| Het
andere Bureau |
Nee, geen voorpublicatie
uit het vandaag te verschijnen allerlaatste deel van 'Het Bureau'
van J.J. Voskuil, 'De Dood van Maarten Koning'. Wél opgetekende
herinneringen van taalkundige Jan Stroop (Heerle, 1938), die
op het Dialectenbureau werkte (een zusterafdeling van 'het bureau'
van Voskuil) en ook in diens megaroman figureert als Flip de
Fluiter. Deze ene keer, exclusief voor BN/DeStem, dus niet Maarten
in de hoofdrol,
maar Flip.
Door Jan Stroop |
 |
| |
| Jan Stroop, alias
Flip de Fluiter in 'Het Bureau'. Aan de overkant het pand
aan de Keizersgracht waar het Meertens-instituut tot februari
1998 gevestigd was. |
| foto
Kees van Dongen |
|
|
(Fragmenten)
Maandag 15 augustus 1966 - Flip duwde de deur van het trappenhuis
open. Het was een goed onderhouden flatgebouw, dat kon je meteen
zien aan de tegelvloer en aan het interieur van de lift. Op de
derde etage stapte hij uit en liep recht op de deur af. Toen hij
die open deed, kwam het licht hem tegemoet. Het was wat je noemt
een zonnig appartement, de woning van mevrouw Haan. Hij was nog
verbaasd dat ze hem die zomaar aangeboden had, voor de tijd dat
ze in Amerika was en hij, Flip, nog geen woning had kunnen betrekken.
Ze kende hem tenslotte nauwelijks, al had ze natuurlijk wel referenties
via professor Weinert.
Eerst maar eens zijn koffer uitpakken,
in de logeerkamer. In de kleerkast hing hij zijn overhemden op;
er waren genoeg hangertjes. Op de planken was plaats voor ondergoed
en sokken. Toen hij alles opgeborgen had, maakte hij een rondgang.
Woonkamer, studeerkamer met rondom boeken waarvan hij een groot
aantal wel herkende. De bekende dialectwoordenboeken, maar ook,
in een andere kast, de literatuur. Veel van Bordewijk, Vestdijk,
en tot zijn verrassing ook Annie Romein. De volgende deur bleek
die van de slaapkamer van mevrouw Haan te zijn. Die deed hij meteen
weer dicht.
Later op de avond, alleen in zo'n vreemd bed, werd hij overvallen
door een gevoel van twijfel. Waarom had hij eigenlijk zijn leraarsbaan
opgegeven om op een kantoor te gaan zitten? Want dat zou het wel
worden. Was Amsterdam zo bijzonder dat hij dit er allemaal voor
over moest hebben? Zijn zwangere vrouw met kind misschien nog
wel een half jaar in Nijmegen laten en alleen in het weekend naar
huis?
Dinsdag 16 augustus 1966 - Om vooral de eerste dag niet
te laat te komen stond hij de volgende ochtend al om half acht
bij de bushalte. Het regende. De rit naar het centrum duurde een
half uur. Toen nog twintig minuten lopen. Op zijn bellen werd
de deur opengedaan door een portier. Hij herkende de lange gang
naar achteren. Die leidde naar het houten gebouw, een voormalige
noodschool, waar de drie Bureaus in gehuisvest waren.
Hij liep meteen door naar de grote ruimte van het Dialectenbureau.
Daar waren nu twee personen aan het werk die hij nog niet eerder
gezien had. Een tekenaar, een oudere man, en een magere, lange
man die zijn bureau tegenover het zijne had en die rookte. Nadat
ze zich voorgesteld hadden: Van Ieperen, Schaafsma, De Fluiter,
ging iedereen weer aan het werk. Flip wist zo gauw niet wat hij
zou gaan doen. Gelukkig lagen er wat mappen met tijdschriften
op zijn bureau. Daar maar wat in gebladerd.
Na de koffie besloot hij maar eens een rondgang door het gebouw
te maken. Hij klopte op de deur van de kamer van het Volkskundebureau.
Iemand riep 'ja' en hij deed de deur open. De doorgang werd haast
helemaal versperd door een gigantisch hoog en breed bureau dat
een groot deel van de kleine ruimte innam. De stoel ervoor was
leeg. Maar aan de rechterkant aan een veel kleiner bureau zat
een jongensachtige man, die bezig was zijn pijp te stoppen. Hij
legde zijn pijp neer en stond op toen Flip naar hem toe kwam.
Ze stelden zich aan elkaar voor.
'Ik ben Flip de Fluiter, ik ben de opvolger van Ansing.'
'Maarten Koning', zei de ander, 'ik ben hier het hoofd.'
'Ik ben bezig met een dissertatie over molens', vervolgde Flip,
'ik loop dus met molentjes, zou je kunnen zeggen.'
Hij zag aan het lachje van Koning dat die het een flauw grapje
vond en hij had spijt dat hij het gezegd had. Koning liet hem
het grote kaartsysteem zien dat door zijn afdeling werd opgebouwd.
Ze ficheerden er alles wat maar enigszins met volkscultuur te
maken had. Ook over molens hadden ze een heleboel, 'maar daar
mag je zonder onze toestemming geen gebruik van maken.' Hij sprak
met een enigszins deftig Haags accent.
Er was nog een tweede kamer achter de eerste, ook niet erg groot.
Daar werkten Bart Asjes en Ad Mulder, zoals ze bleken te heten.
Asjes was een vriendelijke man met een rond blozend gezicht. Hij
had toevallig ook iets met molens en hij wist al van Flips interesse.
Achter hun kamer liep een gang waarlangs je weer in het Dialectenbureau
kon komen. Via de gang kwam je ook in de kamer van de administratie,
waar op deze ochtend vier personen aan het werk waren, drie vrouwen
en oudere man.
Tegenover deze kamer was het Naamkundebureau. Rentjes, heette
de persoon aan wie hij zich voorstelde. Flip merkte dat het gebouw
door zijn houten vloeren de eigenschap had meteen te verraden
waar directeur Balk zich bevond. Hij hoorde hem aankomen.
'Ha, De Fluiter, alles goed? Ik neem aan dat je je wel weet te
redden. Ik heb een opdracht van mevrouw Haan voor je. Ik leg hem
wel op je bureau.'
Het bleek een vraag over een bepaald landbouwgereedschap te zijn
dat ze in Amerika gezien had. Ze had er een foto van gemaakt;
het was een groot uitgevallen hooivork die daar kretel genoemd
werd. Of hij eens wilde uitzoeken of dat instrument ergens in
Nederland nog in gebruik was.
De vraag gaf tot zijn genoegen opeens een beetje richting aan
zijn bestaan, want dat hij hier zijn draai op eigen kracht zou
vinden, was nog niet zo zeker. Hij merkte dat hij uitzag naar
de terugkomst van mevrouw Haan.
Mei 1968 - 's Middags gaf Maarten in de tuin achter het
Hoofdgebouw een demonstratie van de dorsvlegel. Hij leek wel een
beetje van vlegels bezeten. Hij had ook een paar exemplaren op
zijn kamer staan. Die had hij meegebracht van zijn 'veldtochten'.
Het exemplaar dat hij die middag hanteerde, was blijkbaar antiek,
want bij de eerste zwaai vloog het vlegeldeel er al af, net nadat
hij verteld had dat het verbindingsstuk gemaakt was van oersterk
palingvel. Geen van de omstanders werd getroffen, maar het was
wel lachen geblazen. Het voorval ontlokte Flip de opmerking: 'En
de boer, hij dorste voort.'
23 september 1970 - Klaas Sparreboom kwam hoofdschuddend
de kamer van Dé uit. Hij beheerde het geluidsbandenarchief, maar
hij verstond daar veel meer onder dan Dé hem wilde toevertrouwen.
Het probleem was dat ze geen vat op hem had. Vandaag ook weer.
Klaas was toch de nabestaanden van dialectsprekers om inlichtingen
gaan bellen, terwijl hem dat verboden was. Dé kwaad natuurlijk,
maar het raakte Klaas in het geheel niet: 'Wat Dé vandaag heeft,
ik weet het niet, maar ze was vreselijk opgewonden.'
Zaterdag 15 mei 1971 - De medewerkersbijeenkomst in Axel
was zijn vuurproef. Hij had zich goed voorbereid. Hij had een
kaartje van de streek getekend waarop hij kon laten zien wat een
interessante taalgrenzen er liepen. De zaal was behoorlijk gevuld
met allemaal verwachtingsvolle mensen. Dat inspireerde Flip en
hij had het gevoel dat zijn verhaal ook gewaardeerd werd. Trouwens,
ook het praatje van Maarten over volksverhalen viel erg in de
smaak. Flip stelde vast hoe gemakkelijk en geestig Maarten altijd
weer speechte, bij wat voor gelegenheid ook. Hij benijdde hem
daarom.
Het etentje na afloop liep uit en het werd dus haasten om de laatste
veerpont nog te halen. Maarten nam de hand van Flips vrouw en
zo holden ze samen naar de pont. Het tafereel ontroerde hem, al
wist hij niet waardoor. Misschien doordat Maarten iets deed, wat
hij niet van hem verwacht had. Op de pont was het weer voorbij.
30 september 1971 - Ze zaten aan de lage tafel in de hal:
koffietijd...
'Van wie zijn deze stroopwafels, meneer Goud?', vroeg Maarten.
'Van meneer De Fluiter. Die tracteert, want hij is jarig.'
'O, daarom heeft hij zeker ook dat broekpak aan!'
Er klonk spot door in de stem van Maarten. Maarten ging niet met
de mode mee; die leek elke dag dezelfde kleren aan te hebben,
waarin hij elke dag rond elf uur zijn flesje melk ging halen.
Ook aan Maartens haardracht was al die jaren niets veranderd.
Flip kwam uit de collegezaal toen Maarten hem aanschoot.
'Zou je geen zin hebben om lid te worden van de wetenschapscommissie?'
'Ik vind dat dat niet kan, want dan zou ik moeten oordelen over
iemand die geschikter bevonden is als directeur.'
'Het was ook maar een vraag', was het antwoord.
Voorjaar 1972 - Juffrouw Wolters wachtte hem op bij het
station. Zij reed, want Flip had geen rijbewijs. Dat had meneer
Beerta al eens fijntjes doen opmerken dat een moderne dialectoloog
auto moest kunnen rijden. De tocht ging deze keer naar Limburg.
Ze waren vroeg vertrokken want de eerste afspraak was al om tien
uur. Het werd weer een feestelijk onthaal: voordat ze met het
opnemen van de dialectconversatie konden beginnen, werd er al
koffie met een flink stuk vlaaimet-slagroom geserveerd, en een
borrel en een sigaar. Gelukkig dat het werk nu voornamelijk bestond
uit het in de gaten houden van de volumemeter van de bandrecorder.
En juffrouw Wolters reed toch.
September 1972 - Aan het opnemen van dialecten zou het
volgend jaar een einde komen: er waren voldoende opnames. Flip
vond dat spijtig, want de opnametochten met juffrouw Wolters waren
de plezierigste activiteiten op het Bureau. Ook het commentaar
bij aflevering 9 van de Taalatlas was zo goed als klaar. Steeds
vaker betrapte hij zich erop geen nieuwe plannen meer te kunnen
bedenken. Hij vroeg zich af of hij hier zijn pensioen wel zou
willen halen.
Opeens wist hij het: terug het onderwijs in.
|
|
|