Kaat Mossel: helleveeg of heldin? De beeldvorming van Rotterdams bekendste mosselvrouw tussen 1784 en nu.

Doctoraalscriptie Charlotte van Genderen, studiejaar 2002-2003

Dat Kaat Mossel een bekende Rotterdamse mosselvrouw was, weten veel Nederlanders nog wel. Misschien weet men te vertellen dat ze ‘haar op d’r tanden’ had en ‘d’r mannetje stond’. Velen kennen waarschijnlijk boten of restaurants die ‘Kaat Mossel’ heten. Maar dat de echte Kaat Mossel Caetje Mulder heette, in de patriottentijd opviel door haar ijver voor Oranje, bijna drie jaar vastzat vanwege haar aandeel in Rotterdamse rellen en in die drie jaar een geliefd mikpunt voor patriottische schotschrijvers werd, is nu nog maar matig bekend. Haar naam staat ver af van haar daden. Dat is niet onterecht, want wat ze deed, was niet zo bijzonder. In de periode 1780-1800 viel iedereen over elkaar heen, er waren talloze patriotse en prinsgezinde ijveraars die elkaar bestookten, zowel met fysiek als verbaal geweld. Maar er zijn tijden geweest waarin ze behoorlijk bekend was. Over die tijden gaat deze scriptie. Haar daden mogen misschien niet zo spectaculair zijn geweest, de manier waarop men tijdens haar leven en na haar dood met haar naam is omgegaan, was dat wel. Of spectaculair is dan misschien niet het juiste woord, maar opvallend. Tijdens een deel van haar leven was Kaat Mossel een ‘bekende Nederlander’, die zowel werd gehaat als beklaagd. Na haar dood groeide ze uit tot een historische figuur die deel uitmaakte van de iconenrij van God, Nederland en Oranje. Hoe Kaat Mossel door de jaren heen gezien is, staat centraal in deze scriptie. Hoe ze echt was, als persoon, is moeilijk na te gaan. Maar aan de hand van bronnen die biografisch materiaal bevatten, kan daar wel een aantal dingen over opgemerkt worden. In het eerste deel van de scriptie ben ik ingegaan op haar biografie, maar dan vooral op wat ze deed in de woelige jaren rond 1784, omdat daarover de meeste informatie is. Over wat ze precies deed en hoe ze was vóór die tijd is vrijwel niets te vinden in de Rotterdamse archieven. Omdat deze scriptie over beeldvorming gaat, heb ik ook dit begrip behandeld en ben ik ingegaan op het hoe en waarom van iconen. Verder bekeek ik hoe Kaat Mossel gezien werd in haar eigen tijd, om in later over te gaan op de beeldvorming van na haar dood tot nu. Kortom: wat deed ze en hoe was ze? Hoe zag men haar tijdens haar leven en waarom? Hoe zag men haar na haar dood en waarom? En stemt het beeld dat men van haar had en heeft met Kaat Mossel overeen, of is dat beeld zoals men wil dat het is? In de bijlagen van mijn scriptie zijn verschillende afbeeldingen van Kaat Mossel afgedrukt, zowel spotprenten en portretten uit haar eigen tijd als plaatjes van schoolboeken en toneelstukken uit de negentiende en twintigste eeuw, die laten zien op hoeveel verschillende manieren men door de eeuwen heen met één persoon wist om te gaan.

Kaat Mossel (1723-1798) was vanwege haar ambt van keurvrouw der mosselen een bekende Rotterdamse. Ze was Oranjeklant, zoals velen uit het volk, die in Oranje hun beschermer zagen. In de roerige patriottentijd gaf Kaat Mossel blijk van haar voorkeur voor Oranje en was iedereen die dat niet deed, ‘fout’ in haar ogen. Ze verspreidde lasterschriften en versierde op verjaardagen van leden van het Oranjehuis haar eigen huis in de Zwanensteeg. Landelijke bekendheid verwierf ze nadat ze was opgepakt naar aanleiding van ernstige ongeregeldheden op de avond van 3 april 1784. Op die avond misdroeg het Oranjevolk zich zo ernstig tegen gehate patriotse leden van de burgerwacht, dat luitenant Van Zwijndrecht het vuur op het volk opende. Hierbij kwamen vier mensen om en de daaropvolgende periode ontstond gerommel in het Rotterdamse bestuur over de vraag hoe het zover had kunnen komen. De commissie die door het Hof van Holland werd ingesteld om onderzoek te doen naar deze gebeurtenis, liet Kaat Mossel eind augustus arresteren, omdat ze diverse malen uitlatingen had gedaan die konden worden opgevat als voorbode van 3 april. De commissie richtte zich echter vooral op het vinden van ‘heimelijke aanvoerders’ die mensen als Kaat Mossel hadden ingezet om verdeeldheid te zaaien. Zo werd de Oranjegezinde burgemeester Van der Heym niet helemaal vertrouwd. Maar dit onderzoek zou vruchteloos aflopen. Tegen Kaat Mossel zelf werd geseling, brandmerking en verbanning geëist (ze werd verdedigd door Bilderdijk), maar vanwege de politieke ontwikkelingen werd ze in 1787 vrijgelaten.

Wat voor iemand Kaat Mossel nu echt was, valt niet precies na te gaan, wat ze dacht evenmin. Maar ze was net zo min een helleveeg (zoals ze werd voorgesteld door de patriotten) als een heldin (zoals de oranjegezinde negentiende-eeuwers haar zagen). In elk geval had ze Oranjegezinde stadgenoten aan zich weten te binden door het beloven van wijn (zelf hield ze trouwens ook wel van een glaasje). Ze riep ‘hoezee’ en ‘Oranje boven’ en moedigde de meute aan door te schreeuwen: ‘Heb jylui niet meer voor ons prinsje over?’ Ze kon menigtes aan de gang maken, maar of ze nu echt een instrument is geweest van lieden die de boel wilden ontregelen? Het onderzoek dat de commissie daar naar voerde, liep vruchteloos af. Alleen Ignatius Jansen, een luitenant die haar in juni 1784 naar Den Haag had gestuurd om (misschien) de militaire parade te ontregelen, lijkt een discutabele rol gespeeld te hebben. Het is ook mogelijk dat Kaat Mossel handig gebruik maakte van de Oranjegezindheid van mensen als Van der Heym, om zo aan geld te komen voor drank, versieringen en reisjes. Uit de processtukken, aanwezig in het Rotterdamse Gemeentearchief en het Nationaal Archief te Den Haag, kunnen we opmaken dat Kaat Mossel in elk geval grof in de mond was, mensen kon charteren en zich graag met andermans zaken bemoeide. Omdat ze haar beroep grotendeels op straat uitoefende, moet ze al vóór de turbulente periode als ‘Kaat Mossel’ bekend zijn geweest in Rotterdam. Haar bekendheid als mosselvrouw zal ze hebben gebruikt om mensen tegen de ‘fouten’ op te zetten. Ze wist er, bedoeld of onbedoeld, in elk geval voor te zorgen dat er over haar gesproken werd, zowel in Rotterdam als daarbuiten. Kennelijk viel er voor haar wel te vrezen (haar scheldwoorden ‘donders’ en ‘bliksems’ doen tegenwoordig nogal onschuldig aan, maar in die tijd werd aan het gebruik van dergelijke woorden zwaar getild en ook zal ze met stenen hebben gegooid), maar spectaculaire dingen deed ze niet en evenmin was het haar bedoeling om een dappere vrouw te zijn die er niet voor schroomde op te komen voor het Oranjehuis, zoals ze later zou worden voorgesteld.

Kaat Mossel is een historische figuur geworden, en een icoon: een teken dat verwijst naar wat het uitbeeldt. En ze beeldde al met al een hoop uit, vooral na haar dood. In haar eigen tijd was ze voor de patriotten een icoon van de gehate Oranjeklanten, maar na haar dood groeide ze uit tot een historische figuur die fungeerde als icoon van het drievoudig snoer ‘God, Nederland en Oranje’. Als dappere, eerlijke volksvrouw maakte ze deel uit van de zogenaamde ruggengraat van Nederland, de spil der natie. Zoals met heel veel historische figuren gebeurd is, leek de icoon Kaat Mossel niet veel meer op de echte Kaat. Iets soortgelijks gebeurde met iconen als Jeanne d’ Arc, Anna Maria van Schurman en Kenau Hasselaer. Door de eeuwen heen heeft men behoefte gehad aan historische figuren en de vraag of het beeld klopt met de werkelijkheid, maakt kennelijk niet zoveel uit. De echte Kaat Mossel was niet anders gewend dan voor Oranje te zijn en liet zich meevoeren door de sentimenten in een woelige periode.

Haar gevangenschap trok de aandacht van de pers en vooral in 1784 was Kaat Mossel een hot item voor de patriotse kranten, tijdschriften, schotschriften en prenten. Het reisje naar Den Haag zorgde voor haar eerste bekendheid, haar gevangenschap deed de rest. De serieuze pers vroeg zich af waarom ze niet eerder was gevangengenomen, scheldbladen als De praatzieke arlequin hadden weer iemand om eens flink tegen tekeer te gaan en door de orangistische pers (die in de minderheid was) werd ze beklaagd. Het fenomeen Kaat Mossel leefde behoorlijk: indianenverhalen over reisjes en bezoekjes aan de Prins staken dan ook snel de kop op. De schotschriften konden er ook wat van: Kaat Mossel werd absoluut niet gespaard. Ze had alleen de Klagt van Catharina Mulder, een zogenaamde weeklacht vanuit de gevangenis, aan haar kant. De rest was één en al grappen, schelden, wreedheid en vooral: belachelijk maken. Kaat Mossel werd in die periode 1784-1785 uitgemaakt voor alles wat slecht was: ze was een hoer, teef, beest of duivelin. Als ze niet werd voorgesteld als het schuim der aarde, dan was ze op z’n minst een deerniswekkende figuur die door de hoge heren aan het touwtje gehouden werd. Sommige pamfletten zijn door de manier waarop Kaat werd voorgesteld, interessanter dan andere. Meestal werd ze als ‘hoer’ of ‘teef’ in één adem genoemd met de duivel, maar soms werden de verwijten subtieler gebracht, zoals in Oranges A/P/E-boek of een zogenaamde boedelcatalogus van de Hertog van Brunswijk. De vraag of ze werd uitgebeeld zoals ze was of zoals men wilde dat ze was, is makkelijk te beantwoorden: natuurlijk stemde dit alles niet overeen met de werkelijkheid. Dat ze door heimelijke aanvoerders werd aangezet misschien nog wel, maar de rest? Zwartmaken was het devies, en wel zo zwart mogelijk. Uiteraard wisten de schotschrijvers en de lezers van deze geschriften dat dit overdreven werd: men kan hebben gevonden dat ze een slechte, duivelse vrouw was, maar het is duidelijk dat het meeste uit de fantasie van de schrijvers en tekenaars ontsproten was. Meestal was ze onderdeel van een belachelijke vertoning. Zo werd in het ene pamflet ‘bekendgemaakt’ dat ze een reisje zou maken met een luchtballon (een patriots symbool), terwijl een andere tekst haar door Belzebub liet mishandelen. Met haar bijnaam ‘Mossel’ (ze werd ook door haar kennissen zo genoemd, dus een echte scheldnaam was het niet) hadden sommigen misschien vulgaire associaties, en wellicht hadden mosselvrouwen net als visvrouwen een slecht imago, maar het is zeker dat een mosselvrouw een makkelijk herkenbare figuur was. Men kende ze van de straat. In Amsterdam of Leiden kon men zich van alles voorstellen bij mosselvrouw Kaat.

Ze figureerde ook dikwijls op spotprenten. De getekende Kaat Mossel moet direct herkenbaar geweest zijn, want sommige prenten werden niet van uitleg voorzien. Niet alleen werd ze uitgebeeld als Kaat Mossel met de oranjestrikken, maar ook als Kaat de mosselvrouw, met haar mosselkar als herkenningsteken. Inderdaad waren de ‘gewone’ mosselvrouwen uit de Naauwkeurige Hollandsche almanach (1776 en 1777), zittend aan hun wagen, gekleed in een vergelijkbaar tenue, alleen zonder oranjestrikken. Op veel spotprenten was de galg een terugkerend element. Uiteenlopende Oranjegezinden vergezelden haar op die prenten: Van der Heym, de Leidse bakker Trago, de Amsterdamse kousenkoper Joosting, de Rotterdamse wagenmaker Van Oeveren, de Hertog van Brunswijk, Hofstede en natuurlijk Willem V. Uiteraard werden de gehate personen opgehangen of onthoofd, terwijl bliksemschichten de lucht doorkliefden. Steevast was het Kaat Mossel-figuurtje behangen met strikken en stond haar mond open, want schreeuwen deed ze op bijna alle prenten. Het was overigens niet alléén spot: er bestond ook een ‘gewoon’ portret van haar, in 1786 gemaakt door Hulstkamp.

De hausse in de pers was echter relatief snel weer voorbij, op een enkel nadruppelend pamflet na. Het lijkt er wel op dat zij meer aandacht kreeg dan andere bekende oproermakers, zoals haar eigen vriendin Keet Swenk en de Leidse Adrianus Trago. Dat zal te maken hebben gehad met haar proces, dat langer duurde dan andere processen tegen oproermakers. En over mosselen en een mosselvrouw waren ook heel wat grapjes te maken.

Van de Oranjegezinde kant zijn minder media-uitingen bekend. Haar zogenaamde weeklacht vanuit de gevangenis kwam van die kant en er is zogezegd in 1786 door Hulstkamp een serieus portret van Kaat gemaakt. Ook van Keet Swenk rouleerde zo’n portret. Beide portretten, wellicht gemaakt ter verering van de vrouwen, waren in elk geval in 1788 nog te verkrijgen in Rotterdam, zoals blijkt uit het boekje Verheerlijkt en verlicht Rotterdam uit 1788. Het larmoyante commentaar in dit boekje over de Rotterdamse versieringen ter ere van de verjaardag van Willem V, was zelfs zeer oranjegekleurd (en deed niet onder voor de negentiende-eeuwse observaties).

Kaat Mossel was een geliefd doelwit voor patriottische schotschrijvers en de kranten volgden haar proces, maar een echte beroemdheid is ze nooit geweest. Ze speelde geen rol in de politiek, ze publiceerde zelf niets. Degenen die de pamfletten lazen zullen om haar gelachen hebben en het orangistische volk zal met haar hebben meegeleefd. Maar we moeten niet uit het oog verliezen dat de Kaat-pers slechts een klein onderdeel was van de enorme berg van publicaties over de politieke ontwikkelingen in heel het land. De meeste schotschriften en spotprenten met Kaat Mossel in de hoofdrol waren verschenen in 1784. In 1795 had ze overigens nog wel een paar korte comebacks. Kennelijk was ze in de tussentijd nog niet helemaal vergeten. Hofstede, Van der Heym en Willem V werden weer van stal gehaald en natuurlijk hoorde Kaat Mossel daar ook bij en weer werd ze voorgesteld als het ‘ vrouwtjen’ dat zich door deze mannen liet gebruiken. Na die tijd leek ze echter decennialang niet meer terug te keren in de pers.

De manier waarop Kaat Mossel in de negentiende eeuw werd voorgesteld, verschilde hemelsbreed van die uit de achttiende eeuw. De achttiende-eeuwse scheldpers zal zelfs hebben gewerkt als koren op de molen van de negentiende-eeuwers. In 1848 werd Kaat Mossel herontdekt, toen monarchisten haar nodig achtten tegen het opkomende republicanisme. De anoniem verschenen tekst Rekest van Kaat Mossel junior tegen den Burger La Martine richtte zich tegen de Franse omwenteling van 1848 en sprak de angst uit dat het in Nederland ook zo ver zou komen. Kaat Mossel junior, haar zogenaamde kleindochter, vraagt Alphonse de Lamartine, die een belangrijke rol speelde bij de Franse omwenteling, Nederland met rust te laten. In deze verder oranjegezinde tekst werd Kaat Mossel junior echter wel voorgesteld als niet al te slim en daarmee leek de waarschuwing uit te gaan: Pas op, want voor je het weet heb je dit soort mensen in de regering. Op deze humoristisch en ironisch aandoende publicatie na, was het in de negentiende eeuw echter idealisering wat de klok sloeg. Kaat Mossel had zich verzet tegen de gehate patriotten, ze was opgekomen voor de geliefde Oranjes en dat vroeg om waardering! Dat ze een vrouw was, een volksvrouw, een dappere, ijverige volksvrouw, een ‘zuiver type van haar stand’ kon men niet nalaten te benadrukken. De negentiende eeuw was dan ook een tijdvak waarin men graag etiketten plakte op alles en iedereen, wat bijvoorbeeld ook blijkt uit de populariteit van de typologie. Vooral van het ‘volkse’ leek men geen genoeg te krijgen. Vaderlandsliefde en eenvoud, twee zeer gewaardeerde eigenschappen, waren immers altijd in de volksklasse aanwezig geweest? In het toneelstuk Kaat Mossel (1898) werd de uitbeelding van het volkse dan ook zeer gewaardeerd en moest in de samenspraak Kaat Mossel (voor amateurgezelschappen) vooral de platte uitspraak worden benadrukt. Het is dan ook geen toeval dat juist Kaat Mossel werd uitverkoren als spil der natie, want aan haar bijnaam was haar ‘ volkse’ beroep te herkennen. In een tijd waarin toneelstukken over Schellevis-Mie en Trijn de Appelvrouw (over toffe meiden uit de Jordaan, recht-door-zee en met het gouden hart op de tong) hoogtij vierden, kwam een vrouw met een bijnaam die verwees naar een volks beroep, goed van pas. Kaat Mossel, een martelares uit het volk die in de gevangenis werd gestopt omdat ze voor Oranje was, werd een geliefde icoon voor iedereen die het Oranjehuis liefhad. Dankzij deze verheerlijking is ze nooit helemaal vergeten. Omdat Kaat Mossel door de negentiende-eeuwers een stralenkrans was toebedeeld, besloot G. van Rijn in 1890 in Het Rotterdamsch Jaarboekje een realistischer beeld van haar te schetsen, maar ook zijn artikel ontkwam niet aan de eisen van de tijd: haar scheldwoorden werden van puntjes voorzien. Toch was er in Van Rijns artikel nog sprake van scheldwoorden, in tegenstelling tot het boekje Kaat Mossel van Johanna Breevoort, dat in het jubileumjaar 1913 verscheen. Er was een andere Kaat Mossel ontstaan dan de vrouw die de echte Kaat Mossel geweest moest zijn (wat betreft haar schelden zaten de schotschrijvers dichter bij de werkelijkheid). C. te Lintum, schrijver van een geschiedenis van Rotterdam, zag in 1906 liever een straatarme Kaat Mossel en dichtte haar zelfs een ‘armzalig baantje’ toe. Het kwam beter uit om van haar een arme volksvrouw te maken, want dat maakte haar vermeende flinkheid nog groter en haar situatie des te hartverscheurend. Maar uit verschillende zaken blijkt dat Kaat Mossel helemaal niet zo arm geweest moest zijn. Zo ontving ze als keurvrouw dertig gulden per jaar (naast haar inkomen als mosselvrouw heus niet weinig), had ze een aardige verzameling jurken, dronk ze wijn en bracht ze (dure) koffie, thee en citroenen mee voor een vriendin die op 3 april levensgevaarlijk gewond was geraakt. Zoals met heel veel historische figuren gebeurde, werd Kaat Mossel voorgesteld zoals verschillende mensen wilden dat zij was. Van Rijn heeft overigens veel invloed gehad. A. Van Sprinkhuijsen baseerde het toneelstuk Kaat Mossel op zijn bevindingen en Breevoort had zijn stuk praktisch overgeschreven. Het is alleen ironisch dat juist het artikel van Van Rijn, geschreven om de stralenkrans enigszins te relativeren, gebruikt was voor een toneelstuk waarin Kaat Mossel werd gehuldigd met Bengaals vuurwerk.

Ook het feit dat Kaat Mossel een vrouw was, is van belang geweest. In de negentiende eeuw waren ‘vrouwenloven’ bijvoorbeeld zeer populair geraakt en eigenschappen die de vrouw behoorde te hebben, werden ook aan Kaat Mossel toegedicht. Een vrouw als Kaat Mossel, die zich op wat voor manier dan ook ergens tegen verzet, zoals ook Kenau Hasselaer, werd later door feministen bovendien dankbaar aangegrepen om te benadrukken dat vrouwen wel degelijk hun mannetje kunnen staan. De naam ‘Kaat Mossel’ heeft niet zo’n grote rol gespeeld als de naam ‘Kenau’, maar ongetwijfeld zullen feministen haar naam weleens hebben laten vallen. Een Rotterdams vrouwencentrum heeft in de jaren tachtig van de twintigste eeuw een tijdje haar naam gedragen en in het boekje Vrouwen uit onze historie kreeg Kaat Mossel ook een hoofdstuk toebedeeld, maar feministen hebben zich niet door haar laten inspireren. Dat was simpelweg niet mogelijk, want Kaat Mossel heeft niets met de vrouwenzaak van doen gehad. Dat had Kenau ook niet, maar zij had volgens de overlevering tenminste nog gevochten, met een vrouwenvendel nog wel. Zo kon het gebeuren dat de naam ‘Kenaus’ werd voorgesteld voor het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers in 1940 (en niet ‘ Kaat Mossels’).

Kaat Mossel, de volksvrouw, de visvrouw, de mosselvrouw, ze werd hoe dan ook vereerd met een ‘historische jool’ (Asmodée), een schilderij (Rochussen), een boek (Breevoort), een toneelstuk (Van Sprinkhuijsen) en een praalwagen (tijdens Rotterdamse feestelijkheden in 1913). Telkens leken vooral jubilea van het koningshuis (1863, 1898, 1913) aanleiding te zijn om haar weer van stal te halen. In een deel van de twintigste eeuw werd de idealisering doorgezet. Zo werd ze in een tijdschriftartikel uit 1940 voorgesteld als iemand die in verzet kwam en sprak de schrijver de hoop uit dat de ‘moderne Kaat Mossels’ het land ooit weer konden opbouwen. Na de Tweede Wereldoorlog bleef het beeld van Kaat hetzelfde, maar haar samenhang met Oranje werd minder van belang. Nog steeds wordt ze geassocieerd met daadkracht en Hollandse degelijkheid, maar zo bekend als in de negentiende eeuw is ze niet meer. De ‘Rotterdamste musical’ uit 1996, met Joke Bruijs als de fiere Kaat Mossel, waarin gepleit werd voor een standbeeld en de ‘God, Nederland en Oranje’- roman van Dieuwke Winsemius uit 2000 (over het onverschrokken ‘Oranjewijf’ Kaat) konden daar niet veel aan veranderen. Kaat Mossel is in de beeldvorming vooral nog Rotterdams: een figuur waarin ‘werkstad Rotterdam’ zich herkent, als ‘opgestroopte mouwen’- figuur, een daadkrachtige Rotterdamse.

‘Kaat Mossel’ is vandaag de dag een naam van boten en restaurants. Ook bestaat er een online hulpdienst die ‘Kaat Mossel’ heet en waar huisvrouwen terecht kunnen voor allerhande praktische tips over huishouden, financiën en de tuin (hiervoor staat de TuinKaatbouter paraat). Ongetwijfeld ligt de associatie met Hollandse degelijkheid hieraan ten grondslag. Het Rotterdamse standbeeld van de Maagd van Holland aan de Nieuwe Markt heet in de volksmond ‘Kaat Mossel’, maar toch bewijst het feit dat ze zelfs in Rotterdam geen eigen standbeeld heeft, dat ook in die stad nog maar weinig waarde aan haar wordt gehecht. Niet geheel onterecht. Hoe opvallend ze zich ook gedragen heeft, de manier waarop de geschiedenis met haar op de loop ging, is opvallender dan haar eigen verhaal.