De zusters Rosalie Loveling en Virginie Loveling waren afkomstig uit een groot, welgesteld, vrijzinnig Oost-Vlaams gezin. Ze groeiden op in een intellectueel milieu waar de literaire cultuur hun met de paplepel werd ingegoten.
Potgieter schreef in 1871 aan Busken Huet over 'de Jufvrouwen Loveling, voor wier versjes ik de halve nieuwere Vlaamsche letterkunde cadeau doe' en volgens Karel van de Woestijne was het Virginie Loveling die hem, toen hij nog een kind was, wakker had gemaakt voor de poëzie.
[De Boog]
[De Doodstraf]
[De Genezing]
[Het Geschenk]
[Moederangst]
[Het oudste kind]
[De Saterdag Avond]
[De Verzoening]
[De Vreemdeling]
[De Grootvader]
[De Gouden Bruiloft]
[Moeders Krankheid]
[Vader en Moeder]
[De tweede vrouw]
[Het avonduur]
[De groote keizer]
[Het Noodlot]
[Te gemoet gaan]
[Het lied des blinden]
[De vluchteling]
[Het maantje]
[Het huisjen in de duinen]
[De schoone reis]
[Het bedelaarskind]
[Het houtrapertje]
[De kleine luitspeler]
[Het weeskind]
[De Hond]
[Uwe Tweede Vrouw]
[Iets over het onderwijs der vrouw]
[Beloften en bedreigingen]
[Mijn verre neef]