Vanden proprieteyten der dinghen

In 1485 publiceerde de Zeeuwse drukker / uitgever Jacobus Bellaert, die van 1483 tot 1486 in Haarlem werkzaam was, een Nederlandse vertaling van De proprietatibus rerum (ca. 1240). Deze 13e-eeuwse encyclopedie “Over de eigenschappen der dingen” van de Franciscaan Bartholomeus Anglicus legt in 19 boeken, in alfabetische volgorde Gods schepping uit met systematische gebruikmaking van de belangrijkste naslagwerken en de gezaghebbendste auteurs uit de antieke en middeleeuwse wereld.
   Wie die vertaler was, is niet bekend. Omdat de vertaler zichzelf meester Jacobus noemt, heeft men wel verondersteld dat Jacobus Bellaert zélf deze klus geklaard heeft. Ik heb daar zo mijn twijfels over. Om te beginnen zou het in dat geval veel meer voor de hand gelegen hebben dat meester Jacobus een gedrukte versie van De proprietatibus rerum gebruikt zou hebben. De vertaler echter gebruikte een tekst in handschrift. Ook wijzen taal en spelling allesbehalve naar een ontstaan in het laatste kwart van de vijftiende eeuw. Integendeel, het lijkt mij veel waarschijnlijker dat deze vertaling nog in de veertiende eeuw tot stand kwam, naar ik vermoed in Brabant, en dat Jacobus Bellaert deze vertaling al dan niet in opdracht of op verzoek liet zetten en drukken. Men denke hierbij aan Geraert Leeu (gest. 1492), die veertiende-eeuwse proza-versies van Jacob van M(a)erlants Historie van Troyen en de Destructie van Jherusalem zonder noemenswaardige aanpassingen op de pers legde.
   De Werkgroep Middelnederlandse Artesliteratuur (WEMAL), onder de bezielende leiding van prof. dr. Orlanda S. Lie, besloot zichzelf een diplomatische editie van deze Middelnederlandse vertaling te bezorgen om de viering van het tweede WEMAL-lustrum kracht bij te zetten. Omdat het een nogal lijvig boek is, bood ik aan om samen met studenten Historische Nederlandse Letterkunde UvA een deel van het editiewerk te verzetten. Niets immers is leerzamer voor een beginnend historisch letterkunde als de confrontatie met de bronnen en het editeren van een (onuitgegeven) tekst.
   Nadat er een begin gemaakt was met de diplomatische transcriptie wilde ik mijn studenten leren hoe je van een diplomatische transcriptie (regel voor regel conform de bron) eerst een diplomatische editie en vervolgens een kritische editie maakt. Dat laatste bleek ‘onmogelijk’. De Angelsaksische vertaling van John Trevisa (1342-1402) was na enig wennen aan de van ons alfabet afwijkende karakters voor de studenten begrijpelijker dan Bellaerts druk van 1485. Maar ook daarmee lukte het niet licht in de duisternis te laten schijnen, daarvoor waren de verschillen te groot. Dit editie voornemen moest ik dus snel opgeven en tegelijkertijd een nieuwe invulling van het werkcollege bedenken ... Gelukkig was er vers van de pers een editie van Liber XVII – over alles wat groeit en bloeit – bezorgd door Iolanda Ventura. Letterlijk ‘dankzij’ deze editie werd de Middelnederlandse tekst bergijpelijk, en kon worden nagegaan waar een zin begon en waar hij eindigde of geacht werd te beginnen of te eindigen.
   Uit de recent verschenen dissertatie van Saskia Bogaart was inmiddels duidelijk geworden dat de Middelnederlandse vertaling – zoals gebruikelijk – niet aansloot bij de ‘standaard-editie’, maar verwant was aan een buitenbeentje, dat ook nog eens onvolledig was overgeleverd. In de loop van Boek 15 houdt de tekst in het handschrift op.
   Dat de Middelnederlandse tekst zo moeilijk te begrijpen was, ligt niet aan gebrekkige kennis van het Latijn van de vertaler. Integendeel, daar is niets mis mee. Zijn probleem was niet de vadertaal maar de moedertaal, waarmee hij – zoals zo veel ‘geleerden’ uit die tijd – veel minder praktische ervaring had. Heel veel woorden die hij gebruikt om het Latijn te verdietsen zijn allesbehalve gangbaar.
   Het grootste probleem echter lijkt het handschrift te zijn geweest dat de vertaler tot zijn beschikking had. Daar moet het nodige aan gemankeerd hebben. De interpunctie moet heel vaak heel onduidelijk en verwarrend zijn geweest, met als gevolg dat de vertaler regelmatig een verkeerde verbinding van zinsdelen en bijzinnen maakte. Ook zal er het nodige ontbroken hebben in zijn exemplaar. Uit niets blijkt dat de vertaler de bedoeling had toe te voegen of weg te laten (behalve dan misschien etymologische uitweidingen, want die zijn niet besteed aan de doelgroep). Integendeel, zijn streven lijkt erop te zijn gericht een woord voor woord en zin voor zin vertaling te bezorgen.
   In de kritische editie van boek 17 die ik hier in gedeelten van circa honderd pagina's aanbied, is in de Middelnederlandse vertaling met blauw aangegeven wat door de vertaler ten opzichte van zijn brontekst is toegevoegd. In de voetnoten staat de integrale Latijnse tekst op basis van de editie-Ventura, immers het enig bewaard gebleven handschrift met de verwante redactie bevat geen Liber XVII en kon (helaas) niet gebruikt worden. Wat in het Latijn blauw gekleurd is, bleef onvertaald in het Middelnederlands. Aperte vertaalfouten – naar ik veronderstel bijna altijd het gevolg van een corruptie in de Latijnse tekst – en opmerkelijke varianten zijn rood gekleurd.
   Na enig experimenteren heb ik ervoor gekozen de voor ons ‘oeverloze’ nevenschikkende zinsbouw van de vertaler (zo veel mogelijk) te respecteren, en niet in een modern syntactisch keurslijf te persen. De voetnoten staan daar waar in de (editie-Ventura van de) Latijnse brontekst de zin eindigt, en daarmee wordt de vertaling begrijpelijk.
   Met deze kritische editie hoop ik mijn mede-editeurs ervan te overtuigen dat een diplomatische editie van Bartholomeus Engelsman op zich prachtig is, maar in dit geval een te onbetrouwbare tekst oplevert. Moge mijn kritische editie tot navolging stimuleren!
   Gedurende de negentiende eeuw was het bon ton om zich uiterst laatdunkend uit te laten over middeleeuwse kopiisten. Mijns inziens ten onrechte. Het werken aan het Repertorium van Eigennamen in Middelnederlandse Literaire Teksten (REMLT) heeft mij overtuigd van de grote professionaliteit van het gros van de kopiisten. Systematische vergelijking van een problematische lezing in een Middelnederlands handschrift met het variantenapparaat van de editie van de brontekst leidde tot het inzicht dat in negen van de tien gevallen de ‘fout’ al in de brontekst stond. Het moet voor Middelnederlandse vertalers geen sine cure geweest zijn betrouwbare edities van een door hen te vertalen (Latijnse) tekst te bemachtigen. Dat gold zelfs voor wijd en zijd verpreidde teksten als de Legenda aurea. Maar meester Jacobus moet het wel heel slecht hebben getroffen met het exemplaar dat hij – naar ik veronderstel van een anonieme opdrachtgever kreeg met het verzoek deze tekst te vertalen – op zijn schrijftafel had liggen. Een diplomatische editie doet geen recht aan de inspanningen die hij zich getroostte om de dikke Bartholomeus toe te voegen aan het volkstalige referentiekader.

Edities:

– Diplomatische editie Boek 17

– Kritische editie Boek 17 deel 1

– Kritische editie Boek 17 deel 2

– Diplomatische editie Boek 19


Literatuur en links:

– Bartholomeus Anglicus De proprietatibus rerum. Volume VI, Liber XVII (Iolanda Ventura). Turnhout 2007.
– Saskia Bogaart, Geleerde kennis in de volkstaal. Van den proprieteyten der dinghen (Haarlem 1485) in cultuurhistorisch perspectief. Hilversum 2004.
– Willem Kuiper, 'Een schort van vijgebladeren', in: Madoc, tijdschrift voor middeleeuwse geschiedenis 22 (2008), p. 102-109.


Bartholomaeus Anglicus op de website van WEMAL

 

Ga naar het begin van deze pagina

Ga naar het beginscherm