Jan Stroop, Naar een rehabilitatie van het ABN, in Nederlandse Taalkunde, jaargang 5 (2000), nr.3, blz. 272-279.

Naar een rehabilitatie van het ABN

door Jan Stroop

De benaming ABN is niet bepaald populair in de taalkunde; hij staat voor Algemeen Beschaafd Nederlands en tegen dat 'beschaafd' bestaat bezwaar, al heel lang trouwens. Kloeke uitte zijn bezwaren bijvoorbeeld al in 1936 (Kloeke 1951:12). Maar sinds de jaren 1960, de periode waarin iedereen gelijk werd verklaard en dus 'beschaafd' was, werd ABN per definitie een onmogelijke of, beter misschien zelfs, een overbodige term, althans naar de mening van taalkundigen, want leken-taalgebruikers hebben met de term zelden moeite gehad. Nog steeds is het de enige benaming voor onze gesproken cultuurtaal die in de Nederlandse samenleving functioneert.

Er zijn in het verleden allerlei pogingen gedaan om de benaming, eerst in zijn volle vorm, Algemeen Beschaafd Nederlands, later ook de afkorting ABN, te vervangen door iets wat minder pijnlijk klonk, maar pas de sociolinguÔstiek is er in de jaren 70 in geslaagd de benaming in de taalwetenschappelijke literatuur te elimineren. Men greep terug op het oudere Standaardtaal of Standaardnederlands. Deze benaming werd, net als andere eerder bedachte namen, ingevoerd als synoniem voor ABN. Standaardnederlands had het voordeel dat het de negatieve implicatie van 'beschaafd' mist. Beschaafd suggereert immers dat er ook 'onbeschaafde' spraak bestaat.

De term 'Standaard-Nederlandsch' komt, voorzover ik zie, het eerst voor in de lange titel van Zwaardemaker-Eijkman (1928). Bij Kaiser (1934) kwam ik tegen 'standaard-uitspraak'. Ze bedoelen er allemaal mee: een volledig genormeerde uitspraak die je op grammofoonplaten kunt vastleggen of waarvan je de fonetische kenmerken kunt beschrijven. Grammofoonplaten zijn er inderdaad gemaakt, maar uit de binnengekomen kritiek bleek dat de poging niet was geslaagd. Uit het feit dat het blijkbaar niet mogelijk was een bepaalde uitspraak als 'standaard' aan te merken, werd door sommigen de conclusie getrokken dat er dus niet zoiets was als een standaard-uitspraak (Kloeke 1951:42). Daaruit volgde dan weer, dat ook de benaming Standaard-Nederlands onbruikbaar was. In zijn brochure Gezag en norm bij het gebruik van Verzorgd Nederlands bepleitte Kloeke de term Verzorgd Nederlands, omdat die benaming recht doet aan de variatie die er binnen de omgangstaal aan te wijzen is: er zijn immers allerlei vormen en gradaties van 'verzorging' mogelijk (Kloeke 1951:31-32).

Als Van Haeringen aan zijn bespreking van Kloekes brochure de titel 'Standaard-Nederlands' meegeeft, bedoelt hij daar naar eigen zeggen hetzelfde mee als Kloeke met Verzorgd Nederlands (Van Haeringen 1951:120). Net als Kloeke kan hij zich namelijk goed vinden in de opvatting van twee figuren uit heel verschillende werelden, namelijk Lambert ten Kate (18e-eeuwer) en G.B. Shaw (19e-eeuwer), die van mening zijn dat het ideaal van een Standaardtaal ligt 'aan de grens, maar tegelijk ook hoger dan het gemiddelde niveau van de feitelijk waargenomen spreekhabitus der beschaafden.' Daarmee is, zegt Van Haeringen, tegelijk erkend dat er een levendig besef van dat ideaal bestaat. 'En wat wil men meer?' (Van Haeringen 1951:120). Dat ideaal heet bij Van Haeringen Standaard-Nederlands. Maar toch is er een essentieel verschil tussen zijn opvatting en die van Kloeke. Van Haeringen meent dat er een norm bestaat, die lang niet altijd gehaald wordt, maar die wel degelijk functioneert en dus een naam nodig heeft. Kloeke geeft zoveel gewicht aan het feit dat een groot aantal 'beschaafdsprekenden' die norm niet halen dat hij die als onrealistisch terzijde schuift en kiest voor het dynamische Verzorgd Nederlands.

Aanvankelijk werden de termen Standaardtaal en Standaard-Nederlands sinds de jaren 1960 in beide betekenissen tegelijk en vooral ook door elkaar gebruikt: zowel het (virtuele) ABN als het (reŽle) beschaafde Nederlands of het Nederlands van beschaafden kon ermee worden aangeduid. Ze vielen ook grotendeels samen. Maar dan komt daar, door de opkomst van de sociolinguÔstiek, verandering in. Het begrip 'Standaardtaal' in zijn tweede betekenis werd opgerekt, zodat er een kloof begon te ontstaan tussen 'Standaardtaal' en de klassieke ABN-norm, zo breed dat die norm en zijn benaming ABN buiten het blikveld van de taalkundigen vielen en werden afgedankt.

In het leerboek van Appel e.a. (1976) is de Standaardtaal 'de officiŽle taal' (101), of de 'variŽteit die een bijzondere positie inneemt' of 'die als norm wordt erkend' (126). Hier is Standaardtaal dus nog synoniem met ABN. Maar gaandeweg werd het begrip 'Standaardtaal' steeds vager en bleef het definiŽren van wat Standaardtaal is, steeds vaker achterwege. In de dissertatie van Hagen bijvoorbeeld, over 'Standaardtaal en dialectsprekende kinderen' (Hagen 1981) is geen definitie maar ook geen enkele inhoudelijke omschrijving van het begrip Standaardtaal te vinden; alsof het een duidelijke zaak is. Van de Velde geeft een externe omschrijving: 'Een meer op functionele leest geschoolde (sic) definitie van Standaardtaal lijkt beter bruikbaar. Standaardtaal is daarbij "a codified variety of a language that serves the multiple and complex communicative needs of a speech community that has either achieved modernization or has the desire of achieving it" (Garvin 1993:41)' (Van de Velde (1996:30), maar zijn boek laat zien dat hij dat 'codified variety' wel heel ruim opvat.

In het ontbreken van een duidelijke inhoudelijke omschrijving van wat de Standaardtaal is, heeft men proberen te voorzien op een manier die typerend is voor de tijdgeest: laat de mensen zelf bepalen wat ze vinden dat Standaardtaal is. Een goed voorbeeld daarvan vinden we in een onderzoeksvoorstel van de Stichting Taalwetenschap uit 1988, dat tot doel had de uitspraak van het 'Standaard-Nederlands' te beschrijven, inclusief de geaccepteerde stilistische en geografische variatie. In de opzet van het project zouden verschillende groepen luisteraars een oordeel geven over de hen aangeboden spraakfragmenten in termen van acceptabel, niet-acceptabel.

We zijn dan wel heel ver af van het door Van Haeringen gehuldigde 'ideaal'. In dit plan werd het aan taalgebruikers overgelaten te bepalen of ze een bepaalde variŽteit acceptabel vonden. Alles wat zij goed zouden vinden, zou als Standaardtaal moeten worden beschouwd. Het is duidelijk dat we dan op weg zijn naar een definitie van de gebruikers en dan zijn we weer terug bij af: omdat steeds meer mensen ontwikkeld en beschaafd zijn, rekenen we al hun variŽteiten van spreken tot de Standaardtaal. Daar is niets op tegen, maar zo'n onderzoek heeft niets te maken met het begrip 'Standaardtaal' zoals dat door Van Haeringen gedefinieerd is en zeker niet met ABN, in beide betekenissen. Dat project is toen niet door gegaan, maar de ideeŽn leven nog steeds, getuige het recente VNC-project 'De uitspraak van het Standaardnederlands' (VDW-berichten, juli 1999:29).

Wat voor merkwaardige consequenties het oprekken van het begrip 'Standaardtaal' voor de taalkunde heeft, zien we bijvoorbeeld in de dissertatie van Voortman, Regionale variatie in het taalgebruik van notabelen, te weten die in Middelburg, Roermond en Zutphen. Uit dat boek blijkt dat de taal van de notabelen Standaardtaal is omdat het de taal van notabelen is. Hoe anders is een volgende opmerking te verklaren, namelijk deze dat 'er weinig morfo-syntactische dialectismen in het Standaard Nederlands van de elites van Middelburg, Roermond en Zutphen [worden] aangetroffen.' Dialectismen in Standaardnederlands! Bij de fonologische kenmerken is dat nog veel meer het geval. En alsof dat nog niet duidelijk genoeg is, stelt Voortman (1994:13) vast: 'Hoewel de benaming Standaardtaal anders doet vermoeden, kent ook deze variŽteit van het Nederlands, in elk geval in de gesproken vorm, wel degelijk variatie.'

Er zullen weinig taalkundigen zijn die durven beweren dat deze elites uit Middelburg, Zutphen en Roermond ABN spreken, en niet-taalkundigen zullen dat zeker niet doen. De benaming Standaardtaal is blijkbaar al zo ver uitgehold dat die er wel op van toepassing is. Maar dat een onderzoeker toch niet zonder een waardevaste term kan, blijkt wel als Voortman zich op een zeker moment noodgedwongen ziet haar toevlucht tot de term 'neutraal Standaard-Nederlands' als ze ABN bedoelt. Deze manoeuvre is illustratief voor het bochtenwerk dat een sociolinguÔst moet leveren om een redenering tot een goed einde te brengen. Zij is overigens lang niet de enige die zo'n flexibiliteit aan de dag legt.

De term 'neutraal Standaard-Nederlands' is bij mijn weten geÔntroduceerd door Hagen in zijn artikel 'Groepsportret van het Nederlands'. In dat artikel over de vele soorten Nederlands die er zijn, komt de naam ABN ťťn keer voor, waar het gaat over de 'totstandkoming van een gesproken eenheidstaal, waarvoor in de laat-negentiende-eeuwse periode ook voor het eerst de term ABN gebruikt werd.' (Hagen 1990:33). De schrijver gebruikt zelf die term daar voor het laatst, want vanaf die plaats is het steeds de 'Standaardtaal'. Maar dat dat voor Hagen niet hetzelfde is als dat ABN, verraadt de schrijver als hij zich op blz. 34 genoodzaakt ziet te spreken van 'de zogenaamde neutrale Nederlandse Standaardtaaluitspraak'. Daar hadden we vroeger nu juist de naam ABN voor!

Eenzelfde opmerking is te maken bij de term algemeen Standaardnederlands, die in Van Hout et al. (2000) gebruikt wordt. Dat algemeen Standaardnederlands en het Valkenburgs Standaardnederlands worden in dat artikel beschouwd als twee 'variŽteiten' van het Standaardnederlands (Van Hout et al., 2000:151), terwijl het toch duidelijk is dat de ene variŽteit, het Valkenburgs Nederlands, het resultaat is van het streven van Valkenburgers om de andere variŽteit te spreken die in dit artikel algemeen Standaardnederlands genoemd wordt, maar waar volgens de auteurs ABN mee bedoeld wordt.

Als ergens in de taalkunde de uitdrukking 'Het kind met het badwater weggooien' op van toepassing is dan wel op het ondoordachte afschaffen van de term ABN samen met het begrip waar die term voor stond. 'Neutrale Standaardtaaluitspraak', het doet denken aan benamingen als 'echte' boter (tegenover onechte boter = margarine) en 'echt' gebonden, van een boek gezegd (tegenover quasi-gebonden in de betekenis 'gelijmde kladblok met een kartonnen omslag').

Dat de term Standaardnederlands, die er voor in de plaats kwam, door devaluatie zijn bruikbaarheid voor de taalkunde verloren heeft, wordt ook geÔllustreerd door de dissertatie van Van de Velde, hoe boeiend, leerzaam en rijk aan gegevens en ideeŽn die ook is. Het boek is niet wat het suggereert te zijn, namelijk een verslag van een onderzoek naar 'veranderingen in de Standaardtaal van de twintigste eeuw' (Van de Velde 1996:11). Van de Velde onderzoekt immers het Nederlands dat tussen 1935 en 1993 door radioreporters bij bepaalde gelegenheden gesproken is, met inachtneming van de methodologische eis tot het constant houden van belangrijke variabelen als stijl, geslacht, leeftijd, enz. Maar hij gaat voorbij aan het feit dat de eisen die de bazen van de reporters (en de luisteraars) aan de uitspraak zijn gaan stellen in de loop van de tijd niet constant gebleven zijn; die eisen blijken juist drastisch veranderd te zijn (Stroop 1998:63-64).

Van de Velde toont dus niet aan dat het ABN alias het Standaardnederlands veranderd is, maar het soort sprekers dat geselecteerd wordt. Men koos gaandeweg voor andere variŽteiten van het Nederlands. Er zijn tegenwoordig nog genoeg mensen die spreken als Han Hollander, maar ze komen er bij de omroepen meestal niet meer in, zelfs niet bij Joop van den Ende, die zelf toch tot de ABN-sprekers gerekend mag worden. Tegenwoordig krijgen sprekers die te netjes praten commentaar, vroeger de sprekers die plat praatten, als die de microfoon al konden bereiken. De spraak van een Eddy Jansen van 'Langs de Lijn' lokt nooit commentaar uit, maar wel het spreken van Adriaan van Dis, Jos Brink en minister Brinkhorst.

Het verst in het oprekken of uithollen van het begrip Standaardtaal gaat Johan Taeldeman, in De Standaard van 9 maart 1999, als hij met voldoening 'een versoepeling en verbreding van de norm' constateert en voorstander blijkt te zijn van een 'bredere registerbeheersing', waarmee hij de term standaard een heel andere inhoud geeft dan die van de naam van de krant waarin zijn opmerking stond (Taeldeman 1999).

Hoe problematisch het gebruik van de term Standaardtaal tot op heden is, werd eerder al uiteengezet in De Vries (1987). Oorzaak van de verwarring is enerzijds het ontbreken van een algemeen aanvaarde definitie, en anderzijds de twee totaal verschillende gebruikswijzen van de term Standaardtaal (De Vries 1987:130). Als dit kenmerkend is voor de wetenschap die er zich van bedient...

In Stroop (1992a) betoog ik dat het gebruik van de benaming Standaardtaal misleidend en onjuist is, want hij suggereert eenheid of uniformiteit, wat immers steeds de betekenis is van het voorgevoegde woord standaard: standaarduitrusting, standaardpakket, standaardmeter, standaarddeviatie, allemaal voorbeelden van zaken die die uniformiteit bezitten. Toen ik er later in Onze Taal (Stroop 1992b) nog eens over schreef, onder de titel 'Weg Standaardtaal', gebruikte ik het woord overigens nog in de oorspronkelijke betekenis, namelijk als synoniem voor ABN. Ik heb door zo te doen mijn bijdrage geleverd aan de terminologische en inhoudelijke verwarring rondom ABN, Standaardtaal, enzovoort. 'Weg Standaardtaal' wilde zeggen dat ik vastgesteld heb dat het ideaal van een uniforme Standaardtaal (ik bedoelde daar dus eigenlijk het ABN mee) in Nederland verdwenen is.

In deze bijdrage wil ik aan de door anderen veroorzaakte, maar door mij voortgezette verwarring een einde proberen te maken door te pleiten voor een rehabilitatie van begrip ťn term ABN. Ik doe dat op basis van de opmerkelijke resultaten van een eerste onderzoek naar de perceptie van verschillende soorten Nederlands. Dat onderzoek is bedacht en opgezet door Renťe van Bezooijen in Nijmegen; ik heb er in Amsterdam aan meegewerkt.

Bij het onderzoek waren 80 vrouwen betrokken, verdeeld over vier groepen. De eerste groep bestond uit 20 jonge vrouwen uit de Randstad, de tweede uit 20 jonge vrouwen uit de 'provincie', dat wil zeggen uit de oostelijke helft van Nederland. De vrouwen uit deze twee groepen waren twintigers. Zo waren er ook twee groepen oudere vrouwen, veertigers en vijftigers, een uit de Randstad, een uit de 'provincie'. Alle vrouwen behoorden tot de hoge middenklasse.

De luistertoets waaraan de luisteraarsters hebben deelgenomen bestond uit een collectie van korte spraakfragmenten van 15 spreeksters. Deze spreeksters behoorden (op ťťn na) ook tot de hoge middenklasse, vanwege hun afkomst en/of opleiding en maatschappelijke positie. Naar het oordeel van Renťe van Bezooijen en mijzelf, spreken drie van hen ABN, drie Nederlands met een Amsterdams accent, drie Nederlands met een randstedelijk accent en zes Poldernederlands. Dit laatste heeft als voornaamste kenmerk dat alle fonemen ABN-achtig zijn, alleen de diftongen ei, ui en ou worden verlaagd tot aai, ou en aau. De deelneemsters aan de test waren van onze rubricering uiteraard onkundig. De 15 spraakfragmenten waren in twee verschillende volgordes achter elkaar gemonteerd om het effect van het op elkaar volgen van spraaktypen te neutraliseren. De helft van de luisteraarsters kreeg volgorde A te horen, de andere helft volgorde B.

De luisteraarsters werd gevraagd de spraakfragmenten te beoordelen op 7-punts waarderingsschalen. De score-resultaten van een van deze waarderingsschalen presenteer ik hier in de vorm van een grafiek, die vervaardigd is en aan mij welwillend ter publicatie beschikbaar is gesteld door Renťe van Bezooijen.

De onderhavige grafiek betreft de waarderingsschaal 'ABN'. Op de horizontale as staan de vier typen spraakfragmenten die beluisterd zijn. Op de verticale as de hoogtes van de gemiddelde scores, verdeeld over de vier groepen luisteraarsters: RO: randstedelijke ouderen; RJ: randstedelijke jongeren; PO: provinciale ouderen; PJ: provinciale jongeren. De grafiek brengt in beeld de scores op de vraag die bij elk fragment beantwoord moest worden: vindt u deze spraak 'plat of ABN', waarbij er een keuze was uit 7 posities tussen deze beide uitersten. De grafiek begint bij 2 en eindigt bij 6 omdat de uitersten, 1 en 7, niet gehaald werden. Vooraf merk ik op dat geen van beide termen, plat en ABN bij de toets is toegelicht of verduidelijkt. Dat geldt overigens ook voor de andere kwalificaties in de schalen, die in vervolgpublicaties aan de orde zullen komen.

Om maar meteen het opmerkelijkste te signaleren: de scores ABN bij de fragmenten ABN zijn bijzonder hoog en dat bij alle vier de groepen luisteraarsters. Dat betekent dat vrijwel iedereen van de 80 luisteraarsters het ABN als zodanig herkent. Er is daarbij geen noemenswaard score-verschil tussen oud en jong, noch tussen randstad en provincie. Met andere woorden, er bestaat bij vrouwen uit de hoge middenklasse geen verschil van mening over wat ABN is en wat niet.

Men kan in de uitkomsten zelfs iets terugvinden van de virtuele status van het ABN, namelijk dat het in de eerste plaats een norm is waarnaar gestreefd wordt, maar die niet altijd gehaald wordt, want het is opvallend dat de scores voor ABN, hoe unaniem ook, in de vier groepen luisteraarsters niet hoger reiken dan het gemiddelde 6, waar 7 de uiterste mogelijkheid was. De drie ABN-spreeksters spraken dus naar de algemene opinie van de groep luisteraarsters 'bijna' ABN; hier komen de eerder geciteerde ideeŽn van Ten Kate en Shaw in gedachten!' We kunnen niet anders concluderen dan dat er weinig taalkundige begrippen zijn waarbij zoveel consensus bestaat, althans buiten de taalkunde! Er is bovendien ook een perfecte pragmatische definitie op te baseren:

ABN is Nederlands waarvan iedereen weet dat het ABN is.

Dit is niet eens zo'n erg nieuw geluid want al in 1908 beweerde Hesseling: 'wat de beschaafde spreektaal is weet elk Nederlander' (Kloeke 1951:53). Tot een soortgelijke constatering komt ook Wells (1986:279) voor het Engels: 'Everyone in Britain has a mental image of RP, even though they may not refer to it by that name and even though the image may not be very accurate.' Ik meen dat de status van het ABN zelfs nog geprononceerder is en parafraseer dit Engelse citaat daarom aldus: 'Iedereen in Nederland heeft een duidelijk beeld van het ABN, gebruikt ook die term en bovendien op een uiterst accurate wijze, dat wil zeggen in overstemming met de visie van taalkundigen.'

Wat een kapitale vergissing is het geweest om zo'n begrip-en-term overboord te zetten en te vervangen door een term die door zijn verworven rekbaarheid onbruikbaar is. Nog vreemder is trouwens dat de term ABN onder andere afgewezen werd en wordt op grond van het feit (?) dat maar 3% van de Nederlandse bevolking het zou spreken, wat Kloeke overigens nooit beweerd heeft (Kloeke 1951:28).

Stel je zo'n redenering eens voor als het om verkeersregels gaat. Wie op de weg zit, kan vaststellen dat hoogstens 10% van de automobilisten zich aan de snelheidsregels houdt, maar niemand komt op het idee daaruit te concluderen dat die automobilisten de regels niet kennen of dat die regels geen realiteit zijn. Zo is ook een taalnorm, waaraan maar 3% van de bevolking zou voldoen, daarom nog niet onrealistisch (Hagen 1990: 34).

Mijn voorstel is om kind en badwater weer terug te halen en de term ABN weer volledig in ere te herstellen, vervolgens de misleidende term Standaardnederlands af te schaffen en te vervangen door een benaming die de volgende inhoud dekt: alle soorten Nederlands, die als verzorgd, keurig Nederlands worden gevoeld en die in alle 'externe' situaties gebruikt en geaccepteerd worden. Voorbeeld: Algemeen Aanvaard Nederlands (AAN), of Algemeen Nederlands (AN). Zo'n naam kan ook in de toekomst blijven dienen, want het is duidelijk dat de tolerantie in Nederland tegenover alle mogelijke variŽteiten van gesproken Nederlands, eerder zal toenemen. Ook het ABN valt onder de aanduiding Algemeen Nederlands, maar het heeft daarnaast een bijzondere status omdat het tegelijk ook als norm functioneert bij iedereen die Algemeen Nederlands wil spreken.

Het verschil tussen ABN en Algemeen Nederlands in de hedendaagse spreektaal wordt duidelijker als men er zich concrete sprekers bij voorstelt. Het valt bijvoorbeeld moeilijk vol te houden dat minister De Grave ABN spreekt, of Thijs WŲltgens, of de voorzitter van de Tweede Kamer, Jeltje van Nieuwenhoven. Maar ze spreken naar mijn mening wel allemaal Algemeen Nederlands. Nog een aantal respectabele, beschaafde Nederlanders die geen ABN maar wel AN spreken zijn: Ivo de Wijs, Noraly Beyer, Jan Stroop, Koningin Beatrix, Paul de Leeuw, minister Brinkhorst, de elites uit Middelburg, Zutphen en Roermond. De een wijkt van het ABN af naar boven toe, die spreekt Bovennederlands (zie Stroop 1998:92-97), de ander naar beneden. Sprekers die het 'ABN' benaderen, of gewoon ABN spreken, zijn Pia Dijkstra, minister Borst, Harmen Siezen, Joop van Zijl; de laatste twee vormen ook de top-2 van het onderzoek van Smakman en Van Bezooijen (1997).

De uitkomsten van het hierboven aangehaalde perceptie-onderzoek van Van Bezooijen (1999), in het bijzonder waar het de kennis van het begrip ABN betreft, worden door tal van andere observaties ondersteund en geÔllustreerd. In ingezonden brieven in kranten bijvoorbeeld wordt steevast gesproken over ABN, nooit over Standaardnederlands. Hetzelfde geldt voor contactadvertenties. Als er al eens eisen gesteld worden aan een beoogde partner op het gebied van taalgebruik, wat zelden voorkomt, dan wordt de term ABN gehanteerd. De conclusie ligt voor de hand: de term Standaardnederlands hoe (schijn-)democratisch ook, is nog steeds niet gemeengoed geworden. De gemiddelde ontwikkelde Nederlander heeft het over het ABN. Die Nederlander weet ook precies wat er onder verstaan wordt. Hij formuleert bijvoorbeeld: deze onderwijzer spreekt beter ABN dan die andere. Hij of zij, hanteert daarbij blijkbaar een voor hem of haar duidelijke norm. Zie ook Molewijk (1992:527, noot 3).

Over het functioneren van het ABN als norm nog het volgende. Ik beweer dat iedereen in Nederland die zijn kinderen of kleinkinderen goed Nederlands wil leren daarbij dezelfde ABN-norm in zijn hoofd heeft, of het nu vrouwen uit Valkenburg betreft, een academicus in het Gooi, of een nieuwslezeres van het NOS-Journaal. Alle Nederlanders die hun kinderen met aandacht hun moedertaal leren, gaan uit van het ABN. We hebben het niet over het eindresultaat van de spraakinspanningen, maar over de intentie. Als een Noord-Hollandse dialectspreker, die van huis uit skool, skieten, skuiven e.d. zegt, Nederlands spreekt, richt hij zich niet op zijn buurman, zoals die Nederlands spreekt, maar op het Nederlands dat hij als norm erkent en waarvan hij weet hoe het is. Dat is hetzelfde Nederlands als Limburgse ouders in hun hoofd hebben als ze hun kinderen verbeteren. Hoe zou het ook anders kunnen.

Van de Velde (1996:11) meent dat de klachten over de 'verloedering' van het Standaard-Nederlands (wat overigens door de klagers altijd ABN genoemd wordt!) een aanwijzing zijn voor de inherente variabiliteit van de Standaardtaal, maar je kunt dat fenomeen veel beter beschouwen als een aanwijzing dat de mensen nog een duidelijke norm in hun hoofd hebben. Net zo goed als de door Kloeke gepropageerde term Verzorgd Nederlands impliciet een norm veronderstelt, want het gaat toch om verzorging in die ene specifieke richting.

Dat de norm veelal het meest wordt benaderd door 'een hoorbaar Hollandse uitspraak' (Smakman en Van Bezooijen 1997), wat maakt dat uit. Het is bovendien historisch verklaarbaar en maatschappelijk aanvaard, zoals hiervoor gebleken is. Het blijkt trouwens ook uit het interessante feit dat bij het bekende Kerkrade-onderzoek aan de kinderen werd gevraagd: 'wat praat je liever: Hollands of plat?' ( Stijnen, Hagen en Vallen 1980:314)!

Het is dagelijks waarneembaar dat de meeste Nederlanders genoegen nemen met een steeds mindere benadering van de norm. Dat hoeft nog niet te betekenen dat de ABN-norm zelf daardoor aan grote veranderingen onderhevig is. Ik betwijfel ook of er tussen de spraak van personen die door luisteraars van heden als ABN-sprekers worden aangewezen en die van soortgelijke sprekers uit het verleden, wel zoveel verschil bestaat als wel eens gesuggereerd wordt.

Maar als er op den duur nooit meer Nederlands gehoord zal worden dat sterk overeenkomt met de huidige ABN-norm, zal een ander soort Nederlands, een sub-ABN, er de plaats van innemen. Mijn eerdere negatieve verwachtingen van 1992 zijn wat overdreven geweest, maar dat het ABN zijn bijzondere status aan het verliezen is, is al een feit. Dat blijkt uit de andere resultaten van het Nijmeegs-Amsterdamse onderzoek; zie voor een eerste publicatie daarover Van Bezooijen (1999). Welk Nederlands de nieuwe norm wordt, is nog afwachten, maar dat die gaat ontstaan, is meer dan waarschijnlijk. En laten we die dan ook maar weer ABN noemen.



Bibliografie
de gemerkte artikelen zijn integraal opgenomen in deze website

Appel, R., G. Hubers en G. Meijer (1976). SociolinguÔstiek. Utrecht: Het Spectrum.

Bezooijen (1999), R. van. Onderzoekscollege naar de waarneming van het Poldernederlands. In: VDW-berichten [van de Vereniging voor Dialectwetenschap], nummer 5, juli 1999, blz. 30-32.

Haeringen (1951), C.B. van. Standaard-Nederlands. In: id., Grammarie (1962). Assen: Van Gorcum.

Hagen (1981), A.. Standaardtaal & dialectsprekende kinderen. diss. Nijmegen.

Hagen (1990), A.. Groepsportret van het Nederlands. In: Onze Taal, 59e jrg. nr. 2/3, blz. 32-39.

Hout (2000), R. van, P. Adank, V.J. van Heuven. Akoestische metingen van Nederlandse klinkers. In: Taal en Tongval, 52e jrg. nr.1, blz.150-162.

Kaiser (1934), L. Spraak-taal-uitspraak. In: Onze Taaltuin, 3e jrg. blz. 329-343.

Kloeke (1951), G.G.. Gezag en Norm bij het gebruik van Verzorgd Nederlands. Amsterdam: J.M. Meulenhoff.

Molewijk (1992), G.C.. Spellingverandering van zin naar onzin (1200-heden). 's-Gravenhage: Sdu uitgeverij.

Smakman, D. en R. van Bezooijen (1997). Een verkenning van populaire ideeŽn over de Standaardtaal in Nederland. In: Taal en Tongval themanummer 10, blz. 126-139.

Stijnen, P.J., A. Hagen en A. Vallen (1980). Dialect als onderwijsprobleem: een verslag van het Kerkrade-project. In: G. Geerts en A. Hagen, SociolinguÔstische studies 1 (1980). Groningen: Wolters.

Stroop (1992a), J.. Towards the end of the standard language in the Netherlands. In: J.A. van Leuven-steijn and J.B. Berns (eds.), Dialect and Standard Language in the English, Dutch, German and Norwegian Language Areas. Amsterdam: North-Holland.

Stroop (1992b), J.. Weg Standaardtaal. In: Onze Taal 61e jrg., blz. 179-182.

Stroop (1998), J.. Poldernederlands; waardoor het ABN verdwijnt. Amsterdam: Bert Bakker, 116 blz.

Taeldeman (1999), J.. Het ABN heeft afgedaan: NEE. In: De Standaard 9 maart 1999; ook op de website, rubriek Journalistiek.

Velde (1996), Hans van de. Variatie en verandering in het gesproken Standaard-Nederlands (1935-1993). diss. Nijmegen.

Voortman (1994), B.. Regionale variatie in het taalgebruik van notabelen. diss. Amsterdam.

Vries (1987), J.W. de. De Standaardtaal in Nederland. In: J. de Rooij (red.), Variatie en Norm in de Standaardtaal. Amsterdam: Meertens Instituut.

Wells (1986), J.C.. Accents of English 2; The British Isles. Cambridge: University Press (reprinted 1996).

Zwaardemaker Cz., H. en L.P.H. Eijkman (1928). Leerboek der phonetiek inzonderheid met betrekking tot het Standaard-Nederlandsch. Haarlem: De erven F. Bohn.


dit artikel is uit:
Nederlandse Taalkunde, jaargang 5 (2000), nr.3, blz. 272-279,
een uitgave van Uitgeverij Van Gorcum, Assen;
voor abonnementen belt men: 0592-379555.

Zie ook het complementaire artikel:
Renťe van Bezooijen, Onderzoekscollege naar de waarneming van het Poldernederlands.