De Herfstwind huilt door t eikenbosch, De nacht is vochtig koud; Nat, bibbrend, schuilende in mijn kraag, Draaf ik alleen door t woud. Mijn spokende gedachten, zie! Ze draven voor mij uit; En dragen me als een veer zoo licht Naar t huis der verre Bruid. De wachthond blaft! een half dozijn Lakeien licht mij voor; Ik storm de wenteltrappen op Met kletterende spoor. t Is in de comfortable zaal Zoo geurig lekker warm; Daar wacht mij de allerliefste maagd, Daar vlieg ik in haar arm. En door t gebladert fluit de wind, Ha! ha! zegt de eikeboom: Wat deert u, dolle ruiter! en Vanwaar die dolle droom?
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.