[Top]

Het P.C. Hoofthuis

Routebeschrijving

Het P. C. Hoofthuis is genoemd naar een van de bekendste dichters uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis.

Gravure uit de collectie Documentatie Nederlandse Letterkunde (Universiteitsbibliotheek Amsterdam)

Pieter Corneliszoon Hooft, zoon van een geletterde Amsterdamse burgemeester, kreeg in het milieu van De Eglentier zijn literaire basisvorming, die tussen zijn zeventiende en twintigste jaar verbreed werd tijdens zijn grand tour in Frankrijk en Italië. Als dichter die tot nut wilde zijn van de gemeenschap begon hij zijn literaire carrière met twee tragedies met klassieke stof (uit 1600-1602), waarin liefdespassie vanuit de neostoïsche filosofie  werd becommentarieerd.

Evenals dit vroege toneelwerk was Hoofts Granida (1605, gedrukt in 1615) alleen bestemd om te functioneren binnen de gemeenschap van de kamer. Van eigen initiatief tot publicatie was nog geen sprake. Dit geldt ook voor Hoofts amoureuze liedjes, die via afschriften in liedbundels terecht kwamen, getekend met zijn kamerspreuk ‘Verandren cant’. In deze liedjes – op de melodie van bekende Franse en Italiaanse liederen – bracht Hooft thema’s en toon uit oudere liedtradities (onder andere het zogenaamde dageraadslied) in harmonie met petrarkistische motieven en met stijl en strofevormen uit de eigentijdse Italiaanse en Franse dichtkunst. Zuivere ‘liefde’ en aardse ‘min’, in de neoplatoonse liefdesfilosofie elkaars tegenstelling, verzoenen zich met elkaar in het spel Granida, als de zuivere liefde tussen de herdersjongen Daifilo en de prinses Granida beloond wordt met een – vreugdevol te consumeren – huwelijk. Een in principe onbereikbare geliefde, zoals Petrarca’s Laura, sprak Hooft niet erg aan: dat bleek ook uit zijn virtuoze liefdessonnetten.

Maatschappelijk aanzien genoot Hooft sinds 1609 door zijn aanstelling als drost van Muiden. ’s Winters was hij met zijn gezin in Amsterdam, waar hij nauw betrokken bleef bij het literaire leven. In 1611 publiceerde hij zijn liederen en gedichten als een aanhangsel bij de uitgave van zijn Emblemata amatoria: anoniem, maar voor goede verstaanders identificeerbaar door het motto van het eerste emblema, ‘Sy steeckt om hooch het hooft’. Pas na de uitgave van zijn tragedie Geeraerdt van Velsen (1613), nu onder eigen naam, werd Hooft ook in ruimere kring het ‘hooft der poëten’. Uitgevers zagen in 1614 – buiten zijn weten – brood in de uitgave van zijn twee jeugdspelen, waarna hij in 1615 nu zelf zijn Granida publiceerde. Erkenning uit Leidse kring kreeg hij in Scriverius’ voorwoord tot de uitgave van de Nederlandse gedichten van Daniel Heinsius (1616). Zelf bewonderde hij Heinsius, wiens ideeën over geïnspireerde, harmonie teweegbrengende poëzie hij deelde.

Ook in het komische genre – in  zijn blijspel Warenar  – liet Hooft zien dat hij zich met de klassieke dramaschrijvers kon meten. Daarna betoonde hij zich weer een geleerd en filosofisch onderlegd schrijver in zijn tragedie Baeto, waarin hij zijn figuren op hoog literair niveau behartigenswaardige politieke beschouwingen in de mond legde. In dit laatste stuk (daterend van 1617) stelde hij Baeto, prins der Catten en stamvader der Bataven, voor als een wijze prins, die het belang van de staat boven dat van zichzelf stelt en liever in ballingschap gaat dan dat hij een burgeroorlog ontketent voor herstel van zijn recht. In een periode waarin het conflict tussen Maurits en Oldenbarnevelt zich steeds meer toespitste (zie hoofdstuk 10), had met name Maurits zich het voorbeeld van de verzoenende vorst moeten aantrekken.

Na 1618 wijdde Hooft zich voornamelijk aan geschiedschrijving, waarin hij zijn ideeën over maatschappelijke orde directer kon overdragen. Na onder andere een biografie van de Franse koning Hendrik IV verscheen in 1642 het eerste deel van zijn geschiedenis van de Nederlandse Opstand, de Nederlandsche Historiën, geschreven in een beknopte en wat stroeve schrijftrant die geënt was op de klassieke (Romeinse) geschiedschrijver Tacitus. In de poëzie deelde hij in deze tijd met zijn vrienden Huygens en Tesselschade een literaire smaak voor vernuftige en virtuoze gedichten in ongewone taal, zoals die van eigentijdse Italiaanse dichters.

Hoofts wellevende, geestrijke brieven aan zijn geletterde en artistieke vrienden (onder wie Constantijn Huygens en de dichteres Maria Tesselschade), die hij ’s zomers graag in Muiden uitnodigde, vestigden in de negentiende eeuw de mythe van een georganiseerde ‘Muiderkring’. Een deel van deze – goed bewaarde – brieven was al in 1677 opgenomen in de uitgave van zijn Werken.

 

[Top]

 

Gravure uit de collectie Documentatie Nederlandse Letterkunde (Universiteitsbibliotheek Amsterdam)

 

Bij de opening van het P.C. Hoofthuis op 19 september 1984 sprak de hoogleraar-directeur van het Instituut voor Neerlandistiek, prof. dr. W.G. Klooster, de volgende rede uit:

 

W.G. Klooster

Bij de opening van het P.C. Hoofthuis

(Toespraak op 19 september 1984)

"Verandren Candt", zo luidde enige tijd Hoofts zinspreuk. En ja, veranderen kon het. Op de plaats van dit "blije bouwwerk" (zoals Boudewijn Büch het al genoemd heeft), daar stond, zo’n vier-en-een-halve eeuw terug, het huis genaamd "In den Huypot", waar zich de familie Hooft toen vestigde. Vader Cornelis Pieterszoon, eerste geboren Amsterdammer der familie, werd, na Duitse omzwervingen om Alva’s bloedraad te mijden, in 1588 tot burgemeester van Amsterdam gekozen. Ook in die dagen veranderde veel: Pieter Corneliszoon, geboren in het jaar dat ons volk, in zijn woorden, "de hoed der vrijheid haalde op ’t spitse van de dolk" (1581), en drie jaar oud toen in ’84 de Prins vermoord werd, zou dan ook zijn Nederlandse Historiën omschrijven als "een werk dat opgeleit is van lotwissel en menigerlei geval". Dit laatste is, zij het op bescheidener schaal, ook onze instelling niet geheel vreemd.

Mag men het samenvallen in ligging van In den Huypot en dit glas- en glansrijk letterengebouw slechts een aardige coïncidentie noemen, er is meer dan deze samenloop alleen. Tussen onze grote renaissancedichter en -schrijver enerzijds en het belangrijke, circa drieduizend studenten bedienende deel van onze faculteit in dit gebouw anderzijds, zijn vele lijnen te trekken. Er is al op gewezen: Hooft verbindt in zijn werk de vakgebieden van de twee grootste letterenstudierichtingen. Nederlands en Geschiedenis, beide nu hier ondergebracht. Niet alleen met déze vakken is er samenhang, ook met de andere hier gehuisveste studierichtingen is die er, zij het niet steeds even rechtstreeks. Ja, in feite kan de hele Letterenfaculteit wel op een of andere wijze in verband gebracht worden met leven en werken van deze schrijver voor het theater, door de Franse koning geridderde geschiedschrijver, dichter en kenner der klassieken, niet onbekend zelfs met het nabije en verre Oosten, muzikaal en taalkundig dilettant, vertaler uit diverse talen, wiens grootvader de Sont bevoer, en wiens bewonderde geestverwant, de Europeaan Grotius, Zweeds gezant te Parijs werd.

De verbindingslijnen enigszins aanduidend (in luttele minuten schetsen is al onmogelijk), voer ik u nu dus in uiterst kort bestek door het verleden. Daarna zal ik de blik richten op de actualiteit en de te verwachten en gewenste ontwikkelingen. (Die twee zijn niet noodzakelijk hetzelfde.)

Direct al bij het begin van het - om zo te zeggen - larvale stadium van onze universiteit, dat wil zeggen, bij de instelling in 1632 van het Atheneum Illustre, is er een zekere spanning voelbaar. Hooft schrijft op de opening - uiteraard ook door Vondel bezongen - een gelegenheidsgedicht met, zo zou men ’t kunnen noemen, een wetenschapspolitieke strekking. Het vangt als volgt aan.

Sinds Uw geluk zijn opgang nam,
o hooggerezen Amsterdam,
en trof uw eerzucht nooit ’t wit
waar nu haar heerepijl in zit;
naardien gij u gingt stellen t’schrap
tot winst van waarde en wetenschap,
en te uwer onderrichting riept
twee helden, die der dingen diept’
en steilte afpeilen op een prik,
van ’s hemels kruin in ’t hart van slik.

Die twee helden, men weet het, waren Hoofts vrienden Vossius en Barlaeus. Met Vossius, professor in de Geschiedenis, Letteren en Welsprekendheid, en Barlaeus, professor in de Wijsbegeerte, legde onze stad zonder twijfel eer in, maar dit Amsterdams begin der Letteren en Wijsbegeerte, was Hooft nog niet genoeg. Met de benoeming van het tweetal, zo geeft Hooft in zijn gedicht toe, is Amsterdam in elk geval

buiten schoots
van ’t alverblindend onverstand,
en midden in de zon geplant
der glorie en voorzienigheid.

Maar, zo roept hij de stadsregering op,

kent dan uw kans, eer dat ze draait.

Een aardekloot (een wereldbol), zo zegt Hooft dan,

versiert en drukt
’t spansel uwer krone. Rukt
die blauwe perel van haar top
en zet er ’t oog de wijsheid op:
de overgrote Huig de Groot,
Apollo’s dierbaarste kleinood.

Ik vlei mij niet met de gedachte, dat U, toehoorders, deze regels even gemakkelijk volgt als een gemengd bericht over ongeregeldheden.

Hoe moeten wij die wereldbol duiden? Welke kroon wordt er bedoeld? Welke blauwe parel moet plaats maken voor "de overgrote" Grotius, door Hooft aangeduid als "oog der wijsheid"? De gelegenheid is te verleidelijk om het u niet even uit de doeken te doen.

Het Amsterdamse wapen draagt de befaamde keizerskroon, die u ook, hiervandaan aan de Singelzijde, levensgroot kunt zien, namelijk op de toren van de Westerkerk. Die is nog maar hoogstens een maand of wat klaar als Hooft zijn gedicht schrijft, ook hiermee dus inhakend op de actualiteit. Op die kroon prijkt een orbis, een wereldbol. Als het straks met het daglicht een beetje meezit, kunt u het zelf zien: die aardbol is azuur. Door deze blauwe bol een parel te noemen, vermindert Hooft er op slinkse wijze de waarde van. Niet alleen kan hier het adjectief blauw in zijn tijd de bijbetekenis "onbeduidend" hebben (zoals nog in ons een blauwe maandag)1), maar een donkere, "blauwe perel" is, vergeleken bij een witte, veel minder waard. Het is dit versiersel van haar kroon, dat Amsterdam vervangen moet door het "oog der wijsheid" Huig de Groot. De boodschap is nu duidelijk: Grotius moet óók benoemd worden.

Men moet dit zien in de politieke context van die dagen. De Groot was juist enkele maanden clandestien in Amsterdam, de enige Hollandse stad wier overheid zijn aanwezigheid oogluikend toeliet. Het was niet, dat men geen gevoel had voor niveau - men had zelfs getracht Galilei hier te krijgen - maar er stond een prijs op de vluchteling uit Loevestein; zelfs voor het rekkelijke Amsterdam was hij te riskant. Besefte ook Hooft dat zijn wens (afgezien van het geld nu maar even) niet realistisch was? Hoe dan ook, áls Grotius’ benoeming ergens in Holland haalbaar was, dan toch hooguit in het zich altijd moeilijk in het gareel der Staten van Holland voegende Amsterdam, waar bovendien een klimaat heerste van geestelijke vrijheid. "Dat de stichting van het atheneum in Amsterdam niet alleen iets nieuws was, maar ook iets gansch anders, heeft men hier en elders zeer goed begrepen," schrijft de Neerlandicus en historicus Brugmans in 1932.2) Zo zagen bijvoorbeeld de Calvinistische academies en kerken in Zwitserland in de nieuwe school een kweekplaats van ketterijen. Niet geheel ongemotiveerd; het optreden van Vossius en Barlaeus loog er niet om. Ook Leiden trachtte een stokje te steken voor de komst der Doorluchte School, maar dat was meer uit concurrentie.

Het was echter toch bovenal de strijd tegen de Amsterdamse rekkelijkheid die veler bezwaren voedde. En in dit licht moet men ook Hoofts houding zien, wiens bewondering voor Grotius geheel strookte met zijn humanisme, zijn herhaald pleidooi voor matiging en redelijkheid, en voor vernieuwing en vooruitzien. Ik meen, dat van deze geest van tolerantie, soms met haast intolerante en eigenzinnige felheid verdedigd, nog steeds iets in Amsterdam en in deze instelling is blijven hangen.

Ik heb in het voorgaande enige verbindingen summier aangeduid tussen Hooft en het werk dat de bewoners van dit gebouw zal bezighouden. Ik zinspeelde al onder meer op de relatie met geschiedenis, de taal, de talen, de letteren, de muziek, Europa, maar ook op de heterodoxie en de hier ter stede nog vaak waargenomen eigenzinnigheid en hang naar autonomie.

Vossius’ oratie gaat over het nut van de geschiedenis. Voor hem, evengoed als voor Hooft, was hier weinig ruimte voor twijfel. Hooft zegt het Tacitus na: de voornaamste taak der geschiedenis is te zorgen dat deugdzame daden niet verzwegen worden en dat op "booze woorden en werken een vreeze voor de nakoomst en quaaden naam gestelt werde." Op deze renaissancistische opvatting van de geschiedschrijving als betrouwbaar geheugen, van de geschiedenis als les voor hem die geschiedenis maakt, die wij ook bij Vossius herkennen, wordt in deze tijd veel afgedongen. Toch kan men staande houden dat zien hoe men in het verleden vooruitzag inspireren kan tot vooruitzien.

Welnu, welke vooruitzichten biedt de toekomst?

De ontwikkelingen die ook onze universiteit, en meer in het bijzonder haar letterenfaculteit in deze periode doormaakt, kunnen in twee soorten worden onderverdeeld: de van buiten af opgelegde en de van binnen uit geïnitieerde. Beide soorten processen hebben iets gemeen met verhuizingen, en wel met verhuizingen die, in tegenstelling (krijg ik de indruk) tot die van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen naar de Europaweg te Zoetermeer, vaak niet al te gladjes verlopen. Menige vakgroep die het kan navertellen weet daarvan thans mee te praten. Takenruil heeft niet zelden iets van zielsverhuizing; uitgewerkte voorstellen dienaangaande doen zelfs een doodenkele keer denken aan geestenfoto’s. Bij voorgenomen concentratie op één plaats blijken achteraf in de verhuisdrukte wat verspreide vestigingen aan de aandacht ontsnapt, als ging het om onopvallende archeologische resten.

De eigen initiatieven die onze faculteit ontplooit, creëren alle een fase van vaak ingrijpende herschikking en worden, net als bij een verhuizing, soms doorkruist, maar even vaak gestimuleerd, door externe factoren. Zo heeft het zoeken naar alternatieven in een tijd waarin de voor Letteren traditionele beroepsmogelijkheden sterk op de achtergrond raken, geleid tot de nu bloeiende Europese Studies, opgezet in samenwerking met Rechten (kleine revanche voor Grotius), en nu ook met Economie. In de boezem van de Faculteit levende plannen voor de ontwikkeling van alpha-informatica lijken nu onder het gelukkige gesternte te komen der ministeriële bestemming van zogenaamde "herbezettingsgelden." Meer nieuwe activiteiten staan op stapel of gaan al van start.

De ontwikkelingen op het terrein van onderzoeksbeleid spruiten voor een deel voort uit een intern al in gang gezette en daarna door het stelsel van Voorwaardelijk Financiering in een stroomversnelling geraakte ordening en groepering van het facettenrijke Letterenonderzoek. De realisatie van de voor dit stelsel noodzakelijke nieuwe organisatievormen gaat niet altijd van een leien dakje, maar wel van een steil dakje. De bestaande beslissingsstructuren lijken slecht op dergelijke snelle veranderingen berekend; de in de WUB omschreven sterk autonome onderzoekeenheden, de vakgroepen, moeten bovendien de facto door de grootschaliger organisatie van het onderzoek veel van hun bevoegdheden opgeven. In een faculteit als de onze, met tweeenveertig vakgroepen, is dit goed merkbaar. Het individuele stunten blijft wel mogelijk, maar kan niet langer de rigueur zijn: het wordt formatievliegen, met een zekere nadruk op "formatie."

Trouwens, bij tal van maatregelen lijken de gevraagde snelheid en slagvaardigheid buiten de mogelijkheden te vallen van de sterk gelaagde en van medezeggenschap aan elkaar hangende universitaire bestuursvormen. Als het bouwwerk van hoger onderwijs inderdaad zozeer renovatie behoeft, dan zou, zo komt het me voor, ook eens aan de grondvesten moeten worden gedacht.

Ongeveer een vijfde van het door onze instelling te verrichten en voorwaardelijk te financieren onderzoek zal, zoals de zaken er nu voor staan, moeten worden uitgevoerd door de Faculteit der letteren, die voorts blijkens het jaarverslag een kwart van onze circa vierentwintigduizend studenten onderwijst. Bij een wetenschappelijk personeelsbestand der Letteren van een achtste van het universitaire totaal is het verwezenlijken van onderzoeksprogramma’s dus geen peuleschil.

Even dringt zich zelfs het beeld van de huipot op. Want in Le Francq van Berkheys Natuurlijke Historie (eind 18e eeuw) lezen wij – ik kort het citaat wat in:

Van de wei of hui (een dun blaauwig waterachtig Vogt), welke van de tot (...) kaas geronnen melk wordt afgeschept en uitgeperst, wordt ( ... ) het daarop nog komende vet (...) met een (...) bakje afgeschept, en in een schoone pot gedaan, waarin het somtijds wordt omgeroerd, en (wekelijks) gekarnd, leverende dan nog een goede boter op, welke men weiboter noemt, maar echter minder geld waardig is, dan de roomboter.3)

Ziedaar een actueel gevaar, treffend in beeld gebracht. Maar het is, als u mij een snelle beeldwisseling toestaat, toch ook een uitdaging om wolken als deze uit de lucht te vegen.

Blauwige hui, blauwe parel - het wordt tijd de Amsterdamse Letterenkleur in een ander daglicht te stellen. Deze kleur van onbewolkte luchten, waarvan de benaming etymologisch samenhangt met blaken, is namelijk ook de kleur van wat Hooft noemde "’s hemels kruin", zoals u zich herinnert. De bol die de Amsterdamse kroon waarop wij uitzien nog steeds versiert, kan ook een globe céleste zijn, een wolkenloze hemelbol.

Moge dit nieuwe gebouw, dat zoveel fraaie uitzichten biedt, de gebruikers inspireren om zich te "stellen t’schrap tot winst van waarde en wetenschap."

______________________________________

1) Deze verklaring is twijfelachtig. Er is misschien verband met ‘blue moon’, wat betrekking heeft op een zeldzaam verschijnsel (WGK, mei 2000).

2) Gedenkboek van het Atheneum en de Universiteit van Amsterdam; 1632 - 1932, Amsterdam 1932 (pg. 26.)

3) J. Le Francq van Berkhey, Natuurlijke Historie van Holland, Leiden 1811 (Deel 9, pg. 453-454.) lk dank het citaat aan Dr. J. Stroop, die mij bovendien nog wist te melden dat de allerlaatste wei tot voedsel aan de varkens werd gegeven.

[Top]