Samenvatting van de scriptie van Vincent Erdin

 

Als titel voor mijn scriptie heb ik gekozen: De Europesche Colonisatie in de kolonie Suriname onder leiding van ds. A. van den Brandhof, Ned. Herv. predikant te Elst bij Amerongen.

De scriptie bestaat uit drie delen: I is het onderzoek en een overzicht van de problemen die ik tijdens mijn onderzoek ben tegengekomen; deel II en III bevatten de aantekeningen van ds. A. van den Brandhof.

Over Europesche Colonisatie is in het verleden meer dan eens kritisch geschreven. Het onderwerp zou dus al voldoende uitgediept zijn. Naar mijn mening was dat tot op zekere hoogte ook wel waar, maar ik dacht er toch nog een nieuw aspect aan toe te kunnen voegen. De predikant heeft tussen 1840 en 1845 een literatuurstudie gemaakt om zijn reis die vooral een emigratie had moeten worden voor te bereiden. Omdat hij van twee boeken een uittreksel heeft gemaakt, kan worden nagegaan wat iemand in de negentiende eeuw wist van de kolonie Suriname voordat hij naar dat land zou vertrekken. Deze uittreksels zijn bewaard gebleven en door mij voor het eerst opgemerkt en bij de doctoraalscriptie gebruikt. De predikant heeft tevens een titellijst met boeken opgenomen in zijn aantekeningen.

Voor mij was dat voldoende aanleiding om me verder te gaan verdiepen in het onderwerp. Als iemand een boek leest en daar een uittreksel van maakt is het interessant om na te gaan wat de aandacht krijgt van de lezer en in mindere mate: wat laat de lezer (hier ds. A. van den Brandhof) weg. Nu heeft dat laatste in mijn studie gaandeweg meer aandacht gekregen. De vergelijking tussen het uittreksel en het oorspronkelijke boek kon worden gemaakt omdat ik de beschikking had over de boeken van John Gabriël Stedman: Reize naar Suriname en door de binnenste gedeelten van Guiana. Verschillende zaken vallen dan op. In de eerste plaats over de literatuurlijst. Voor die periode (medio 1843) staan voor zover ik na heb kunnen gaan de meest relevante boeken aangegeven. Ik merk dat op omdat ik aan de hand van een in 1835 verschenen boek de beschikking had over een controlelijst. Van M. D. Teenstra verscheen in 1835 het boek De landbouw in de kolonie Suriname voorafgegaan door eene geschied- en natuurkundige beschouwing dier kolonie. Dit boek gaat in belangrijke mate over de landbouw in Suriname M.D. Teenstra heeft evenals Stedman een literatuurlijst opgenomen. Wonderwel heeft ds. A. van den Brandhof helaas niet het boek van Teenstra gelezen; ik noem dat een jammerlijk gemiste kans. Zou de predikant dit namelijk wel hebben gelezen dan was hij van alle recente ontwikkelingen volledig op de hoogte geweest en kon hij alle andere boeken gevoeglijk overslaan. M.D. Teenstra was een zoon van een grote Groningse herenboer in Zuurdijk en hij heeft enkele jaren in Suriname gewerkt voordat hij zijn uitvoerige beschrijving over de landbouw kon gaan schrijven. Ik heb de literatuurlijsten vergeleken en zie dat Van den Brandhof de meest bekende boeken over Suriname te pakken heeft gehad. Hoe waardevol een boek van 1720 nog is ten opzichte van een boek uit 1820 laat ik verder buiten beschouwing. Ik volsta met een opmerking dat de ontwikkelingen in die tijd minder snel plaatsvonden dan nu. De stoommachine was in Amerika en Europa net in ontwikkeling.

Dan het tweede en voor mij meest belangrijke deel van de studie: de handschriften of aantekeningen van de predikant vormen voor mij het manuscript. Ik heb ze een plaats gegeven in deel II en deel III van de scriptie. Deel II bevat hoofdzakelijk aantekeningen uit Stedman en deel III aantekeningen uit kranten en tijdschriften. Van den Brandhof heeft in de pastorie te Elst de vier boeken van Jonhn Gabriël Stedman vrij nauwkeurig bestudeerd. Sommige passages schrijft hij letterlijk over, andere laat hij ongemoeid. Ik zocht naar een verklaring voor zowel het één als het ander. Stedman gaat met zijn legeronderdeel in 1773 naar Suriname om de opstandige negers en weggelopen slaven te bedwingen. Op momenten dat de militairen niets te doen hebben en de verveling toeslaat, zoekt Stedman een aangenaam tijdverdrijf. Hij begint een dagboek en schrijft daarin alles op wat hij ziet. Dat gaat over de stad Paramaribo, de natuur, de culturele verhoudingen en niet te vergeten de verhouding tussen de verschillende bevolkingsgroepen: vrije en slaaf, wit en blank. Heel opmerkelijk is dat ds. A. van den Brandhof bijna niets van deze grote verschillen overneemt. Hij isoleert zich in zijn studie al van de Surinaamse samenleving.

Tegenwoordig maken velen reizen naar andere continenten en nemen kennis van hun cultuur en gewoonten van de autochtone bevolking. Het is veelzeggend dat Van den Brandhof niets schrijft over de verdrukking van de slaven en de mishandeling die zij vele malen ondergaan. Ook schrijft hij niets over de geneeskracht van kruiden die in Suriname groeien of over de Hernhutters die zending bedrijven. Hij is in hoofdzaak gericht op zijn landbouwkundige onderneming. Ik vind dit een eenzijdige benadering van de hele expeditie waar hij zich voor geplaatst ziet. Van den Brandhof heeft zijn literatuurlijst dus vooral gelezen met het doel landbouwkundige kennis op te doen. Maar daar leent Stedman zich niet voor. Stedman schrijft een dagboek, de aantekingen staan dan ook niet thematisch gerangschikt. Dat heeft tot gevolg dat het handschrift nogal ‘van de hak op de tak springt’. Ik schrijf ook dat een predikant geen landbouwkundige is. Al moet ik dat beeld enigszins nuanceren: hoogstwaarschijnlijk hebben predikanten in de negentiende eeuw loon in natura ontvangen naast een laag tractement. Een boomgaard en een groententuin bij een pastorie waren heel gebruikelijk. In de provincie Groningen waren begin negentiende eeuw zeer vooruitstrevende predikanten die in hun moestuin zijn gaan experimenteren. Zij beschikten wel degelijk over landbouwkundige kennis waarmee zij de boeren in hun kerkelijke gemeente van dienst konden zijn.

Een van mijn conclusies is dat de predikant van goede wil is geweest maar zich toch niet volledig op de hoogte heeft gesteld van alle facetten van zo’n omvangrijke onderneming. Er ontbrak een zakelijk plan, de noodzakelijk kennis van de lokale gebruiken ontbreekt en Van den Brandhof heeft geen politieke antenne. Hij krijgt een aanstelling als bestuurder van het kolonisatieproject en valt hiërarchisch rechtstreeks onder de gouverneur. Van deze positie maakt hij te weinig gebruik om zijn eisen kracht bij te zetten. Hij dwingt geen periodiek overleg met de gouverneur af om over de voortgang van het project te spreken. Hij ziet de ontwikkelingen met lede ogen aan zonder er iets aan te doen. Hij had zich als een spin in het web moeten vechten om zo de belangen van zijn onderneming te kunnen verdedigen. Nu maakt zijn gelaten en afwachtende houding geen al te sterke bestuurlijke indruk.

Nog iets over de wijze waarop ds. A. van den Brandhof in Suriname terecht is gekomen. Dit is het meest bekende deel van de hele onderneming waar al vanaf 1848 over is geschreven tot aan een proefschrift in 1937 toe. Op dat punt was ik dus niet origineel. De meerwaarde van mijn studie zit dan ook in wat ik hierboven heb beschreven. Arend van den Brandhof werd in februari 1796 in Leersum geboren. In 1813 gaat hij theologie studeren in Utrecht en wordt in 1821 predikant in Schalkwijk (nu gemeente Houten). Vervolgens gaat hij in 1825 naar Elst, bij Amerongen. Daar staat hij een bijzonder lange tijd. Op classicaal en provinciaal niveau krijgt hij weinig bestuurlijke functies en in al die jaren slechts een enkel beroep. Medio 1839 moet hij een artikel hebben gelezen over Suriname. En het lijkt hem wel wat om daar als predikant naar toe te gaan. In 1840 bespreekt hij dat plan met zijn zwager ds. D. Copijn in Wilnis. Die brengt hem in contact met de kerkelijke autoriteiten en ambtenaren op het departement van Koloniën. Er is in die periode geen plaats voor hem in Suriname. En vanaf dat moment begint het plan te groeien om een kolonisatieproject te starten. In Nederland was het armoe troef. De landbouw- en de economische crisis waren aan de orde van de dag. In Suriname zag hij nieuwe toekomstmogelijkheden voor zijn gemeenteleden.

Het plan wordt in 1842 aan de minister voorgelegd en vervolgens aan koning Willem II. In 1843 krijgen drie predikanten J. H. Betting uit Beesd (Betuwe), A. van den Brandhof en D. Copijn opdracht om het plan verder uit te werken. De werktitel is een proefbedrijf voor protestantse boeren uit Holland in Suriname. Betting gaat met enkele boeren het nieuwe land en de mogelijkheden verkennen. In Suriname aangekomen is hij uitermate somber en schrijft dat ook aan Van den Brandhof. Het project gaat toch door; er zijn in 1843 al enkele honderden belangstellenden. Vooral uit de omgeving van Elst, Rhenen en Veenendaal. Maar ook enkelen uit de Betuwe en de omgeving van Wilnis. In 1845 vertrekken ruim 380 mensen op vier schepen naar Suriname om daar op de verlaten militaire post Groningen een kolonisatie te beginnen. Vooraf waren er selectiecriteria opgesteld. Waarom daar nooit scherp de hand aan is gehouden, valt nu niet meer te achterhalen. De leeftijdsopbouw was bijzonder onevenwichtig: veel grote kinderrijke gezinnen en een groot aantal ouderen boven de 35 jaar. Kortom weinig mensen die het zware werk op een plantage zouden kunnen gaan doen.

De Nederlandse overheid zag wel wat in deze onderneming. In Europa werd nagedacht over de algehele afschaffing van de slavernij. Engeland en Frankrijk waren daar al toe overgegaan. Nederland dacht er wel over na maar zag nog concrete mogelijkheden om het mogelijke arbeidsprobleem op te lossen. Daarin moest de kolonisatie van de drie predikanten een belangrijke bijdrage gaan leveren. Het ging dan ook om een modelproject. Vrije boeren konden laten zien dat het mogelijk was het land te bewerken zonder gedwongen arbeid. Vrijkomende slaven zouden dat voorbeeld vrijwillig moeten volgen. Als dat experiment zou slagen, was de wankele economie van Suriname van de ondergang gered, zo werd in Den Haag gedacht. Het pakt echter heel anders uit. Binnen enkele maanden na aankomst in Suriname tussen juli en november 1845 zijn al 180 personen aan typhus overleden. Van den Brandhof staat er alleen voor, ds. Betting was ontslagen vanwege zijn kritische houding in 1843, hij had het hele project verschillende keren ontraden. Ds. Copijn was één van de eerste slachtoffers van de epidemie. Van den Barndhof zit met een onderbezetting en in een neerwaartse spiraal waar geen redden meer aan is geweest. Op sommige momenten laten het gouvernement in Paramaribo en de regering in Den Haag het volstrekt afweten. Op een begroting voor het departement van koloniën in 1843 van 61.000 gulden en een grote staatsschuld is het nauwelijks mogelijk steun te bieden. Vanaf 1848 wordt iedere vorm van hulp gestaakt.

In 1853 keert Van den Brandhof met zeven kinderen terug, zijn vrouw is in Suriname overleden. Hij woont enkele jaren in Wijk (bij Duurstede) en gaat dan in Terborgh wonen in de Achterhoek. Daar wordt hij in april 1863 ook begraven. Op de algemene begraafplaats staat de grafzuil nog op het familiegraf. Het is één van de weinige herinneringen in Nederland aan de Europesche Colonisatie. Op het predikantenbord in de NH kerk van Elst staat dat hij in 1845 is vertrokken naar Suriname. Maar dat is alleen voor kerkgangers waarneembaar. Ik heb dan inmiddels ook het verzoek gedaan aan de kerkvoogdij en de gemeente Rhenen om een blijvende herinering aan de buitenzijde van deze kerk te bevestigen.

Vincent Erdin

april 2003

Alphen aan den Rijn/ Zuidhorn