1. Wetenschappelijk onderzoek

 

Het is lastig om een precieze definitie te geven van wetenschappelijk onderzoek. Er bestaan namelijk niet alleen verschillende opvattingen over wat wetenschap is maar ook over de grenzen van elk vak. Ook veranderen disciplines en daarmee de opleidingen. Er zijn maar weinig studies die nog steeds hetzelfde curriculum bieden als aan het begin van de twintigste eeuw. Daarnaast zijn er vele nieuwe vakgebieden bijgekomen die zich nog aan het ontwikkelen zijn en driftig een eigen identiteit proberen te definiëren. Sommige zeer specialistische gebieden verdwijnen op hun beurt omdat niet alle universiteiten kleine studies willen blijven ondersteunen. Daarnaast hebben individuele onderzoekers ook nog weer hun eigen, idiosyncratische ideeën.

Wat desondanks wel als de gemeenschappelijke basiskennis van het geesteswetenschappelijk onderzoek aangemerkt kan worden, zijn de volgende elementen die in deze module alle aan de orde komen:

1.1       de onderzoeksvraag, probleemstelling;

1.2       het vinden van relevante literatuur: het bibliografisch apparaat (sneeuwbalmethode, systematische methode, het selecteren van literatuur);

1.3       het oriënterend lezen van de literatuur (gedrukte en elektronische informatie; beoordelen informatie op Internet via inhoud en vorm);

1.4       het  vastleggen van de gebruikte literatuur (bibliografische conventies).

NB: hieronder volgt een bespreking van deze onderdelen. In de tekst wordt verwezen naar de vakspecifieke hoofdstukken in de syllabus en naar bijlagen.

  

1.1  De onderzoeksvraag, probleemstelling

Elk wetenschappelijk onderzoek, van welke omvang ook, is begonnen met het formuleren van een onderzoeksvraag of probleemstelling. Hiermee direct verbonden is de voorkennis. Iedere onderzoeker beschikt immers over voorkennis over het onderwerp dat hem of haar interesseert. Deze kan variëren van heel beperkte tot bijzonder gespecialiseerde kennis; ook de aard van de voorkennis kan heel verschillend zijn. Een beginnend onderzoeker beschikt over voorkennis die voornamelijk afhankelijk is van scholing, ervaring en interesse. Meestal vormt deze voorkennis ook de aanleiding en de motivatie om aan de studie te beginnen. Vanuit deze voorkennis kun je tot een vraagstelling over de materie komen.


Een probleem- of vraagstelling kan kort omschreven worden als het poneren van een vraagstuk. Als we zonder hele specifieke kennis over een onderwerp ons baseren op een vermoeden dat er ergens iets over te onderzoeken valt, dan spreken we van een vooronderstelling. Deze is niet alleen afhankelijk van de voorkennis, maar is ook vaak waardegebonden, dat wil zeggen: de vraag is vanuit bepaalde normen geformuleerd.

Om bovenstaande te illustreren volgt hieronder een aantal voorbeelden van probleemstellingen uit diverse gebieden:

            a. wat is literatuur?

b. tijdens de Renaissance was er sprake van een ‘universeel kunstenaar’; waren de kunstenaars dus vroeger creatiever dan nu?

            c. waarom gaan mensen naar de film?

            d. hoe kwam Emile Zola tot het naturalisme?

            e. behoren de kitscherige beelden van Jeff Koons tot het domein van de beeldende kunst?


Om wat voor soort vragen draait het hier? Er zijn vragen die beginnen met een vragend voornaamwoord (hoe, wat, waar, waarom) en vragen die dat met een werkwoord doen. Deze laatste groep vragen leidt in de praktijk meestal tot een ontkenning of een bevestiging van de vraag, voorzien van een reeks argumenten. Men noemt dit wel een gesloten vraag. Vragen met een vragend voornaamwoord noemt men open vragen.


Vraag a is duidelijk een open vraag. Vraag b gaat uit van een vooronderstelling (de universele kunstenaar uit de Renaissance is waarschijnlijk creatiever dan de hedendaagse); daarna volgt pas de eigenlijke vraag. Welk antwoord verwacht deze vragensteller? Kennelijk is het de bedoeling dat er met een bevestiging of ontkenning, uitgebreid met redenen, op geantwoord wordt, bijvoorbeeld: ja, Da Vinci was creatiever dan Karel Appel, omdat… Of: nee, Michelangelo was vanwege zijn hang naar de Oudheid veel beperkter dan de hedendaagse kunstenaar die van de hele geschiedenis gebruik kan maken. De vraag naar de creativiteit is dus een gesloten vraag. Hoe kwam Emile Zola tot het naturalisme?, is een vraag waarop geen bevestigend of ontkennend antwoord is te geven. Bovendien begint de vraag met een vragend voornaamwoord en is dus een open vraag.


Ook naar inhoud kunnen vragen van elkaar onderscheiden worden. Vraag a houdt zich bezig met een kwestie die net zo breed is als de vraag naar wat het menselijk leven is, wat kunst is enzovoort. Door deze omvang en reikwijdte is de vraag niet erg geschikt als onderzoeksvraag. Vraag b over de creativiteit van de Renaissancemens is interdisciplinair, omdat ze drie vakgebieden op elkaar betrekt: de sociologie, de kunstgeschiedenis en de psychologie. De psychologie omdat creativiteit een psycholo­gisch begrip is dat op de Renaissance wordt geprojecteerd; sociologisch omdat er een vooronderstelling in zit die alle Renaissancemensen creatief maakt; en kunsthistorisch omdat de vragensteller feitelijk aan veelzijdige kunstenaars denkt, zoals de ‘uomo universale’,  Leonardo da Vinci. Vraag c over de motivatie van mensen om naar de film te gaan, is een open vraag die niet gebaseerd is op (veel) voorkennis, omdat het een heel algemene notie is. Waar richt de vraag zich op? Op motieven waarom mensen – een heel algemeen gedefinieerde groep – naar de film gaan. De vraag naar de motivatie van een groep mensen behoort tot het psychologische of sociologische terrein, en niet per se tot bijvoorbeeld de filmwetenschap. Door de vraag te beperken tot een bepaalde groep mensen en tot een bepaald type films (speelfilm, documentaire), kan er mogelijk een bruikbaarder vraag bedacht worden. Vraag d over Zola’s relatie tot het naturalisme is een open vraag. Maar er zit de vooronderstelling in opgesloten dat een deel van Zola’s werk tot het naturalisme gere­kend wordt. Hoe hij tot het naturalisme kwam is een vraag waarin veel facetten een rol spelen: historische gebeurtenissen, vriendschappen, discussies, literaire kritiek et cetera.


Het stellen van een goede, dat wil zeggen: bruikbare, onderzoeksvraag is niet altijd eenvoudig. Sommige vragen zijn veel te breed, andere zijn weer veel te smal. Daarnaast speelt de beschikbare tijd een rol. Een onderzoeker die een proefschrift voorbereidt, heeft lang de tijd om literatuuronderzoek te doen. Een beginnend onderzoeker, zoals een propedeusestudent Geesteswetenschappen, moet zijn literatuuronderzoek zo snel maar toch zo adequaat mogelijk doen. Dit heeft natuurlijk consequenties voor de vraagstelling. Des te gerichter de vraag des te gerichter kan er naar relevante literatuur gezocht worden. Een vraag wordt gerichter wanneer de vraag zich bijvoorbeeld beperkt tot 1) het eigen vakgebied, 2) een bepaalde periode of locatie, 3) een bepaald taalgebied, 4) een omschreven groep mensen of objecten et cetera.


Daarnaast dient de vragensteller zich bewust te worden van de aard van de vraag. Deze kan beschrijvend zijn, verklarend of interpretatief, en waarderend of evaluerend, of een combinatie van deze elementen. Beschrijvend heeft meestal betrekking op vragen naar de opeenvolging van gebeurtenissen, de verschillende aspecten, onderdelen of eigenschappen van een zaak, een gebeurtenis, een kunstwerk, een institutie et cetera. (Voorbeeld: hoe zit de Tweede Kamer in elkaar?) Verklarend of interpretatief is een vraag wanneer naar oorzaken of redenen wordt gevraagd voor bepaalde gebeurtenissen. (Voorbeeld: welk verband bestaat er tussen de aanleg van de boulevards in Parijs door Hausmann en de veranderde opvattingen over militaire strategieën in de negentiende eeuw?) Evaluerend of waarderend is een vraag die zich richt op de opvattingen over bepaalde zaken in een bepaalde tijd. (Voorbeeld: hoe keken de Romantische natuurfilosofen tegen de opkomst van de landschapsschilderkunst aan?) In het algemeen zijn vragen op geesteswetenschappelijk gebied een combinatie van deze drie soorten vragen.


Zodra de probleemstelling vorm gaat krijgen, zal er gericht onderzoek naar beschikbare literatuur gedaan moeten worden.

  

1.2 Het vinden van relevante literatuur: het bibliografisch apparaat

De wetenschap die langs methodische weg tot vondsten of ontdekkingen leert komen noemen we heuristiek.[1] Om relevante literatuur over een probleemstelling  te vinden, zijn er verschillende methoden om te zoeken in het zogenoemde bibliografisch apparaat. Hieronder worden twee manieren beschreven die elkaar aan kunnen vullen: de sneeuwbalmethode en de systematische methode. De sneeuwbalmethode is behalve een zoekmethode ook een goede manier om je te oriënteren in de literatuur, omdat je de publicaties meteen in handen hebt. De systematische methode leidt naar publicaties via een verfijnd netwerk van onder meer catalogi en bibliografieën.

Een digitaal zoekprogramma dat kan helpen bij het vinden van de juiste informatie op elk vakgebied heet GIRAF (General Information Retrieval All Faculties), dat beschikbaar is via Internet: http://www.hum.uva.nl/nhl/Giraf/index.htm. Dit systeem leert via een soort boomstructuur zien dat je begint met:

1)                  een globale oriëntatie die vervolgens overgaat op de

2)                  uitgebreidere sneeuwbalmethode op basis van de reeds gevonden publicatie(s).

Dit wordt aangevuld en gecompleteerd met de

3)                  systematische zoekgang.

De globale oriëntatie vormt feitelijk het begin van de sneeuwbalmethode. Zodra je de (voorlopige) gegevens hebt gevonden, kun je deze ook systematisch onderzoeken.

   

Sneeuwbalmethode

Naast het systematisch zoeken via de ‘bewegwijzering’ van het handboek en de encyclopedie naar de alfabetische catalogi en andere middelen waarmee elk gebied systematisch afgezocht wordt, kun je ook gebruik maken van de zogenoemde sneeuwbalmethode. Deze wordt zo genoemd naar analogie van een sneeuwbal die als een klein balletje begint maar gaandeweg steeds dikker en groter wordt. Dit principe wordt ook wel serendipiteit genoemd: het door toeval en intelligentie ontdekken van iets dat een onverwacht en ander licht werpt op iets waarnaar men op zoek was. Hierbij speelt het toeval een grotere rol dan bij een systematisch zoekgang. Bij goed gebruik kan echter hetzelfde resultaat bereikt worden. Het is echter beter om de beide methoden te combineren.

Wanneer de sneeuwbal begint te rollen, is moeilijk uit te maken: voor elke onderzoeker kan dat moment an­ders liggen. Men kan op ideeën komen door handboeken door te nemen, of in een bibliotheek met een open opstelling voor een boekenkast te gaan staan en boeken ter hand te nemen en door te bladeren. Soms brengt de lezing van een uitvoerige noot de sneeuwbal op gang. De gevonden titels worden opge­zocht en vervolgens wordt gekeken of er een literatuurlijst achterin staat, die de moeite van het volgen waard is.

Een goed beginpunt voor deze methode is in het algemeen een – bij voorkeur recentedissertatie of proefschrift. De auteur hiervan wordt geacht, in ieder geval op datum van verschijnen, het meest van dit onderwerp te weten en er het meest over te hebben gelezen. Daarom zal zijn literatuurlijst alle publicaties bevatten die tot dan toe over het onderwerp zijn verschenen. De meeste dissertaties zijn bovendien voorzien van een inleiding, waarin de stand van wetenschap met betrekking tot het onderzoek wordt beschreven. Daaruit kan blijken of er een bepaalde discussie is gevoerd en of bepaalde auteurs veel over het onderwerp hebben geschreven. Let er wel op dat de promovendus natuurlijk literatuur verzameld heeft met zijn eigen onderzoeksvraag in het achterhoofd en die zal ongetwijfeld van de onderzoeksvragen van anderen verschillen.

Wanneer er geen goede literatuurlijst voorhanden is, is het ook zinnig te kijken welke auteurs steeds terugkomen in de diverse lijsten. Blijkbaar zijn dat de echte deskundigen op dit gebied. Het verdient aanbeveling ook bij die namen weer naar publicaties te zoeken. In feite gaat dit proces steeds door: de sneeuwbal rolt verder. Het eindpunt is bereikt wanneer men geen nieuwe titels meer vindt, of wanneer men steeds dezelfde titels tegenkomt. Overigens is dit eindpunt ook afhankelijk van het gestelde doel van het onderzoek. Voor een dissertatie moet in feite alle relevante literatuur bij de auteur bekend zijn, voor een essay in een krant, of een werkstuk is een weloverwogen keuze veel belangrijker.

Om het toeval zoveel mogelijk uit te sluiten, is het goed een paar regels in acht te nemen. De eerste regel is al genoemd: combineer deze manier van zoeken met een meer systematische. Om te controleren of de sneeuwbal werkt, kan ook een steekproef worden gedaan met enkele jaargangen van bibliografieën: leveren zij niets nieuws op, dan mag worden aangenomen dat men via de sneeuwbalmethode de relevante literatuur heeft gevonden.

Verdere aanwijzingen: probeer te voorkomen dat de literatuur die gevonden wordt eenzijdig is. Dat wil zeggen, dat zij niet uit één bepaalde periode stamt, zodat er bijvoorbeeld recente publicaties ontbreken, of uit slechts één taalgebied of land. Wees er ook attent op dat er in sommige vakgebieden verschillende ’scholen’ zijn die van elkaar afwijkende visies hebben. Wanneer er, zoals boven gezegd, specialisten zijn in dit onderwerp, zoek dan ook onder hun namen, omdat hun andere publicaties ook van belang kunnen zijn.

De sneeuwbalmethode lijkt persoonlijker dan de systematische methode, omdat de verborgen agenda van de onderzoeker meer ruimte lijkt te krijgen. De systematische methode beoogt neutraliteit en objectiviteit. Dit is uiteindelijk maar ten dele zo: de systematische methode kent die verborgen agenda net zo goed; in beide gevallen is er sprake van een voortdurend selectieproces, dat persoonsgebonden is. Dat maakt iedere literatuurkeuze anders en iedere benadering van een probleemstelling uniek.

 

Systematische methode

Zoals gezegd bestaat het zoeken voor een deel uit ‘trial and error’. Je kunt echter daarnaast ook systematisch te werk gaan. In de eerste plaats dien je de (toevallige) kennis over je onderzoeksvraag aan te vullen. Dit betreft bijvoorbeeld algemene kennis over het onderwerp zoals data, personen en objecten, met andere woorden feitelijke informatie. Hiervoor gebruik je handboeken, dat wil zeggen: overzichts­boeken, encyclopedieën en lexica.

Een overzichtsboek is een, vaak lijvig, boekwerk waarin het vakgebied of een deel ervan in vogelvlucht behandeld wordt. De specialistische studie is het tegenovergestelde van het handboek: hierin wordt een deel van een onderwerp uit een handboek bestudeerd. Voor de oriënterende fase is deze minder geschikt, omdat vaak nog niet helemaal duidelijk is wat je zoekt. Encyclopedieën bieden informatie over allerlei zaken, en zijn soms algemeen (Grote Winkler Prins encyclopedie) en soms specifiek (Encyclopedia of World Art). Het lexicon ten slotte is een soort woordenboek met annotaties (= korte omschrijvingen). In de handboeken staat meestal ook een lijst met literatuur over het onderwerp, die je mogelijk kunt ge­bruiken. Bedenk dat de handboeken meestal al wat ouder zijn en dus niet de meest recente informatie bevatten.

Om na het verzamelen van de basisgegevens verder te zoeken (je komt overigens tijdens je literatuuronderzoek vaak terug bij de handboeken omdat je telkens weer nieuwe gegevens vindt), kun je aan de hand van trefwoorden systematisch gaan zoeken in de Online Publiekscatalogus (OPC) van de universiteitsbibliotheek (UB) en in bibliografieën. Hoe je precies kunt zoeken naar publicaties in de UB en andere binnenlandse en buitenlandse bibliotheken kun je nalezen in de bijlage De UB, de catalogus en de Digitale Bibliotheek. Daar zie je ook hoe je in de bibliotheken kunt leren zoeken via de online web­cursus die speciaal is ontwikkeld voor studenten Geesteswetenschappen en bovendien hoe je publicaties kunt aanvragen uit het magazijn. De UB heeft namelijk een gesloten magazijn, in tegenstelling tot de meeste vakbibliotheken die een open opstelling hebben. Daar kun je publicaties meteen inzien.

Een bibliografie is eenvoudig gezegd een geordende lijst met publicaties over één bepaald onderwerp. Dit kan ook een lijst met boeken in een bepaald boek of artikel zijn, daarom ook wel literatuurlijst genoemd, maar meestal bedoelen we een zelfstandige uitgave, zoals de Deutsche Nationalbibliographie of de Web of Science. Soms wordt ook het begrip repertorium gebruikt; vaak is dit een lijst met of index van bepaalde namen of publicaties, zoals het Nederlands Repertorium van Familienamen, dat de familienamen en de aantallen dragers van die familienamen bevat, zoals opgegeven bij de Volkstelling van 31 mei 1947.

In tegenstelling tot de catalogus van de UB geeft een bibliografie echter niet aan waar de publicatie zich bevindt en is zij dus niet bezitsgebonden. Een bibliografie geeft enkel aan wat er over een bepaald onderwerp is geschreven. Sommige bibliografieën zijn afgesloten en andere zijn lopend, wat betekent dat ze nog telkens worden geactualiseerd. Kijk altijd goed welke publicaties in een bibliografie zijn opgenomen, want sommige nemen alleen boeken op en geen artikelen, of andersom. Afgesloten bibliografieën, zoals een bibliografie van films over kunst: Films on art bibliography: 1994 edition, zijn actueel tot een paar maanden voor het verschijnen in druk (in verband met de productietijd van het boek). Voor meer recente titels zul je dus ook lopende bibliografieën moeten raadplegen. Voor titels van lopende biblio­grafieën zie hoofdstuk 5. Het is raadzaam om met de laatste jaargang van een bibliografie te beginnen, omdat je zo bijvoorbeeld ook tegen een recente gespecialiseerde bibliografie over je onderwerp kunt aanlopen.

Steeds meer bibliografieën zijn digitaal raadpleegbaar. Kijk via de Digitale Bibliotheek welke databases er in het vakgebied beschikbaar zijn.[2] Via deze weg kun je overigens ook digitaal gepubliceerde tijdschriften direct raadplegen. Neem voor details de bijlage De UB, de catalogus en de Digitale Bibliotheek goed door en zorg dat je minstens een keer de hele webcursus ‘Informatiezoeken’ hebt gedaan.[3] Welke bibliografieën van belang zijn op je eigen vakgebied kun je nalezen in hoofdstuk 5.

Nadat je een overzicht van de literatuur over je onderwerp hebt verkregen, dien je over te gaan op het selecteren van literatuur. Bedenk dat je bij je literatuuronderzoek zowel artikelen in (elektronische) tijdschriften, bundels, catalogi en dergelijke moet zoeken, als boeken, (elektronische) tekstuitgaven en gespecialiseerde websites.

 

Het selecteren van literatuur

In het voorafgaande is geschreven over het zoeken naar literatuur ter beantwoording van de onderzoeksvraag. Dit resulteert in een literatuurlijst. Bij het opstellen van zo’n lijst maakt de onderzoeker voortdurend keuzes. Dat gebeurt op basis van de titel zelf en/of een annotatie. Wanneer er vervolgens uit de lijst een aantal publicaties wordt gekozen om nader te bekijken, vindt er opnieuw een selectie plaats. In de volgende fase, het oriënterend lezen, volgt de laatste selectie.

Een onderzoeker kan vaak moeilijk beredeneren waarom bepaalde publicaties worden gekozen en andere niet, omdat de keuze vaak intuïtief plaatsvindt. Toch is het goed om dat minstens een keer, nu aan het begin van de studie of aan het begin van een onderzoek, duidelijk te formuleren. Je bent je dan bewust van de stappen die in het vervolg als vanzelf worden genomen.

Allereerst is het van belang onderscheid te maken in soorten vakliteratuur. In het bovenstaande is al sprake geweest van dissertaties, van artikelen in bundels en tijdschriften, van tentoonstellingscatalogi en van recensies. Een grove scheiding zou gemaakt kunnen worden tussen wetenschappelijke studies en meer journalistieke essays, tussen onderzoeksverslagen en overzichtswerken, tussen teksten voor een groot geïnteresseerd publiek en dissertaties voor specialisten. Het is noodzakelijk de diepgang van een tekst te bekijken, de doelgroep te bepalen en de wijze te doorzien waarop het onderwerp wordt benaderd. Bij het kiezen van de literatuur spelen deze eerste indrukken een grote rol. Om een goede keuze te kunnen maken, moet de eigen vraagstelling helder geformuleerd zijn.

Er zijn grofweg twee soorten selectiecriteria: meer technische en meer inhoudelijke. Met technische selectiecriteria bedoelen we vragen als:

De inhoudelijke selectiecriteria concentreren zich op dit laatste punt. Als voorbeeld gebruiken we hier een vraag over Picasso: vormt het werk Les Demoiselles d’Avignon inderdaad het beginpunt van de ontwikkeling van de kubistische stijl bij Picasso? Trefwoorden kunnen dus zijn: Picasso, Les Demoiselles d’Avignon, en kubisme/cubisme/cubism (let op het gebruik van meertalige trefwoorden!).

Als voorbeeld van een literatuurlijst is hier het lijstje publicaties uit het bekende handboek van Horst W. Janson (A History of Art) overgenomen:

Een eerste selectie geschiedt op basis van de trefwoorden ‘Picasso’ en ‘kubisme’. Slechts twee komen in de titels voor. De combinatie van beide komt nergens voor. Het is dus moeilijk in een oogopslag te zeggen of de boeken relevant zijn voor de gestelde vraag. Op zo’n moment is het goed om duidelijk te formuleren wat er verwacht wordt van de literatuur: moet Picasso’s plaats in het kubisme behandeld worden of moet de plaats van het kubisme in Picasso’s oeuvre centraal staan? Moet de literatuur gaan over de ontwikkeling die het kubisme als stroming heeft doorgemaakt of over de ontwikkeling van Picasso als kunstenaar? Zo redenerend wordt het waarschijnlijk duidelijk dat het niet gaat om de verhouding tussen kubisme en abstracte kunst (Barr, 1966) maar wel om de ontwikkeling van de kunstenaars in het kubisme (Daix, 1982). Er mag worden aangenomen dat Picasso en Les Demoiselles d’Avignon in dit boek zullen worden genoemd.

Afhankelijk van de vraag kan het belangrijk zijn juist oudere literatuur op te nemen. Voor een probleem als het hierboven gestelde is het nuttig te onderzoeken of de meningen over bijvoorbeeld Les Demoiselles d’Avignon en het kubisme in de loop van de tijd zijn veranderd. De titels moeten zo worden geselecteerd dat er publicaties uit verschillende tijden worden opgenomen. Wat het bovenstaande lijstje betreft heeft die selectie eigenlijk al plaatsgevonden: Barr als representatieve titel van vóór de Tweede Wereldoorlog en Daix als een recente titel. Hetzelfde zou moeten gelden voor de taal en de plaats van uitgave van de publicatie. Uitsluitend publicaties selecteren die zijn verschenen in New York of in de Engelse taal kan geen evenwichtig beeld geven.

Het is eveneens belangrijk om de specialist in het onderwerp te achterhalen: daarvan moet minstens één uitgave op de lijst staan. In het lijstje van Janson staan twee titels van Barr, daarom is het goed er een van hem te kiezen. Verder is de lijst te kort om er echte deskundigen uit af te kunnen lezen; daarvoor moeten andere literatuurlijsten gezocht worden.

Ook bij het gebruik van de sneeuwbalmethode is het belangrijk de literatuurkeuze te verantwoorden. Dat een boek thuis in de boekenkast staat, is geen goed selectiecriterium; dat twee hoofdstukken een deel van de gestelde vraag behandelen wel. De toevalsfactor die bij het sneeuwballen zelf nog een rol speelde, moet dus bij de selectie verdwenen zijn. Selecteren is geen toeval.

 

1.3 het oriënterend lezen van de literatuur

De laatste selectie wordt gedaan bij het ‘doorbladeren’ van de literatuur. In dit stadium moet een beeld gevormd worden van de inhoud van de teksten om te kunnen beoordelen welke publicatie geschikter is dan de andere. Dit wordt ook wel oriënterend lezen genoemd: een efficiënte korte analyse van wat het boek, het artikel of de website te bieden heeft. Door op een aantal punten te letten, kan een publicatie in vrij korte tijd worden gekarakteriseerd. De verschillende punten geven allemaal informatie die van belang is voor de selectie.

Na de feitelijke gegevens (auteur, titel, plaats en jaar van uitgave et cetera) volgt het eerste deel van de karakterisering: het formele gedeelte. Dit betreft de meer uiterlijke kanten van de publicatie.

Voor de inhoudelijke analyse kan niet meer worden volstaan met het bekijken van het uiterlijk en de indeling van de publicatie; nu moeten er stukken gelezen worden. Ook hierin moeten economische keuzes gemaakt worden. Per slot van rekening moet een karakterisering bij wijze van spreken staande bij de boekenkast uitgevoerd kunnen worden.

Om de inhoud van een tekst snel en globaal te doorzien, kan men veelal volstaan met het begin en het einde te lezen. In het geval van vakliteratuur zijn dat – vaak, maar lang niet altijd – de geëigende plaatsen voor de inleiding met de probleemstelling en de conclusie en samenvatting. Uit de inhoudsopgave kan worden opgemaakt of de publicatie op deze wijze is ingedeeld. Wanneer er geen sprake is van een duidelijke inleiding, dan is het lastiger te achterhalen waar de auteur het precies over heeft en waarom dit boek is geschreven. Soms kan de conclusie opheldering geven wanneer daarin in een adem wordt beschreven wat de bedoeling van het onderzoek was en wat de resultaten zijn. Niet iedere publicatie is voortgekomen uit een duidelijke vraagstelling. Bij overzichtsboeken bijvoorbeeld zit het doel van het boek al in de opzet besloten.

De inhoudsopgave, waarin de titels van de verschillende hoofdstukken zijn vermeld, vertelt iets over hoe het betoog is opgebouwd. Het is prettig als de hoofdstukken veelzeggende titels hebben; titels als ‘Hoofdstuk I, II en III’ geven geen informatie. In dit laatste geval kan men het beste de eerste en de laatste alinea van het hoofdstuk lezen.

Een zeer handig hulpmiddel is een register of index. Hierdoor kan op trefwoord worden gezocht – dikwijls alleen op persoonsnaam, maar soms ook op zaaknaam. Probeer weer zoveel mogelijk tref­woorden te formuleren: de auteur heeft waarschijnlijk een andere benadering en gebruikt mogelijk andere termen. Wanneer een boek gebruikt wordt om heel specifieke informatie te vinden, is het register het eerste dat men raadpleegt.

De inhoud van de noten laat zien welke bronnen de auteur heeft gebruikt. Gebruikt de ene auteur voornamelijk bronnen (bijvoorbeeld brieven en archiefstukken) en de andere veel vakliteratuur, dan kunnen beide publicaties elkaar goed aanvullen. Dit is ook uit de eventuele literatuuropgave op te maken.

Het taalgebruik maakt duidelijk voor welk publiek de publicatie bedoeld is. Zuiver wetenschappelijke publicaties bezitten een wetenschappelijk niveau dat soms te herkennen is aan het gebruik van vaktermen en aan citaten in de moderne talen die niet vertaald zijn. Maar er zijn ook andere vormen van taalgebruik die verraden met wat voor soort uitgave men te maken heeft. Denk maar aan een bundeling van brieven, dagboekaantekeningen, kunst- en literaire kritieken, manifesten van schrijvers, kunstenaars en interviews.

Als laatste is de visie van de auteur op zijn onderwerp een belangrijke aanwijzing. Onder visie of uitgangspunt wordt verstaan de wijze waarop de wetenschapper zijn onderwerp benadert en daarmee samenhangend de gebruikte onderzoeksmethode. Dit is vaak niet te achterhalen door alleen maar diagonaal of oriënterend te lezen. Sommige auteurs geven hun visie duidelijk aan in hun inleiding. Ook de uitgever kan dit in de flaptekst of op de achterkant van een publicatie verwoord hebben. De context van de publicatie kan ook inzicht geven in de benaderingswijze, bijvoorbeeld wanneer een boek deel uitmaakt van een serie, of wanneer het tijdschrift waarin het artikel gepubliceerd is een bepaalde thematische of filosofische ‘kleur’ heeft. Een benaderingswijze is vaak makkelijker uit een artikel te destilleren dan uit een groter onderzoek. Een kortere tekst dwingt een auteur het gekozen uitgangspunt snel duidelijk te maken.

 

Elektronische Informatie

Steeds meer informatie wordt ook of uitsluitend op of via het Internet gepubliceerd. In de universiteitsbibliotheek komen er bijvoorbeeld bijna elk week nieuwe elektronische tijdschriften bij die volledig nieuw zijn, de gedrukte tijdschriften vervangen of naast deze worden uitgegeven. De informatie verschilt dan niet tussen beide media, maar wel de toegankelijkheid. Het tijdschrift is nooit uitgeleend (soms is wel het aantal gebruikers op hetzelfde moment gelimiteerd) en kun je het vaak eenvoudig op woorden doorzoeken.

Naast de gemoderniseerde, of gedigitaliseerde, ‘oude media’, wordt er natuurlijk ook buiten de wetenschappelijke instellingen informatie gepubliceerd die slechts ten dele door de universiteitsbibliotheken wordt geïnventariseerd. Wetenschappers houden bijvoorbeeld eigen websites bij, maar ook allerlei andere personen of instellingen doen dat. Via zoekmachines als Google (zie bijlage Zoeken op Internet) kom je daar vanzelf terecht. Deze informatie is soms heel bruikbaar, maar toch moet men vooral bij de niet systematisch gecontroleerde informatie (zoals dat bij universiteitsbibliotheken meestal wel gebeurt) extra alert zijn op de betrouwbaarheid van de informatie.[5] Inmiddels is er al een heel corpus aan controlemiddelen ontwikkeld om informatie op het Internet kritisch te bekijken en te analyseren.

Omdat het Internet een nauwelijks gecontroleerde informatiebron is, moeten we extra voorzichtig zijn met het interpreteren en gebruiken van de gegevens die we daar aantreffen. Niet alleen verdwijnen web­sites bijvoorbeeld opeens spoorloos, ook de gegevens zelf veranderen razendsnel. We kennen dit probleem van het verdwijnen of veranderen van informatie natuurlijk al langer. Er gaan immers manuscripten en boeken verloren; banden en videotapes die gebruikt zijn voor bijvoorbeeld ‘oral history’ verdwijnen of worden onleesbaar; beeldmateriaal, zoals dia’s achter glas, valt kapot en wordt niet meer hersteld; 5¼ inch floppy’s kunnen niet meer gelezen worden omdat de benodigde diskdrives niet meer bestaan, et cetera.

Het beeldscherm waar wij steeds vaker onze informatie aan ontlenen heeft bovendien geen drager of achterliggende laag die zelf de informatie vasthoudt die ze representeert. Er is niet meer dan er staat, er is maar één laag. Dat is heel handig maar het geeft de tevoorschijn getoverde informatie ook iets vluchtigs en onzekers. Alles wat in digitale vorm vertaald kan worden, kan immers op het beeldscherm terechtkomen en onder je ogen veranderen of verdwijnen. Een afbeelding van een schilderij of prent wordt bijvoorbeeld op dezelfde manier geproduceerd en weergegeven als diakritische tekens (zoals É, ç). Het beeldscherm geeft als drager van de informatie dus geen enkel houvast over het werkelijk be­staan van de informatie waar het naar verwijst. De informatie die je nu op dit gedrukte blad daarentegen leest, staat er werkelijk en de auteur – wie dat ook mag zijn – kan daar op dit moment niets meer aan veranderen. Bovendien verwijzen de kop- en voetteksten naar de producent van de informatie en weet je van wie je deze informatie in handen hebt gekregen. Informatie die je op een beeldscherm aantreft, is daarom veel onzekerder. Althans, zolang we niet via allerlei criteria hebben vastgesteld waar de infor­matie vandaan komt en door wie deze geproduceerd is.

Beoordelen van informatie op het Internet[6]

Voordat je het Internet opgaat, dien je je daarom in de eerste plaats altijd af te vragen wat je precies wilt weten. Ben je op zoek naar bepaalde feiten, meningen of opvattingen, statistische gegevens, of misschien naar beeldmateriaal, verslagen et cetera? Ben je op zoek naar nieuwe ideeën, naar ondersteuning van de eigen vooronderstellingen met betrekking tot je onderzoeksvraag of zoek je iets geheel anders? Vervolgens moet je bedenken wat voor instellingen de gewenste informatie in huis zouden kunnen hebben. Alleen al door dit van tevoren te doen, kan je bij gevonden websites vrij snel beslissen welke in ieder geval niet de moeite waard zijn. Ook al is het vooraf beoordelen een kwestie van erva­ring, dit neemt niet weg dat je nu in ieder geval wel dergelijke vragen in het achterhoofd hebt.

Om Internetsites en de informatie die daarop aangeboden wordt, te beoordelen is een aantal criteria bruikbaar. Deze zijn onder te verdelen in inhoud en vorm. Bedenk dat dit slechts aanwijzingen zijn. Je eigen achtergrond en (voor)kennis spelen ook mee, maar die verschillen per persoon. Hoe je precies kunt zoeken op Internet en hoe zoekmachines werken wordt besproken in de bijlage Zoeken op Internet.

Inhoud van de website

De inhoud van een website kan met behulp van de volgende criteria bekeken worden:

I            Betrouwbaarheid
De betrouwbaarheid van een site berust op de vraag hoe de inhoud ervan onderbouwd en aannemelijk is gemaakt. Een aantal punten waarop gelet kan worden zijn:

De onderstaande vragen kunnen daarnaast een hulpmiddel zijn om de betrouwbaarheid van de inhoud verder te analyseren:

 

II            Accuratesse en controleerbaarheid

Criteria die nauw gerelateerd zijn aan de betrouwbaarheid van de inhoud, zijn accuratesse en controleerbaarheid. Hierbij moet je vooral denken aan zaken als:

Is de stijl van een tekst bijvoorbeeld erg onregelmatig en komen er veel (schrijf)fouten in voor, dan is de tekst waarschijnlijk zonder redactie of controle van anderen tot stand gekomen. De waarde van de informatie neemt hiermee bepaald niet toe.

Wanneer net als in gedrukte informatie geen bronverwijzingen voorkomen (verantwoording van citaten, gebruikte literatuur en dergelijke) dan draagt dit niet bij aan de betrouwbaarheid omdat er geen wetenschappelijke controle mogelijk is. Let daarom op de aanwezigheid van noten, een bibliografie of literatuurlijst, of op de vermelding ‘About this site’, waarin bruikbare informatie kan staan over de herkomst van de informatie.

Het is belangrijk te kijken wanneer de website voor het laatst geactualiseerd is. Wanneer een site bijvoorbeeld uit 1996 dateert en ook sindsdien niet meer is aangepast, kan dit twee dingen betekenen:

1) de inhoud van de site is sinds 1996 niet meer aangepast en is dus min of meer stabiel (maar je weet niet zeker of dat morgen alsnog gaat gebeuren). De informatie lijkt dus vrij betrouwbaar.

2) de site wordt nauwelijks meer gebruikt en de informatie is sterk verouderd. De site kan dan onbetrouwbaar zijn of op zijn minst niet meer actueel.

Let wel op dat de afzonderlijke pagina’s of subsites van een website afzonderlijk geactualiseerd kunnen zijn. Vaak zie je dat de hoofdpagina met de indeling van de site nauwelijks meer is aangepast, maar dat de onderdelen daarvan wel uiterst actueel zijn.

 

III        Status auteur

De status van de auteur kan ook belangrijke informatie geven, want wie heeft de informatie geschreven of verstrekt?

 

IV        Context website

Hoewel dit criterium nauw gerelateerd is aan de vorm, kan de inhoud van een website sterk beïnvloed worden door allerlei reclame-uitingen. Wanneer bij het openen van een website er meteen allerlei vensters worden geopend met reclameboodschappen, kan dit betekenen dat de site van een louter commerciële onderneming is of dat de website betaald wordt uit de ‘commercials’. Bekijk daarom goed of de geboden informatie niet meteen vercommercialiseerd wordt en daardoor mogelijk beperkt of zelfs onjuist is.

Probeer altijd vast te stellen waar de website onderdeel van uitmaakt. Wanneer je via een zoekmachine op de website van Academische Vaardigheden: http://www.hum.uva.nl/av zou zijn aangekomen, kun je op twee manieren vaststellen waar deze website onderdeel van uitmaakt:

1) door middel van het verwijderen van de uitgang ‘av’ in de url.[7] Je komt dan na het drukken op de enter-toets op de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.

2) door op home te klikken, waardoor je telkens een stap ‘hoger’ komt. Dit laatste knopje of link is niet altijd aanwezig en verschilt ook per website. De eerste methode geeft je altijd de mogelijkheid steeds hoger te komen.[8]

 

Vorm van de website

Ook de vorm van een website kan van belang zijn bij de analyse van bronnen op het Internet. Denk daarbij aan de aanwezigheid van navigatiehulpmiddelen en gebruikersondersteuning maar ook aan het uiterlijk. Deze geven meestal een beeld van de (gewenste) kwaliteit van een website.

Navigatiehulpmiddelen zijn bijvoorbeeld links en afbeeldingen. De aanwezigheid van goed werkende, duidelijke en relevante links, en het gebruik van relevant beeldmateriaal geven een website een betrouwbaar aanzien. Op veel professionele sites, zoals die van de overheid, musea et cetera, zijn speciale help­functies aanwezig, waarmee de mogelijkheid wordt geboden om binnen de website zelf naar bepaalde termen te zoeken. Soms wordt er ook online documentatie aangeboden. Dit soort vormen van gebruikersondersteuning bestaat verder bijvoorbeeld uit de mogelijkheid om contact op te nemen met een des­kundige medewerker van de organisatie.

Het beoordelen van het uiterlijk van een website is in eerste instantie esthetisch. Probeer echter wel vast te stellen waardoor deze aantrekkelijk is (of juist het tegenovergestelde). Mooie animaties in de nieuwste versie van Flash, of somber of sober weergegeven informatie, zeggen beide op zich niets over de kwaliteit van de geboden informatie. Kijk dus door de vormgeving heen, tenzij deze je het gezicht belemmert op de inhoud. Websites met veel toeters en bellen hebben in ieder geval hun gezicht tegen. Een constante en eenduidige vormgeving wekt meer vertrouwen en is handiger omdat je op elke pagina kunt zien dat je op nog dezelfde website bent (zoals de UvA-site).

In het algemeen dien je dus bij het beoordelen van websites als het ware automatisch de volgende vragen te stellen:

§         hoe is de informatie gepresenteerd en wie zit er achter?

§         is de informatie betrouwbaar op basis van de gestelde criteria (auteur, verwijzingen, datum van laatste wijziging e.d.)?

§         is de informatie wel een vervanging of verbetering van of aanvulling op de informatie in gedrukte bronnen?[9]

Dit laatste aspect is niet onbelangrijk: probeer je altijd af te vragen waar de informatie op Internet op gebaseerd is. Bedenk ook dat wanneer je zegt: ‘maar het stond op Internet’, dit net zo veel betekent als wanneer je zegt dat je water hebt gevonden in de oceaan. 

 

1.4. Het vastleggen van de gebruikte literatuur (Bibliografische conventies)

Na het oriënterend literatuuronderzoek vindt er verslaglegging plaats van de gevonden resultaten. In het hoofdstuk over Bibliografische conventies kun je lezen volgens welke regels je dat in je eigen vakgebied precies moet doen.            

Bij wetenschappelijke teksten is het gebruikelijk om de publicaties die voor het onderzoek zijn gebruikt heel precies te verantwoorden en er dus duidelijk via noten en literatuurlijst naar te verwijzen. De lezer moet immers in staat gesteld worden om alle gedane beweringen te controleren. Zo wordt meestal vermeld op welke auteur men zich baseert, wat de titel is van een publicatie, in welk jaar en bij welke uit­gever deze is verschenen, en ten slotte welke pagina’s zijn gebruikt. Wanneer andere auteurs of bronnen (zoals archiefmateriaal en andere originele stukken) wel gebruikt zijn, maar men vervolgens verzuimt de vindplaats te vermelden, dan is dat wetenschappelijk gezien zeer verdacht. Hoe kan men immers vaststellen of de auteur de waarheid spreekt?

De verantwoording via literatuurverwijzingen en noten is historisch gezien nog vrij jong. Vóór de negentiende eeuw werden er ook wel verwijzingen opgenomen, maar pas vanaf de negentiende eeuw werd het standaard om in wetenschappelijke publicaties alle bronnen en gebruikte literatuur uitgebreid te verantwoorden.

Hedendaagse tekstbezorgers van bijvoorbeeld zeventiende-eeuwse auteurs als de filosoof Baruch de Spinoza, die zich weinig gelegen liet liggen aan literatuurverwijzingen, hebben er vaak een enorme kluif aan om de teksten te annoteren. Elke zin wordt daarom door hen omgekeerd en binnenstebuiten gekeerd om de exacte bronnen van zijn gedachten te bepalen.[10] Een van de mogelijke redenen waarom Spinoza niet consequent verwijzingen maakte, kan zijn dat hij de oorsprong van bepaalde ideeën en beweringen als algemeen bekend vooronderstelde (althans bij het geleerd publiek). Daarnaast speelde het aspect van oorspronkelijkheid van ideeën niet zo’n sterke rol, zoals dat vanaf het denken in termen van genieën en originaliteit sinds de achttiende eeuw gebruikelijk ging worden.[11] Wanneer we tegenwoordig een wetenschappelijk (bedoeld) werkstuk moeten schrijven, dan dienen we onze bronnen goed te documenteren. Dit geldt ook voor het gebruik van informatie die je op het Internet hebt gevonden.[12] Hoe je naar daar gevonden bronnen verwijst, vind je ook bij de bibliografische conventies vermeld.

Belangrijk verschil met het gebruik van gedrukte bronnen is dat digitale informatie vrijwel direct en naadloos in je tekstverwerker overgezet kan worden. De verleiding om deze informatie zonder verwijzing te gebruiken, blijkt dan ook vrij groot te zijn. Menig scriptieschrijver op de basis- en middelbare school weet feilloos op het Internet werkstukken te vinden, waarvan hele delen overgezet worden in een ‘nieuw’ werkstuk. Wanneer je wetenschap bedrijft dan is zoiets natuurlijk volstrekt taboe. Niet alleen houd je jezelf voor de gek omdat je de illusie geeft zelf de auteur en bedenker te zijn, maar je pleegt ook gewoon fraude. Je gebruikt immers ten onrechte andermans geestelijk eigendom. Het probleem van plagiaat is overigens helemaal niet nieuw, want men kan en kon ook hele stukken uit boeken overschrijven; het verschil is vooral dat het nu wel erg gemakkelijk is geworden. Bedenk vooral dat je bij het doen van onderzoek je altijd baseert op de gedachten van anderen. Nieuw verkregen data (zoals interviews, en­quêtes, experimenten, et cetera) worden ook altijd gebruikt binnen een context die mede door anderen is bepaald.

Het maakt dus niet uit of men informatie uit gedrukte of digitale bronnen gebruikt. Wat van belang is, is dat men heel precies aangeeft waar deze vandaan komt. Hoe dat genoteerd moet worden hangt af van de bibliografische conventies die in de eigen opleiding gebruikt worden. Het zijn conventies omdat de notatiewijze per vakgebied – en vaak zelfs daarbinnen – sterk verschilt. Welke conventies ook gebruikt worden, ze verwijzen alle naar de oorspronkelijke bron. Zolang die gemakkelijk gevonden kan worden, valt het moderne systeem van het bibliografisch apparaat niet uit elkaar en blijft het fijne weefsel van de wetenschap intact.

  

Peter Sonderen[13]

Juni 2002.

 



[1] Denk aan Archimedes’ beroemde uitspraak die hij deed toen hij in bad zijn wet over de opwaartse druk van vloeistoffen ontdekte: ‘Eureka’ (Grieks: ik heb gevonden).

[2] http://www.uba.uva.nl/digitale_bibliotheek/tussen.cfm

[3] http://www.uba.uva.nl; typ informatiezoeken in het zoekvenster; de rest volgt vanzelf. Zie ook de bij­lage De UB, de catalogus en de Digitale Bibliotheek.

[4] Sommige titels bevatten niet de gebruikte trefwoorden maar kunnen wel degelijk bruikbaar zijn. Gebruik dit criterium dus met enige voorzichtigheid!

[5] Niet alle boeken en tijdschriften worden door universiteitsbibliotheken aangeschaft, maar alleen die publicaties over onderwerpen waarin de bibliotheek gespecialiseerd is en die bovendien een voldoende wetenschappelijk gehalte hebben.

[6] De hieronder uitgewerkte lijst met criteria is mede gebaseerd op: ‘Evaluating Internet Research Sources’ by Robert Harris, Version Date: November 17, 1997, http://www.virtualsalt.com/evalu8it.htm.

[7] Meer informatie over begrippen en termen van websites: zie bijlage Zoeken op Internet.

[8] De zoekmachine Google (zie bijlage Zoeken op Internet) heeft een speciale toolbar die je in Internet Explorer 5 en hoger kunt opnemen. Deze toolbar heeft een heel handig knopje, ‘Omhoog’, waarmee de hierboven beschreven methode enorm vergemakkelijkt wordt. Zie Bijlage II.

[9] Het kan natuurlijk wel handig zijn om ter voorbereiding van het literatuuronderzoek bepaalde termen van je probleemstelling alvast op Internet te bekijken. Bedenk wel dat de status van deze informatie vaak een voorlopig karakter heeft.

[10] Vaak kun je zien dat bepaalde teksten van anderen zijn overgenomen omdat er eenzelfde fout in staat.

[11] Een dergelijke vrijheid van schrijven zien we nog terug in het essay. Dit is vaak niet gericht op wetenschappelijke nauwkeurigheid maar op het creëren van een vrij gedachtespel. Essays zijn dan ook niet direct op een wetenschappelijk publiek gericht, maar op een geïnteresseerd lekenpubliek. Essays kunnen wel degelijk als literatuur voor wetenschappelijk onderzoek gebruikt worden, omdat ze de mening van een bepaalde tijd en auteur weergeven.

[12] Tegenwoordig dienen ook romans verantwoord te worden. Zo heeft A. van Dis vrijwel letterlijk stukken overgenomen uit een andere bron, zonder daarnaar te verwijzen. Zoek via Google op Adriaan van Dis en plagiaat.

[13] Met dank aan Piet Verkruijsse, Anouk Doeven, Jenny Reynaerts en  Herbert van Rheeden.