Aars = anders.
Aaterlingh = ellendeling.
Aelwerig = gemelijk, kwaad.
Al waers = dat zij t meent.
Alleluya is gheleydt, t
= de pret is op.
Apen en Meerkatten = veel geld.
Asingt = aangezicht.
Barbier = baardscheerder.
Bekallen = bepraten, ompraten.
Beneven = naast.
Benier = manier.
Benierlijck = welgemanierd.
Bescheyd = antwoord.
Bescheyden = wijs, verstandig.
Beste-moer = oud vrouwtje, (eig.
grootmoeder).
Beste-vaer = oud mannetje, (eig.
grootvader).
Beusselingh = kleinigheid, wissewasje.
Beyen = wachten.
Bom = grote kist.
Botter = valsspeler
Brief = aanmatiging.
Brief = druktemaker.
Brieven van Octroy =
vergunningen.
Brommen = roemen.
Bulle-back = boeman.
By de schock = bij hopen.
Cornel = kolonel.
Dats alliens, as
daer en toe = Dat doet er nu niet toe.
Datsen Vryer! datsen
Knecht! = Jij bent nog eens een vrijer, en jongeman.
Delf = Delft (de stad).
Deucht = weldaad.
Deur brenghen = verspillen.
Dick = vaak.
Dier staen = veel waard zijn.
Diets maken = op de mouw spelden.
Dolhuys = gekkengesticht.
Dort = Dordrecht.
Dreumelen = drommen, dringen
Drogist = Haarlemmer nathals (drinker).
Drogisten = Haarlemmers.
Droogers = Haarlemmers.
Druystigh = driftig, opvliegend.
Ehaert = verhaard.
En Langst = een hele heer.
Enckel = in zijn eentje.
Engen = vernauwen.
Flaers = slorie, slet.
Garen = graag.
Garstigh = met een bedorven of steke smaak
Geboren beuken = aangeboren grillen.
Geest = piet.
Gekangst = gegokt.
Ghe-ent = beëindigd.
Ghesoffen = gezopen.
Glaas-maker = glasblazer.
Goet mijns = mij genegen.
Gongs = klap (van de molen).
Goons = knorrig.
Gorle goy = schorremorrie, gepeupel,
tuig.
Greep = mestvork.
Grijns = mombakkes, masker.
Groen = aanhalig.
Groen = verliefd.
Guyse = gehele.
Haach = s-Gravenhage.
Haan = kraan.
Haestigh = driftig.
Hem sick = hé zeg.
Hespen = hammen.
Hetsighe = koppige.
Hillen = houwen, hakken.
Hoddebeck = iemand met een grote mond (opschepper).
Hoven = opdienen.
Hylick = huwelijk.
Kallen = kletsen.
Kapoen = gecastreerde haan.
Karmosyn = purper.
Kay = gek.
Kevel-kin = lange, platte kin.
Key = zot, mal.
Kitter = kan, kruik.
Klappen = praten.
Klatteren = klateren, praten.
Klay an de kloet = geld.
Kleuter = dribbelkous.
Kloeck = dapper.
Kneukel = kinkel.
Knevel = snor.
Korsel, Korselig =
licht geraakt, opvliegend.
Kot = bordeel.
Kreuken = kronkels.
Krijten = huilen.
Kuf = vuile kroeg.
Kuyn = koen, dapper.
Kuysen = reinigen, louteren, zuiveren..
Lansmissaten = laagste
officiersrang bij de schutterij. (afgeleid van het Italiaanse
lancia spezzata = gebroken of geknotte lans).
Lebbig = smadelijk.
Lecken = likken.
Leep = tranend.
Licht = gemakkelijk.
Lien = lieden.
Lillen = trillen.
Lincker-manckt = boodschappenmand.
Loer = botterik.
Louter in de vangh = flink uit
de kuiten gewassen.
Lusten = believen, zin in hebben.
Medecyn = arts.
Mees-muylen = grimlachen,
kwaadaardig lachen.
Meuyeren = modderen.
Molick = vogelverschikker (verbastering
van Moloch).
Monckelen = knabbelen.
Morssebel = vuil, slordige vrouw
Murru = half zacht.
Niftjen = nichtje.
Noch = och.
Nock = hik.
Noozen = smarten, leed.
Nuw = grappig.
Of ereen = afgereden, onder het rijden
afgetrokken.
Offici = dienst, ambt
Onger-riem = gordel.
Ontmompen = ontmaskeren.
Op enomen = in extase.
Opschieten = opgooien, tossen.
Optrecker = nachtbraker.
Over-stalligh = buitensporig.
Plaeyster = gips, fijne kalk.
Pock-meester = geneesheer voor
geslachtsziekten.
Poppe-goed = sieraden.
Pracchen = vlijen, bedelen.
Propre = net, schoon.
Provoost = militaire rechtsbeambte.
Quee = kwee, oud wijf.
Quijl-bab = kwijlebabbel, iemand, die
tijdens het babbelen uit zijn/haar mond kwijlt
Reuckloos = roekeloos.
Rustich = kloek, royaal.
Sangt = (heilige) geliefde.
Schier = bijna
Schockieren = schakeren.
Schots = scheef.
Seper = zeker.
Sieden = koken.
Sinjer oock me inden Echt?
= Heb je ze ook trouw beloofd?
Sinlijckheyd = neiging.
Slim = scheef.
Sloncksje = dievenlantaarn.
Smyten = slaan.
Snar = bits.
Sneech = snedig, gevat.
Snoot = armzalig, schamel.
Sonder roy = onbehoorlijk.
Soo
wees dit jonge Paer de saeck an goede mannen = Toen liet het
jonge paar de zaak over aan vertrouwensmannen.
Spaensche Mat = muntstuk ter
waarde van 8 realen (stuk van acht).
Stick-siend = bijziend.
Stoop = kruik, vochtmaat ter grootte van 2½
liter,
Stout = dapper.
Stouter = dappere.
Stribblich = ruzieachtig.
Susterlingh = zusters kind.
Swijmen = buiten kennis raken.
Triumphant = zegevierend.
Uyt me kraft = buiten mezelf.
Uytghenomen = uitgezonderd.
Uytheems = vreemde taal, buitenlands.
Vaan = hoeveelheid drank (4 mengel = 4,8
liter)
Veech = drink uit!
Veeghen = drinken beter zuipen.
Veen-puyt = veenboer..
Verbien = verbieden.
Verkoren = uitgekozen.
Vermaeld = vaal.
Vernemen = zien.
Versieren = verzinnen.
Versluymen = verslempen, verkwisten.
Versoeck = ondervinding, ervaring.
Verweend = prachtig.
Voeder = voer, groot vat.
Vroe(t) = wijs.
Wat geltet hongdert = van
dertien in een dozijn.
Wijnt breecken = pochen, opscheppen.
Wijnt-hongt = windhond.
Aantekeningen:
1 Er staat: ons.
2 Bij het omkeren van van het leeg gedronken glas.
3 Er staat krachten.
4 Waar het tuchthuis stond.
5 Lees: ick Amsterdam?
6 De eerste regel wordt bij het zingen herhaald.
7 De eerste en derde regel worden bij het zingen herhaald.
8 Toespeling op een bekend beeld?
9 De tweede regel wordt bij het zingen één maal, de vierde twee maal herhaald.
Ingezonden door: J.R. van Wijk, 12 december 1997.