hun kritiek onze editie kunnen verbeteren voordat hij tezijnertijd in druk zal verschijnen.
    De editie behoeft geen nadere toelichting dan dat het gaat om een kritische editie, waarin zo min mogelijk aan de oorspronkelijke tekst veranderd is. Tezijnertijd zal ook de diplomatische editie (digitaal) gepubliceerd worden, waarin men nog beter kan zien hoe de tekst in het handschrift is opgetekend. Dat wij nog even wachten met het publiceren van deze diplomatische editie heeft te maken met het praktische feit dat er nog altijd in gecorrigeerd wordt.
    Waar de tekst van het handschrift onduidelijk is, citeren wij in een voetnoot de brontekst in de editie-Maggioni. Fouten in de tekst zijn verbeterd. Waar nodig wordt paleografisch-codicologisch commentaar gegeven. Er is geen woordverklaring. Daarvoor raadplege men het digitale Middelnederlandsch Woordenboek op de site van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden.

- KB Brussel, hs. 15140, 'Zomerstuk', voorpublicatie van een kritische editie in staat van wording.