Gelukkig hij en Vrij en vroed,
Die neen durft zeggen, neen,
Dat bondig woord, vol mannenmoed,
Tot iedereen.
Neen tot zijn kind, zijn vriend, zijn vorst,
En tot de schare neen!
Uit hooge niet, maar vrome borst,
Neen schoon alléén.
Neen, voor den naam, den roem, de macht,
Den top der blinkende eer,
En waar Fortuin hem lokt en lacht:
Ik biede u meer!
Neen, in t beslissend uur van t lot,
Als t machtig geestenkoor
Des wijzen kloekheid vaak bespot
En brengt van t spoor.
Neen, tot den Booze, in lichtgewaad!
Die t edel hart verleidt
Den Booze niet het zacht gelaat,
Dat bidt of schreit.
Neen, tot zich-zelf, zijn slingrend hart,
Vol gloed of teederheên,
Neen met een traan van spijt, van smart,
Maar nochtans neen.
Gelukkig, op de gladde paên
Des levens, die t vermag
Die man zal recht en veilig gaan,
En eischt ontzag.
Ons ja volgt menig lang berouw,
Te lang, te wreed, te spaê ....
Voor t onbedachte woord der trouw
Is geen genaê.
Ons laf, ons roekloos ja baart pijn,
Bezwaart, verstrikt, voert meê
Ons neen wekt haat, kost moeite en strijd
Doch baart ons vreê.
Verkiest gij rust, voor schande en schaê,
Bij t wisslend levenslot,
Zeg meestal neen, maar zelden ja,
Tenzij tot God!
Volgt Hem, die tranen en gebeên
Weêrstond op harden toon,
En neen sprak tot zijn vriend en neen
Voor s werelds troon!
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001