Vertalers

[Terug naar Commentaar]

 

Algemeen

In totaal hebben we via de sekundaire literatuur in de Amsterdamse U.B. ruim 230 titels van (al of niet rechtstreeks) vertaalde of bewerkte Spaanse boeken gevonden.

Na de beschikbare gegevens te hebben nagezocht, bleef van ca. 25 titels de vertaler of bewerker anoniem en van een tiental titels semi-anoniem, d.w.z. dat op het titelblad alleen zijn of haar initialen (of wat daarvoor door moet gaan) vermeld staan.

Met deze eerste twee kategorieën willen we ons in het hiernavolgende niet bezig houden: te trachten de namen van deze vertalers te achterhalen zou stof voor een studie apart bieden. We volstaan hier met te vermelden dat het schrijven (of althans: vertalen) onder initialen in de 16e t/m 18e eeuw, blijkbaar ook in het buitenland, tamelijk gewoon was.

Om eventueel later onderzoek naar de achterliggende namen te vergemakkelijken, hieronder een lijstje met de aangetroffen initialen van Nederlandse (of Vlaamse) vertalers:

 

De bekende vertalers

Resten dus de vertalers wier naam op de titelpagina van de door hen vertaalde of bewerkte geschriften vermeld staat of door onderzoek van de secundaire literatuur achterhaald zijn.

In totaal gaat het om zo’n 120 personen; het zal duidelijk zijn dat het in dit bestek te ver zou voeren om deze allemaal te behandelen. Daarom volstaan we met een korte biografische schets van diegenen van wie in ons systeem in totaal meer dan vijf drukken (van één of meer vertaalde werken) zijn opgenomen.

Uiteraard schuilt hierin iets willekeurigs. Enerzijds zijn in ons systeem – omdat we ons voorlopig tot de U.B.A. beperkt hebben – niet alle (drukken van de) op de Lijst van vertalers voorkomende vertaalde Spaanse werken opgenomen. Zodoende zou later kunnen blijken, dat vertalers die hieronder niet opgenomen zijn, méér vertaald hebben (of meer zijn herdrukt) dan personen die nu in dit overzicht staan. Anderzijds omvat deze bibliografie, zoals uit de Inleiding blijkt, niet alle vertaalde Spaanse literatuur (al leert een blik in P. Arents’ Cervantes-bibliografie, dat althans de vertalingen in het Nederlands van het werk van deze auteur in de vertalersrangorde slechts marginale wijzigingen aanbrengen).

Mocht men echter op grond van deze overwegingen het onderstaande biografische overzicht, waar dit toch bedoelt een beeld te geven van de voornaamste (of in ieder geval actiefste c.q. meest herdrukte) vertalers of bewerkers van Spaanse literatuur uit de door ons bekeken periode, een vertekende indruk vinden geven, vooropgesteld zij het arbitraire en voorlopige karakter ervan.

Dat ons rijtje bibliografieën allereerst een overzicht van de vertalers (of bewerkers) van Spaanse literatuur beoogt te geven, moge blijken uit het feit dat de meeste opgenomen personen relatief onbekend zijn, terwijl bekendere letterkundigen als Pieter Langendijk en Thomas Asselijn, die op het gebied van de bewerkingen of vertalingen uit het Spaans minder actief waren, ontbreken.

Intussen treffen we in onderstaand overzicht twee categorieën vertalers of bewerkers aan:

 

Karakteristiek van de vertalers

Het is niet gemakkelijk een algemene karakteristiek van onze vertalers te geven .Zo zien we een heel scala van beroepen onder hen vertegenwoordigd, zij het dat de meer vooraanstaande beroepen (als arts, notaris, schepen) duidelijk beter vertegenwoordigd zijn.

Verder vinden we onder de vertalers relatief veel ‘Amsterdammers’, maar dat zal, afgezien van het feit dat Amsterdam een belangrijk cultuurcentrum is (en was) ook wel ten dele veroorzaakt zijn door het feit dat we juist het bezit van de Amsterdamse U.B. hebben onderzocht.

Tenslotte zien we, dat waar er veel toneelwerk uit het Spaans vertaald is, er ook een aantal vertalers of bewerkers verbonden waren aan de Amsterdamse Schouwburg - de meesten van hen als regent, enkelen als acteur. Deze categorie vertaalde dus ten behoeve van het eigen gezelschap.

 

Het biografisch overzicht

In het hiernavolgende worden de auteurs (vertalers/bewerkers) die aan bovengenoemd criterium van meer dan vijf drukken voldoen, in alfabetische volgorde behandeld, waarbij we vooral gebruik hebben gemaakt van de informatie die het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek en Ter Laans Letterkundig Woordenboek (19522) ons boden.

(Voor de bij de auteurs behorende nummers van de bibliografie zie men Index I.)

 

JACOBUS BAROKES (waarsch. gest. 1672)

"Misschien een Portugeesche Jood. Hij leefde in het midden der 17e eeuw, waarschijnlijk te Amsterdam daar is althans in 1672 een Jacob Barokas op de begraafplaats der Port. Isr. gemeente begraven." De kunstlievende en yverighe heer J.B. "(...) vertaalde spaansche toneelstukken in proza, waarnaar nederlandsche schrijvers een berijming vervaardigden. Als zoodanig wordt hij genoemd in de opdracht der volgende door hem bewerkte stukken, alle te Amsterdam verschenen: Izaak Vos, Lope de Vega Carpioos Gedwongen Vrient (1646); J.D(e) Fuyter, J.P. de Montalvans Standvastige Isabella (1651); J. Dullaert, Alexander de Medicis (1653); L. D(e) Fuyter, Lope de Vega Carpioos Verwarde Hof (1671). (opdracht gedateerd 1656 (noot – in 1656 verscheen van dit werk zelfs al de tweede, verbeterde druk)); H. d(e) Graef, Joanna, koningin van Napels (1664); Izaak Vos, De beklaeglyke dwang (1669)."

(N.N.B.W. I, 238)

 

G. DE BAY

Van deze vertaler, die ook publiceerde onder zijn initialen G.D.B., hebben we geen gegevens kunnen vinden. De door hem waarschijnlijk rechtstreeks uit het Spaans vertaalde literaire prozawerken verschenen in de jaren 1658/’70 te Amsterdam (cat. nr. 104, Brussel 1715 is een herdruk). De Bay vertaalde ook werk van Cervantes.

 

CORNELIS VAN BERESTEYN (1517-1595)

Van Beresteyn werd in Amsterdam geboren. Als jongeman ging hij met zijn broer Jan naar Spanje, waar hij als hofmeester bij de markies De Altorgos zijn verdere opvoeding genoot. Terug uit Spanje vestigde hij zich in Haarlem, waar hij zeer bevriend raakte met Dirk Volkertszoon Coornhert. Net als deze bleef Van Beresteyn het R.K.-geloof aanhangen.

In Haarlem bekleedde hij o.a. de functies van schepen en weesmeester. Van Van Beresteyn zagen twee vertalingen van stichtelijke werken van de Spaanse bisschop Antonio de Guevara het licht, waarvan de eerste in 1565 te Antwerpen verscheen en zeven herdrukken beleefde, en de tweede in 1583 te Delft en ook enige keren herdrukt werd.

(N.N.B.W. X, 41)

 

CORNELIO DE BIE (1627-NA 1711)

Cornelis de Bie (is Cornelio een verspaansing?), zoon van een schilder, woonde te Lier in Vlaams Brabant als notaris. Hij schreef voor het toneel, stelde een schilderboek samen en schreef verder stichtelijke werken.

Onder zijn meer dan 30 toneelstukken bevinden zich naast kluchten en heiligenspelen ook Spaanse navolgingen. De Bie verheerlijkte de katholieke kerk en zette zich af tegen de protestanten. Hij was als dichter matig begaafd (‘Cornelio de Clapper’). Geen van zijn in de bibliografie opgenomen vertalingen is herdrukt.

(Ltk. Wbk.)

 

LAMBERT VAN DEN BOS (1620-1698)

Lambert van den Bos werd geboren in Amsterdam, waar hij in 1640 examen voor apotheker deed. In 1645 begon hij te publiceren. In 1647 verscheen van hem een pamflet, gericht tegen Vondels Maria Stuart.

In het jaar 1652 vinden we Van den Bos terug als rector van de Latijnse school in Helmond. In 1655 wordt hij benoemd tot conrector van de (grotere) Latijnse school te Dordrecht, uit welke functie hij in 1671 om onduidelijke redenen ontslagen wordt. (Dat hij eind 1670 nog als kandidaat voor ouderling genoemd wordt, maakt het onwaarschijnlijk dat dit, zoals lang beweerd is, wegens dronkenschap gebeurde; in de stukken, voor zover deze althans bewaard zijn gebleven, is hiervan ook niets terug te vinden.)

Na een jaar waarin Van den Bos, nog te Dordrecht woonachtig, misschien weer zijn oude vak als apotheker beoefend heeft, krijgt hij weer een baan als rector, ditmaal te Heemstede. Vanaf 1683 vervult hij dezelfde functie in zijn laatste woonplaats Vianen.

Van den Bos publiceerde veel (ook als L.V.B. of Sylvius), bijna elk jaar wel een titel. Een van zijn bekendste werken is de Dordrechtsche Arcadia (1663, 17012) met prozavertalingen uit het Spaans (via het Frans), waaruit het overgrote deel van de nummers van Van den Bos uit deze bibliografie afkomstig is. (scriptie F.A.S. Wilkes, D.N.L.- I.v.N UvA)

 

WILLEM GODSCHALCK VAN FOCQUENBROCH (1640-1670 (?))

Focquenbroch werd geboren te Amsterdam, waar hij waarschijnlijk de Latijnse school doorlopen heeft. Na een studie in de medicijnen elders (waarschijnlijk te Leiden) promoveert hij in 1662 aan de Utrechtse hogeschool.

Na zijn studie vestigt hij zich te Amsterdam als arts. In 1663 begint hij ook te publiceren, m.n. gedichten in het burleske genre. Zijn eerste grote succes is het blijspel De verwarde Jalousij naar Molière, dat in de schouwburg herhaaldelijk gespeeld werd en als boek menige herdruk beleefde.

In juli 1668 vertrekt Focquenbroch – uit financiële overwegingen?- in dienst van de West-Indische Compagnie naar de Afrikaanse Goudkust (Guinee). Als fiskaal van het fort Sâo Jorge del Mina wordt hij daar belast met het handhaven van de orde in deze op de Portugezen veroverde kolonie. Brieven die hij vanuit het fort naar het vaderland zond, getuigen van zwaarmoedigheid. Waarschijnlijk is Focquenbroch binnen twee jaar na aankomst in Guinee, slechts 30 jaar oud, overleden.

In 1674 verschijnt postuum zijn naar Lope de Vega bewerkte toneelstuk De Min in ‘t Lazarus-huys, dat m.n. in de 18e eeuw veel gespeeld werd. (Bloemlezing Focquenbroch, ed. Kuik (1975))

 

LEONARD DE FUYTER (1622-1655)

De Fuyter was mogelijk schilder of koopman van beroep en tevens toneelschrijver. Hij berijmde Lope de Vega’s stuk De verwarde Hof naar de prozavertaling van J. Barokes (Amsterdam 1647; tot 1740 vijf keer herdrukt), dat ook op het toneel succes had en zelfs in het Duits vertaald werd.

Verder werden op de Amsterdamse Schouwburg nog van hem gespeeld de Standvastige Isabella (1e druk 1651) naar Montalvan en Don Jan de Tessandier (1654, 17162), bewerkt naar een Spaans drama, beide waarschijnlijk voortgesproten uit dezelfde samenwerking met Barokes.

De Fuyter schijnt ook zelf enige jaren toneelgespeeld te hebben.

(N.N.B.W. VI, 529)

 

H. VAN HARINXMA

"Capiteyn Haring van Harinxma: vertaalde Quevedo’s Suenos in het Nederlands als Seven wonderlijcke Gesichten (Leeuwarden 1641; tot 1787 13 drukken). Over Haring van Harinxma hebben wij geen biografische gegevens kunnen vinden. Is hij mogelijk in verband te brengen met Homme van Harinxma (thoe Sloten)(1607-1663), jurist, raadsheer bij het hof van Friesland van 1631-1641? (Cf. N.N.B.W. IX, 520)

 

JOHAN VAN HEEMSKERK (1597-1656)

De jurist Van Heemskerk was van 1640-’45 schepen van Amsterdam; daarna was hij lid van de Hoge Raad in Den Haag. Hij schreef met de Batavische Arcadia (1637) de eerste Nederlandse herdersroman, welke tevens diende als les in de vaderlandse geschiedenis. Heemskerk kwam ook als eerste onder invloed van de neoklassieke Franse tragedie: in 1641 verscheen zijn vertaling van Le Cid van Corneille. Eerder (+/- 1626) had hij Ovidius’ Ars Amandi voor het Nederlands bewerkt. Heemskerk hield zich bezig met poëzie en proza. Zijn Mingedichten publiceerde hij anoniem, omdat die geen "achtbaerheid bijsetten".

(Ltk. Wbk.)

 

ROBERT HENNEBO (1685 – 1737)

Hennebo werd geboren te Leiden. Hij liep van huis weg en ging in dienst, waarin hij de slag bij Oudenaerde overleefde. Hierna werd hij cadet bij de garde in Den Haag. Meerderjarig geworden verkwistte hij zijn erfdeel van f.40.000,= en zette een "vaantje" (kroeg) op in Den Haag. Hij werd toneelspeler en romanvertaler en trok in 1716 naar Amsterdam. Hier wist hij in 1720 met speculatie in actiën (aandelen) een grote slag te slaan. Met het aldus verdiende geld kocht hij een buitenplaats bij Gouda. In 1728 was hij makelaar in Amsterdam, waar hij in een praalgraf in de Nieuwe Kerk begraven zou worden.

Hij dichtte o.a. het burleske Lof der Jenever (1723) en een Parodie op het treurspel Polyxena.

(Ltk. Wbk.)

 

MATTHIJS VAN HEULEN

Van deze toneeldichter uit einde 17e, begin 18e eeuw is weinig bekend. Zijn stukken zijn: De onbedreeve Minnaar (A’dam 1699, 1752) en De gekroonde na haar dood (Amsterdam 1701).

(Van der Aa’s Biographisch Wdbk (Haarlem 1852-’78), deel VIII)

 

DIRCK PIETERSZ. HEYNCK

Ook over het leven van Heynck is vrijwel niets bekend. Hij vertaalde een drietal toneelstukken uit het Spaans, waarvan Don Louis de Vargas en Veranderlijck Geval bij het Amsterdamse publiek zeer in de smaak vielen en ook herhaaldelijk herdrukt werden Voor ‘t laatstgenoemde spel werkte hij samen met J. Barokes.

(N.N.B.W. X, 370)

 

KATHARINA LESCAILJE (1649-1711)

Deze Amsterdamse dichteres was de dochter van de uitgever Jacob Lescailje. Ze was in haar tijd gevierd ("de Nederlandsche Sappho"), m.n. door haar gelegenheidsdichten en haar treurspelen, die zij uit het Frans vertaalde of bewerkte.

Na de dood van haar vader (wsl. 1679) zette de ongehuwde Katharina Lescailje diens boekhandel voort.

(N.N.B.W. III, 761)

 

LODEWIJK MEYER (1630-1681)

Meyer was arts te Amsterdam. Hij schreef in 1666 een Latijns werk over de wijsbegeerte als vertolker der H. Schrift. Hij was een rationalist: de rede moest heersen over het geloof, maar ook over de dichtkunst. Zo werd Meyer in 1669 medeoprichter van het dichtgenootschap Nil Volentibus Arduum, dat het verstandelijke element in de poëzie vooropstelde.

Meyer ging tot deze oprichting over, nadat men zijn vijand M. Joan Blasius – die de romantische richting vertegenwoordigde – in zijn plaats tot regent van de Amsterdamse schouwburg benoemd had.

Stukken van Meyer waren: Het Gulden Vlies (1669), treurspel naar Corneille en het spektakelstuk De Verloofde Koninksbruidt (1668), dat van verschillende kanten aangevallen werd en Meyer tot een verdediging noopte.

In 1677, bij de heroprichting (er was sinds 1672 niet meer gespeeld) werd Meyer weer regent van de Amsterdamse Schouwburg.

In 1654 gaf Dr. Lodewijk Meyer het woordenboek Woordenschat uit (met bastaard-, kunst- en verouderde woorden), in 1677 het nagelaten werk van Spinoza (met J. Jelles).

(Ltk. Wbk.)

 

JACOB COENRAADSZ. MEYVOGEL (MAYVOGEL)

Mayvogel was een 17e-eeuwse stichtelijk schrijver en dichter uit Hoorn, over wie slechts weinig gegevens bekend zijn.

In 1646 verscheen van hem het treurspel Tamars Ontschakingh. In datzelfde jaar gaf hij ook het stichtelijke werk de Gulden Spieghel, ofte Opweckinghe tot Christelijcke Deugden uit. In 1633 dichtte Meyvogel een Rouwklacht op de dood van zijn vrouw. Zijn werk werd ook in de achttiende eeuw nog herdrukt.

(Ltk. Wbk.)

 

THEODOOR (DIRCK) RODENBURG (ca. 1578-1644)

Rodenburg werd, waarschijnlijk te Antwerpen, geboren uit Amsterdamse ouders. Hij leidde als diplomaat en later ook als koopman een trekkend bestaan. In de jaren 1607/’11 en 1615/’19 woonde Rodenburg te Amsterdam, waar hij eerst lid was van de rederijkerskamer Het Wit Lavendel, later van De Eglantier. M.n. in de laatste periode ontplooide hij een grote dichterlijke activiteit, o.a. in de poëtische strijd met Costers Nederduytsche Academie.

Rodenburg schreef poëzie en toneelwerk, veelal in vertaling. In de genoemde jaren staat hij sterk onder invloed van Lope de Vega, die hij op een diplomatieke reis in Spanje had ontmoet en wiens toneelstukken Rodenburg ook vertaalt en bewerkt. Rodenburgs toneelwerk had echter een opvallend didactische inslag.

Na 1619 gaat hij weer op reis, o.a. naar Denemarken en Engeland. Later woonde hij te Brussel en nog enige andere plaatsen; hij overleed in Antwerpen.

Wat zijn strijd met Samuel Coster betreft: deze zal enerzijds een gevolg zijn geweest van uiteenlopende literaire opvattingen, anderzijds zullen er ook wel persoonlijke elementen in hebben meegespeeld.

(Knuvelder, Handboek deel II (19715), p. 201vv.)

 

H. ROELANDTS

Over deze 17e-eeuwse auteur van het treurspel Biron (Amsterdam 1631; tot in de achttiende eeuw acht maal herdrukt) hebben we geen gegevens kunnen vinden. Blijkens de titelpagina van de eerste druk van Biron stamde hij uit de kring van Costers Nederduytsche Academie.

 

JACOBUS ROSSEAU

Rosseau leefde in de eerste helft van de achttiende eeuw, waarschijnlijk te Amsterdam. Hij was een toneeldichter in het boertige genre (waarin dichters als Van Rusting, Focquenbroch, Bredero, Zoet en Jan Vos hem tot voorbeeld dienden). Van hem waren o.a. de toneelstukken Aran en Titus (1716, ‘boertig verymt’ – cf. het gelijknamige treurspel van Jan Vos uit 1641), De belagchelyke Waterzught (klucht) en Medea (1722, eveneens een parodie op een gelijknamig stuk van Jan Vos).

(N.N.B.W. II, 1235)

 

SALOMON VAN RUSTING (1652-1717)

Van Rusting zwierf als legerarts door Frankrijk, werd daarna dokter in Groot-Schermer, waar hij in 1707 nog woonde. Dichter in de geest van Focquenbroch publiceerde hij in 1693 zijn Volgeestige Werken, die al in 1699 hun derde druk beleefden. Van Rusting parodieerde de Griekse mythologie en de Ilias, en ook de Aran en Titus van Jan Vos.

Van Rusting – door Langendyk met de weinig vleiende term ‘drekpoeet’ aangeduid – dichtte dus voornamelijk in het boertige genre; in 1707 verscheen van hem Het Schouw-Toneel des Doods, een dodendans met 30 zinnebeelden verlucht (17414).

(Ltk. Wbk.)

 

SCHOUWENBERG

Van deze auteur waren nergens gegevens te vinden. Een pseudoniem?

 

JOHANNES SERWOUTERS, (1623- na 1658)

Serwouters was dichter, toneelschrijver en regent van de Amsterdamse Schouwburg (1655-1663). Uit de jaren van zijn regentschap dateren ook zijn drie bewaard gebleven toneelstukken, o.a. Den Grooten Tamerlan (1657) naar het Spaans van Velez de Guevara (wsl. via het Frans vertaald), dat vele herdrukken beleefde.

(N.N.B.W. V, 725)

 

MATTHEUS SMALLEGANGE (1624-1710)

Mattheus Smallegange maakte na zijn opleiding aan de Latijnse school een reis naar Frankrijk (1651), in welk land hij zich bekwaamde in ‘t Frans en Italiaans. Na zijn terugkomst vervult hij tot 1658 een ambtelijke functie in zijn geboorteplaats Goes; daarna belandt hij – via Dordrecht, Rotterdam en Den Haag – in 1660-’61 in Amsterdam.

Vanaf 1659 verschijnen van zijn hand vertalingen uit het Frans en het Italiaans, in 1662 zijn eerste vertaling uit het Spaans.

In 1665 moet hij uit Amsterdam vluchten na – midden in het 1e stadhouderloze tijdperk – een gedicht op prins Willem III geschreven te hebben. Smallegange blijft echter wel bij Amsterdamse uitgevers publiceren.

In deze periode publiceert hij ook origineel werk, m.n. over genealogische en heraldische onderwerpen. Hij beschrijft o.a. de Zeeuwse adel, waarvoor hij van de Staten van Zeeland een financiële tegemoetkoming krijgt. In 1676 wordt Smallegange als advocaat toegelaten tot het Hof van Holland, maar van een daadwerkelijke ambtsuitoefening is niets bekend. Vanaf 1679 houdt Smallegange zich voornamelijk bezig met het maken van vertalingen, met één belangrijke uitzondering: zijn werk voor de Cronyk van Zeeland, dat in twee delen had moeten verschijnen, maar waarvan na jarenlange moeilijkheden, o.a. met de Staten van Zeeland, in 1700 alleen het eerste deel verschijnt. Mede door de moeilijkheden met de Cronyk was Smalleganges financiële positie aan het einde van zijn leven weinig benijdenswaardig. In 1710 overlijdt hij op een huurkamer in Goes.

(P.J. Verkruijsse, Mattheus Smallegange (1624-1710) en zijn Cronyk van Zeeland. Schiedam, 1977)

 

MATTHEUS GANSNEB TENGNAGEL (1613-1652?)

De Amsterdammer Mattheus Gansneb Tengnagel studeerde in 1630 - en waarschijnlijk alleen in dat cursusjaar - rechten in Leiden. Toen hij in 1635 meerderjarig was zou hij om zijn lichtzinnige levenswijze onder curatele gesteld zijn. Hij dichtte in het boertige genre. Tot zijn werken behoren o.a.: de Klucht van de Frick in ‘t Veurhuys (1641) en Het Leven van Constance: waar op volght het Tooneelspel De Spaensche Heydin (1643), die beide verschillende keren herdrukt werden. Het interessantste werk van Tengnagel (hoewel niet met zekerheid van zijn hand) is De geest van Mattheus Gansneb Tengnagel, In d’andere werelt bij de verstorvene Poëten (1652). Er zijn ook nog enige minnedichtjes van zijn hand bekend.

(N.N.B.W. II, 1418)

 

ISAAK VOS (gest. 1651?)

Isaak Vos was toneelspeler en -schrijver te Amsterdam. Vos, die hiervoor samenwerkte met J. Barokes (zie hiervoor) bewerkte stukken van Lope de Vega in zijn Gedwongen vrient (1e druk 1646) en Beklaagelijcke dwang (1e druk 1648). Hij dichtte vooral in het kluchtige genre; ook heeft hij werk uit het Duits vertaald. Als toneelspeler (komiek) was Isaak Vos aan de Amsterdamse Schouwburg verbonden. Hij stierf arm.

(N.N.B.W. III, 1346)