Vrouwen_heimelijcheit, der

Der vrouwen heimelijcheit

 
In de loop van het jaar 1975 werd door vakreferente en adjunct-bibliothecaresse Elsje van Hulsteijn van het Instituut voor Neerlandistiek UvA het verschijnen opgemerkt van: Der vrouwen heimlicheid. Een middeleeuws leerdicht over gynekologie en verloskunde, in het Nederlands van nu gezet en ingeleid door Dr. L. Elaut. Illustraties van F. Zenner. Gent enz. [E. Story-scientia P.V.B.A. wetenschappelijke uitgevers] 1974. Ingenaaid Ills. XLIV + 63 p. Zij bestelde het boek, en nadat het gecatalogiseerd was, werd de titel vermeld op de maandelijks te verschijnen gestencilde lijst van aanwinsten, die op een stapeltje op de tafel van de bibliotheekwacht lag. Studenten waren gewoon een exemplaar van die stapel af te pakken om die op een verloren moment door te lezen op interessante titels.
     Hoe trouw doctoraal-studente Mieke van Doorn die lijst van tafel griste en doorlas, is niet bekend, maar op een dag viel haar oog op deze titel: Der vrouwen heimlicheid enz. Zij vroeg het boek aan, las het aanmoedigende ‘Woord vooraf’ van dr. Marcel Grypdonck, vervolgens de leerzame inleiding van Elaut zelf, en begon aan diens vertaling in “verjongd Nederlands”.
     Aangekomen bij de vertaling van de regels 468-469: “Hierna komt Venus haar geweld, die hoer, ze geeft de neus en mond” voelde Mieke nattigheid. Klopte dat wel?! Gelukkig beschikte de zonder overdrijving rijke instituutsbibliotheek, die in die dagen was toevertrouwd aan de competente, zorgzame en bibliofiele handen van a.a. (nol) sanders, over de editio princeps van Der vrouwen heimlicheid, bezorgd door Ph. Blommaert, in 1848 verschenen in de reeks Maatschappij der Vlaamsche Bibliophielen. Zo kon zij Elauts vertaling, die in het voorwoord een “bronnenuitgave” genoemd werd, vergelijken met de brontekst.
     Deze manier van zelfstandig teksten kiezen, lezen en evalueren – om een modewoord uit die tijd in de goede zin van het woord te gebruiken – was destijds heel gewoon. De universiteit immers schoolde mensen tot het verrichten van zelfstandig, grensverleggend wetenschappelijk onderzoek. In de doctoraalfase werd men als student geacht daar een begin mee te maken, los van en naast het onderwijs dat men volgde. Doorgaans mondde dat eigen onderzoek uit in een doctoraal-scriptie rond een zelfgekozen onderwerp.
     De editie-Blommaert was niet van woordverklaring en commentaar voorzien – de letter A van het Middelnederlandsch Woordenboek verscheen pas in 1882 – en liet zich daarom niet makkelijk lezen en begrijpen. Maar toen Mieke na verloop van tijd zeker meende te weten dat Elauts vertaling lang niet altijd waterdicht was, liet zij een aantal in haar ogen dubieuze passages in vertaling en origineel lezen aan mij, die op het gebied van vrouwelijke heimelijkheden ongeschoold was, maar wel goed Middelnederlands had leren lezen. Haar argwaan bleek terecht. De vertaling, hoe goed ook bedoeld, en hoe verzorgd het boek ook uitgegeven was, bevatte heel veel kleine en een aantal grove fouten, waaronder “Venus, die hoer”.
     Binnen de muren van het Instituut voor Neerlandistiek was vijf jaar daarvoor een eigen algemeen neerlandistisch tijdschrift opgericht: Spektator, tijdschrift voor Neerlandistiek. De gedachte achter de oprichting van dit tijdschrift was het grote gebrek aan publicatieruimte voor de snelle groei van de Amsterdamse neerlandistiek. Er kon, als het tegen zat, gemakkelijk twee jaar verlopen tussen het insturen van een artikel en de uiteindelijke publicatie daarvan in een gerenommeerd vaktijdschrift als De nieuwe taalgids (Utrecht) of het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (Leiden). Besloten werd om samen ongevraagd een recensie te schrijven en die aan te bieden aan Spektator in de hoop dat die op relatief korte termijn gepubliceerd kon worden.
     Tijdens het schrijven van die recensie ging het onderzoek door. De tekst bood nogal wat aanknopingspunten en van het een kwam het ander. Wij gingen ons verdiepen in het afwijkende explicit in geheimschrift: “Explkckt sfcrftxm mxlkfrks” en in de getalsymboliek die hierin vervlochten leek. Wij gingen op zoek naar vergelijkbare boekjes en teksten en kwamen er zo achter dat de lyrische intervallen die de tekst zo bijzonder maken, niet uniek waren voor Der vrouwen heimelijcheit, maar mogelijk deel uitmaakten van een poëticaal protocol om deze ‘heimelijke’ materie in hoofse en dus acceptabele bewoordingen te verpakken. Wij vonden zelfs met hulp van dr. Jan Deschamps (KB Brussel) een handschrift terug, dat sinds de beschrijving ervan in 1830 door Hoffmann von Fallersleben in het eerste deel van zijn Horae belgicae, zoek leek: germ. oct. 187 in de Staatsbibliothek Preussischer Kulturbesitz. Zo kwamen wij erachter dat er een lyrische (Gent) en een zakelijke (Berlijn) versie van Der vrouwen heimelijcheit bestaan moet hebben. Wij losten ook het slot van het acrostichon op: Margar[e]ta Godevartse uut Udim en kwamen tot het vermoeden dat dit het huidige Uedem nabij Kleef zal zijn, wat tot op zekere hoogte overeen leek te komen met de taal van het Berlijnse handschrift. Wij vroegen ons af of het handschrift Gent 444 een dedicatie-exemplaar was: het boek dat aan die “lieve joncfrouwe” was aangeboden – of een kopie daarvan. Het gevolg van dit alles was dat de beoogde recensie uitgroeide tot een artikel, dat verscheen in het dubbelnummer 9/10 van de zesde jaargang van Spektator (1976-1977). Het was ons beider eerste officiële wetenschappelijke publicatie.
     Ondertussen stond ook al vast dat Der vrouwen heimelijcheit het onderwerp zou vormen van Mieke van Doorns doctoraal-scriptie, die ik met meer dan de gebruikelijke belangstelling begeleidde.
     Omdat de dichter van Der vrouwen heimelijcheit in regels 38, 92, 104, 121, 123 en 185 expressis verbis verklaart dat zijn bron een Latijnse tekst was, gingen ook wij er aanvankelijk vanuit dat het tractaat De secretis mulierum de bron was, totdat Mieke erachter kwam dat de bron niet in kringen rond Albertus Magnus, de veronderstelde auteur c.q. compilator van De secretis mulierum, gezocht moest worden, maar dat Der vrouwen heimelijcheit gebaseerd was op een Oudfranse tekst, Les secres des dames. Dat was een doorbraak: middeleeuwse (en antieke) wetenschap voor geïnteresseerde (vrouwelijke) leken.
     Besloten werd om een kritische leeseditie van Der vrouwen heimelijcheit te maken voor een eigentijds publiek van geïnteresseerde leken. Dat het onderwerp en daarmee de tekst op brede en grote belangstelling kon rekenen was ons inmiddels overduidelijk geworden. Vrouwenstudies stond op doorbreken, en vanuit Brussel introduceerde dr. Ria Jansen-Sieben artes-literatuur: middeleeuwse teksten met een wetenschappelijke of praktische inhoud, in de Nederlandstalige academische wereld.
     Mieke studeerde af op een doctoraalscriptie waarin de basis werd gelegd voor die kritische leeseditie. Om te beginnen een inleiding waarin uitvoerig aandacht werd geschonken aan De secretis mulierum, de gemeenschappelijke bron van zowel de Franse tekst als de Middelnederlandse bewerking daarvan. Daarna volgde een kritische editie van het Gentse handschrift 444, omdat dit handschrift een tekst bood die nauwer aansloot bij het archetype verwant dan het Berlijnse handschrift. En tot slot een diplomatische editie van een redactie van Les secres des dames zoals aangetroffen in het Parijse handschrift BNF 19994, een verzamelhandschrift met allerlei medische teksten in de volkstaal. Het doctoraal-examen vond plaats in september 1981.
     Aanvankelijk zat alles mee. Wij konden beiden veel tijd vrijmaken, ook voor veldwerk. Wat ons rest van de Middelnederlandse literatuur is voor het overgrote deel bewaard gebleven buiten de landsgrenzen. Vandaar bezoeken aan Brugge, Brussel en Gent in België, en Parijs in Frankrijk, waar de voor dit onderzoek belangrijkste handschriften en fragmenten bewaard worden. Wij werden doorgaans met open armen ontvangen en kregen alle medewerking. De handschriftenkamer van de bibliotheek van de Universiteit van Gent, waar het handschrift bewaard wordt, werd een tweede huis en de conservator dr. Albert Derolez een soort handschriftelijke schoonvader.
     Maar toen draaide vrouwe Fortuna aan haar wiel. Een ingrijpende verandering in onze persoonlijke omstandigheden en wetenschappelijke tegenwind legden het werk stil.
     De oprichting van de Werkgroep Middelnederlandse Artes Literatuur (WEMAL) door dr. Orlanda Lie in 1999 en een door haar gegeven postacademische cursus gender studies aan de Universiteit van Utrecht had als onbedoeld neveneffect dat Mieke samen met haar schoonzus Annemieke van Doorn de draad weer oppakte. Deze ondersteuning inspireerde en motiveerde Mieke om een nieuwe poging te wagen om een populariserende editie van Der vrouwen heimelijcheit te maken. Zij overleed voordat dit doel gerealiseerd kon worden. Na haar dood werd een nieuwe poging gewaagd dit project te realieren, maar ook ditmaal ging alles anders dan bedoeld. Uiteindelijk hebben Orlanda Lie en ik de kritische editie bezorgd met een Engelstalige inleiding van Orlanda Lie, een Engelstalige vertaling van Thea Summerfield van Der vrouwen heimelijcheit om niet alleen een zo groot mogelijk publiek te bereiken, maar ook in de wetenschap dat er met name in Amerika heel veel belangstelling voor deze materie is: Orlanda S.H. Lie and Willem Kuiper, The Secrets of Women in Middle Dutch. A bilingual edition of Der vrouwen heimelijcheit in Ms. Ghent UB 444. (Translation by Thea Summerfield). Hilversum 2011. ISBN 978-90-8704-215-8. 166 p. In mei 2013 werd dit boek door Feminae: Medieval Women and Gender Index gekozen als ‘Translation of the Month’.
     Als basis voor de kritische editie diende een opnieuw gemaakte diplomatische editie van handschrift Gent UB 444 volgens de richtlijnen van het project Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden (MVN). Deze editie gaat hierbij alsook een zwart-wit facsimile van het Gentse handschrift en het Berlijnse handschrift, aangevuld met secundaire literatuur.
 
 
Edities:
 
– Diplomatische editie van handschrift UB Gent 444, bezorgd door dr. Willem Kuiper
– Zwart-wit facsimile van handschrift UB Gent 444.
– Zwart-wit facsimile van handschrift Staatsbibliothek Preussischer Kulturbesitz germ. oct. 187.
– Ce sont les secres des dames. Deffendus à révéler. Publiés pour la première fois d'après des manuscrits du xve siècle [...] par [Al. Colson, de Noyon]. Paris 1880.
 
 
Literatuur:
 
– Mieke van Doorn en Willem Kuiper, ‘Der vrouwen heimlicheid’, in Spektator 6 (1976-1977), p. 539-551.
– Marlies Coorevits, Van der vrauwen heymlicheide,, een middeleeuws gynaecologisch dichtwerk. Met een editie van handschrift Berlijn Germ. Oct. 187 vers 1077 tot en met 1554. Scriptie voorgedragen tot het behalen van de graad van Master in de Historische Taal- en Letterkunde. Promotor Prof.dr. J. Reynaert. Gent 2007/2008.
– Katrien De Mesmaeker, Van der vrauwen heymlicheide, een middeleeuws gynaecologisch dichtwerk. Met een editie van handschrift Berlijn Germ. Oct. 187 vers 1 tot en met 517. Scriptie voorgedragen tot het behalen van de graad van Master in de Historische Taal- en Letterkunde. Promotor Prof.dr. J. Reynaert. Gent 2007/2008.
– Virginie Depuydt, Van der vrauwen heymlicheide, een middeleeuws gynaecologisch dichtwerk. Met een editie van handschrift Berlijn Germ. Oct. 187 vers 518 tot en met 1076. Scriptie voorgedragen tot het behalen van de graad van Master in de Historische Taal- en Letterkunde. Promotor Prof.dr. J. Reynaert. Gent 2007/2008.
 
 

Ga naar het begin van deze pagina

Ga naar het beginscherm