Stroop, Jan, 'Wordt het Poldernederlands model?'  in: Bezooijen, van, R.; Stroop, J.; Taeldeman, J.(eds.), Taal en Tongval. Standaardisering in noord en zuid. Themanummer 10 (1997). Amsterdam, blz. 10-29.

Jan Stroop

Wordt het Poldernederlands model?1  

lezing tijdens het Taal en Tongval-symposium, 12 december 1997, te Gent.

Summary

During the last decades a new type of Dutch has developed. This new variety is for several reasons very interesting. First of all, it is mainly spoken by younger women (up to 40) from the higher middle class (scientists, writers, artists, and so on). Secondly, the new variety has a lot of prestige, although it differs in many ways from the Dutch standard language. The most striking phenomenon is the lowering of the nucleus of the diphthongs [Ei], [9y] and [Au], which results in [a.i], [au] and [a.u]: waain ('wine'), aut ('out') and haaus ('house').**  

This lowering is of the same type of natural change as the lowering which took place in English and German during the 15th and 16th century. The change can at last take place and go on in Dutch as well because the education at school pays no atten-tion to pronunciation anymore.

The new Dutch is called Poldernederlands ('Polderdutch').

0.Inleiding**

1992 leek voor de Nederlandse taalkunde een gedenkwaardig jaar te worden. Het was immers het jaar van Schengen, dat volgens veel lekenobservateurs het begin van het einde van het Nederlands zou worden. Zelfs de Landelijke Vereniging voor Neerlandistiek werd door het virus aangetast en organiseerde een symposion met de suggestieve titel 'Het Nederlands na 1992'. Bij die gelegenheid heb ik toch maar - mede om wat tegenwicht te bieden - mijn gedachten ontvouwd over de ontwikkelingen die het spreken in Nederland in deze periode doormaakt. Drie zaken vielen toen al op en zijn ondertussen nog duidelijker geworden: het Nederlands, in de betekenis alle variŽteiten van het Neder-lands bij elkaar genomen, heeft een ijzersterke positie; ten tweede: het ABN verliest in Nederland steeds meer terrein en ten derde: het ideaal van het spreken van het ABN bestaat in Nederland niet meer.

Argumenten voor het eerste hoef ik taalkundigen niet te geven. Argumenten voor het tweede eigenlijk ook niet, want ze worden geleverd door elke situatie waarin vroeger ABN vereist was en waar nu allerlei soorten Nederlands naast elkaar gebruikt (kunnen) worden. Voorbeelden die binnen ieders bereik liggen: het Nederlands in actualiteitenprogramma's op de radio, de taal van telefonisten en -s van bedrijven en instellingen, ook grote en zeer grote.

De derde vaststelling berust op informatie o.a. vanuit het onderwijs, in het bijzonder van de kant van leerlingen van PABO's, en op het ontstellende feit dat het spreken van ABN of correct Nederlands niet tot de recentelijk geformuleerde 90 kerndoelen van het basisonderwijs in Nederland gerekend wordt (Concept kerndoelen).2   Veelzeggend was ook het tumult dat opstak toen bleek dat de KLM eisen stelde aan de kwaliteit van het spreken van aspirant-stewardessen.

1. Het Nederlands van NU

De situatie van het Nederlands van nu wordt bepaald door twee tegengestelde bewegingen: de convergerende van dialecten die steeds meer naar elkaar opschuiven en een divergerende die de algemene omgangstaal doormaakt (Stroop 1992). Deze laatste ontwikkeling is niet linguÔstisch van aard, want het gaat er niet om dat de standaardtaal verandert, maar dat steeds meer soorten Nederlands geaccepteerd en dus gesproken worden in voormalige ABN-domeinen. Beide bewegingen zullen elkaar bereiken in het middengedeelte van het taalcontinuŁm. Dat middengedeelte wordt uiteindelijk gevormd door een breed scala van taalvariŽteiten die in principe gelijkwaardig zijn, omdat geen ervan een meerwaarde kent ten opzichte van andere.

Als de ontwikkeling van steeds verdergaande maatschappelijke tolerantie doorzet, maakt op den duur alle Nederlands dat verstaan kan worden, deel uit van dit conglomeraat dat we het AAN noemen, het Algemeen Aanvaard Nederlands. De onderlinge gelijkheid die ik aanduidde, is er een op basis van afwezigheid van oordeel of veroordeling.

Er wordt over taal niet meer gedacht in termen van verzorgd, correct of beschaafd. Zeker voor jongeren geldt voornamelijk de verstaanbaarheid als maatstaf. Dat alles staat overigens een estetisch oordeel niet in de weg. Opvallend is in dit opzicht de uitkomst van een onderzoek van Renťe van Bezooijen naar de waardering van verschillende variŽteiten van het Nederlands. Uit dat onderzoek, waaraan werd deelgenomen door zeven groepen luisteraars, meest jonge mensen, uit verschillende gebieden, kwam naar voren dat de deelnemers van de te beoordelen Nederlandse variŽteiten het ABN het mooiste vinden (Van Bezooijen, 1994, 1995 en Smakman-Van Bezooijen, in dit Themanummer). Dat zal niet alleen op puur estetische gronden zijn, maar toch.

Vreemd genoeg blijkt uit onderzoek naar taalattitudes van Vlamingen en Nederlanders, verricht door MuriŽl Houtermans, dat die waardering niet betekent dat men het ABN ook wil spreken; die behoefte bestaat, zoals te verwachten is, wel het allerminst nog bij Nederlanders (Houtermans 1996-1997).

Als zelfs het ABN niet meer als model functioneert, welk Nederlands dan nog wel, vraagt men zich af, afgezien dan van variŽteiten die op kleine schaal, in peer groups, worden nagevolgd, op school, onder groepjes jongeren, vissers, motorrijders, bijvoorbeeld. De conclusie moet daarom wel luiden dat alles grosso modo zal blijven zoals het is. Dacht ik in 1992.

2. Recente ontwikkelingen

Het statische beeld van het vredig naast elkaar bestaan van allerlei soorten Nederlands moet op grond van recente observaties worden bijgesteld. Het is ook wel te verwachten dat in een complexe en dynamische maatschappij als de onze, bepaalde taalvariŽteiten prominenter zullen worden dan andere, door allerlei externe factoren natuurlijk en tijdelijk misschien. Het jargon van jongeren is een voorbeeld van een leeftijdsgebonden taal. Zoiets zal pas gaan opvallen als steeds meer sprekers, ook van buiten de groep, zich een bepaalde variŽteit aanmeten. Iets dergelijks schijnt zich nu binnen dat Algemeen Aanvaard Nederlands voor te doen. Er is zich, vooral in de Randstad, namelijk een variŽteit aan het uitkristalliseren, die succes heeft en navolging vindt, die model en mode wordt, anders gezegd.

Dat dat nog niet meer dan een indruk kan zijn, komt gedeeltelijk door de specifieke wijze waarop in Nederland tot nu toe sociolinguÔstisch onderzoek verricht wordt. In 1978 schreef Dťdť Brouwer (126): "SociolinguÔstisch onderzoek waarin rekening wordt gehouden met de factor sekse is tot nu toe helaas bijna alleen in het buitenland gedaan." Deze constatering, van 20 jaar geleden, gaat grotendeels nog steeds op.

De afgelopen jaren zijn er enkele dissertaties verschenen die tot onderwerp hebben de variatie in de Standaardtaal. En wat blijkt: steeds weer geeft de onderzoeker, ja zelfs de vrouwelijke onderzoeker, de voorkeur aan informanten van het mannelijk geslacht.

Naast de overeenkomst dat de informanten altijd mannen zijn, hebben deze studies nog iets gemeenschappelijks, ze houden zich namelijk bezig met de zgn. Standaardtaal van buiten de Randstad. De enige recente onderzoeken die de Randstad betreffen, gaan over het dialect van Amsterdam of Den Haag (Schatz 1986, Elias 1977). Ik noem een paar voorbeelden van standaardtaalonderzoek en geef daarbij de argumentatie van de onderzoeker om vrouwen buiten spel te laten:

Het boek van Berber Voortman, Regionale variatie in het taalgebruik van notabelen 1994, richt zich op de taal van notabelen uit Middelburg, Roermond en Zutphen. Op bladzijde 49: 'Omdat in de gekozen leeftijdscategorie meer mannen dan vrouwen in de betreffende beroepen werkzaam zijn, is voor de mannelijke sekse gekozen.'

Leonie Cornips in haar dissertatie uit 1994, over de Syntactische variatie in het Algemeen Nederlands van Heerlen, blz. 34: 'Voor het onderzoek zijn uitsluitend mannen geworven. Een reden daarvoor is dat vrouwen in het algemeen meer geneigd zijn om prestigevarianten te gebruiken'.

Een geval apart is de dissertatie van Hans van de Velde (1996): Variatie en verandering in het gesproken Standaard-Nederlands (1935-1993). Toen hij zijn onderwerp eenmaal gekozen had, had hij ook geen keus: de radioreporters uit de door hem bestudeerde periode van 1935-1993 waren altijd mannen. Ook het andere kenmerk geldt niet voor zijn boek. Hij heeft namelijk de taal van Randstedelijke reporters onderzocht, maar ook dat is niet zozeer een gevolg van een keuze, als wel van de situatie die hij aantrof. Tussen haakjes, het onderzoek van Van de Velde gaat in wezen uit van de taal, en nog wel het ABN, niet van een sociologisch gedefinieerde groep sprekers, want zijn radiore-porters werden door hun bazen zeker voor een deel geselecteerd op grond van hun correcte uitspraak. Ook in dit opzicht verschilt Van der Velde z'n boek dus wezenlijk van de andere, waarin een groep volgens sociologische criteria geselecteerd werd en onderzocht werd hoe er door die groep gesproken werd.

In 1924 heeft Kloeke voor wat ons taalgebied betreft min of meer aangetoond dat vrouwen zich anders tegenover taal gedragen dan mannen (Gerritsen 1978, blz. 63-64). Pas de laatste jaren wordt er op dit terrein ook hier weer onderzoek gedaan. Te noemen zijn onder andere de dissertatie van Schatz over het Plat Amsterdams en een serie licentiaatsverhandelingen te Gent (Taeldeman 1996).

Uit al dit sociolinguÔstisch onderzoek, recent en minder recent, blijkt dat vrouwen vaker dan mannen vormen uit de standaardtaal gebruiken; als we standaardtaal hier voor ons taalgebied vervangen door ABN is duidelijk wat bedoeld wordt. De term 'standaardtaal' is namelijk onduidelijk. Sommigen bedoelen er een criterium mee, zoals er vroeger een standaardmeter was: een Nederlands zonder regionale of sociale kenmerken; anderen gebruiken standaard in de betekenis die autofabrikanten er aan geven als ze het hebben over een bepaald accessoire. Dan betekent standaard dat het 'normaal' is. Om dat misverstand te vermijden gebruik ik in het vervolg ABN.

Peter Trudgill formuleerde voor het verschil tussen mannen en vrouwen bij zijn onderzoek in Norwich, 1972, een mogelijke verklaring: "Vrouwen zijn zich in onze maatschappij meer bewust van status dan mannen. Daarom letten ze ook meer op de sociale betekenis van bepaalde taalvarianten. Misschien zijn vrouwen status-gevoeliger omdat hun sociale positie zwak is en meestal ondergeschikt aan die van de man. Mannen worden beoordeeld op grond van hun beroep en salaris, kortom op grond van wat ze doen. Dit gaat in het algemeen minder op voor vrouwen, zodat zij zich eerder door hun taal moeten waarmaken." (Brouwer 1978, 127). Vrouwen gebruiken dus vaker dan mannen taalvormen die maatschappelijk prestige hebben, ze praten netter dan mannen en daarom worden ze buiten het sociolinguÔstische onderzoek gehouden; soms ook noodgedwongen, doordat ze in de onderzochte beroepsgroepen niet of te weinig voorkomen. Overigens wordt in publicaties van jonger datum weer tot voorzichtigheid gemaand als het gaat om het trekken van conclusies aangaande het gebruik van standaardtaalvormen door vrouwen, respectievelijk mannen (Smakman-Van Bezooijen, in dit Themanummer).

Hoe dan ook, wie vandaag de dag de ontwikkelingen van de omgangstaal in Nederland, het AAN, gaat onderzoeken en daarbij vrouwen buitensluit, maakt een kapitale fout. Want het is onmiskenbaar dat het Omgangsnederlands van ontwikkelde vrouwen in de leeftijd tot ongeveer 40 jaar totaal anders is dan dat van andere groepen taalgebruikers. Voor het eerst in de geschiedenis lijkt het erop dat vrouwen nu het voortouw nemen doordat ze een taalvariŽteit spreken die afwijkt van het ABN, een taalvariŽteit die prestige heeft en die steeds algemener wordt.

Opvallend en opvallend vaak is dat nieuwe Nederlands te horen in het tv-programma De Plantage van de VPRO, elke zondagmiddag, om 5 uur. In dat programma spreekt Hanneke Groenteman met personen die een artistiek of cultureel beroep uitoefenen. Het zijn toneelspelers, schrijvers, filmmakers en dergelijke. Ongeveer de helft - naar mijn schatting - zijn jonge vrouwen en het zijn o.a. deze vrouwen die een apart soort Nederlands spreken. De spreeksters ervan komen uit verschillende delen van Nederland en wonen daar nog of zijn in de Randstad komen wonen. Er zijn zelden Amsterdamse vrouwen bij, dat wil zeggen vrouwen die in Amsterdam geboren en opgegroeid zijn.3 Ze zijn doorgaans jonger dan 40 jaar en ouder dan 20.

3. Kenmerken van het Nederlands van nu

3.1. Het Nederlands van jonge vrouwen

In zijn eerder aangehaalde artikel wijst Trudgill een belangrijke factor aan die een rol speelt bij het onderscheid tussen taal van mannen en vrouwen: "Niet-standaardtaal, oftewel 'plat'-taalgebruik wordt geassocieerd met mannelijkheid, vanwege wat Trudgill 'roughness and toughness' noemt. Tot op zekere hoogte zijn ruwheid en hardheid eigenschappen die door mannen worden nagestreefd. Van vrouwen wordt van jongs af aan een grotere verfijning en gevoeligheid verwacht." (Brouwer 1978, 127).

Wat verfijning en gevoeligheid in concreto voor het Nederlands van nu betekenen, is moeilijk aan te geven. Het zijn subjectieve begrippen en hun inhoud wordt meestal bepaald door externe zaken: omdat een vrouw ze spreekt, heten bepaalde taalvormen verfijnd en gevoelig. Net zo goed als de kenmerken ruwheid en hardheid worden toegekend aan de taal van mannen die ruw of zwaar werk doen. Wat in de 17e eeuw onder verfijning en gevoeligheid ongeveer verstaan werd, kunnen we opmaken uit de Letterkonst (1683) van W.A. Winschooten. In de strijd om de uitspraak ei of ai voor de representant van Westgermaanse [ai] koos hij voor de ai. De ei-uitspraak was in zijn ogen minder goed dan de ai-uitspraak: "EI (...) werd bemind van veele, en gebruikt voor de AI, om dat het soo volmondig niet en behoefd voortgebragt te werden: en daarom hoord men en siet men deese tweeklank veel gebruiken van Vrouwen en andere, die een flaauwe spraak beminnen: en dit is de reeden waarom sy liever Keiser als Kaiser, Kei als Kai, gelijk in Keisteen gebruiken." (Van de Wal 1992, 260). Winschoten zegt dus: "De ei is geliefd bij velen en wordt gebruikt in plaats van de ai, omdat hij niet met zo'n wijde mond uitgesproken hoeft te worden. Daarom hoort en ziet men deze tweeklank veel gebruiken door vrouwen en anderen die een weke uitspraak prefereren. Dit is de reden waarom zij liever Keiser als Kaiser, Kei als Kai, net als Keisteen gebruiken."

Waarschijnlijk gaf Van Winschooten bij de [Ei] uit Westgermaanse [ai] de voorkeur aan de ai-uitspraak, omdat hij samenval met de nieuwere diftong [Ei] uit [i:] ongewenst vond. Hij voert dus eigenlijk actie voor een push-chain: als de [i:] [Ei] wordt, moeten we zorgen dat we de oude [Ei] tot ai verlagen, namelijk om ze uit elkaar te houden. Vrouwen deden daar volgens Winschooten ten onrechte niet aan mee. Die praktiseerden juist de samenval van de twee diftongen omdat de ai hen niet aanstond. Deze vrouwelijke praktijk heeft het zoals bekend uiteindelijk wel gewonnen: het ABN heeft voor beide diftongen de uitspraak [Ei], ook al worden wij door onze spelling nog herinnerd aan de oude situatie met het onderscheid tussen ei en ij.

Verrassend is dat uitgerekend de 'volmondige', wijde aai-uitspraak het opvallendste kenmerk is van het Nederlands van de vrouwelijke gasten bij Groenteman. Maar niet alleen daar. Wie erop gaat letten zal moeten vaststellen dat veel jonge vrouwen in Nederland deze aai op het repertoire hebben.

Links het titelblad van Nederduydsche Spellinge, Haarlem 1612, auteur Jacob van der Schuere. Rechts uit dat boekje de passage over ay:

'AY word gebruykt om hayr des hoofds van de voornaem haer te onderscheyden. Dat nu zommige inde plaetze van ey, hey, key, ley, etc. stellen ende voor goed achten ay, hay, kay, lay, etc. mag kommen duer hare wijd-gapige uyt-sprake, die wy in ons zoo niet en bevinden: achtende ook voor bequamer / datmen de zoetigheyd altijd voor de hardigheyd plaetze geve / inzonderheyd als't niet en strijd tegen het meerderen-deel onzer Nederlandsche uyt-sprake.'




3.2. Algemenere kenmerken van hedendaags Nederlands

Voordat ik nog een paar andere kenmerken van dit typische Nederlands aan de orde stel, sta ik even stil bij enkele verschijnselen die wel in het Nederlands van jonge vrouwen voorkomen, maar die algemener in gebruik zijn; ze zijn ook al veel eerder gesignaleerd. Bij de meeste randstedelingen zijn fricatieven aan het woordbegin stemloos, of worden minder stemhebbend. Niet onbegrijpelijk, taalstructureel bezien, want het kenmerk [stem] is bij fricatieven immers of redundant of fonologisch nauwelijks functioneel: ses is hetzelfde als zes; seven hetzelfde als zeven; feel hetzelfde als veel; feut hetzelfde als voet; zuiger hetzelfde als suiker. Omdat taaldistinctie bestaat bij de gratie van variatie, dat wil zeggen de beschikbaarheid van functioneel indifferente varianten, zouden de fricatieven daarbij een belangrijke rol kunnen spelen. Ze doen dat niet, in elk geval niet meer, met uitzondering van, in zeker opzicht, de zachte g.

De verschillende soorten r, die het Nederlands kent, maken de r tot een dankbaar instrument voor een spreker om zich te onderscheiden. De opvallendste allofoon is de r die tegenwoordig bij jongeren of oudere jongeren na klinker optreedt, de postvocalische r, ook wel, maar ten onrechte, Gooise-r genoemd; ik noteer hem aldus: [£]. Voorbeelden: [spre:ke£, ka:me£], ze:ke£, we£k]. Deze [£] heeft voor de spreker die distinctie nastreeft, een bepaald voordeel: hij lijkt moeilijk uit te spreken, in elk geval heeft hij door zijn retroflexe articulatie (de aansturing van de tongpunt) een voor het Nederlands opvallend en ongebruikelijk karakter. Misschien wekt hij ook daardoor wel de indruk dat hij niet dan met de grootste inspanning te realiseren is. Voor een klinker gaat het al helemaal niet. Daar spreken ook de gebruikers van [£] een andere r, een huig-r of zelfs een tongpunt-r. Sommige mensen beschikken wel over drie soorten r. Maar alleen die ene, de retroflexe [£], is een middel om te distingeren, althans tegenwoordig, want in het verleden vervulde de huig-R deze rol (Van de Velde 1996, 126). Maar de belangrijkste voorwaarde voor ontlening is natuurlijk dat een element prestige krijgt door de 'status' die wordt toegekend aan sprekers die hem praktiseren.

De bekakte r [£], zoals hij ook door wie ermee behept is, zelf veelal wordt genoemd, waardoor eigenlijk zijn sociale betekenis al wordt aangeduid, wordt ook door vrouwen die Poldernederlands spreken gebruikt, maar hoort mijns inziens beslist niet tot het exclusieve repertoire van de onderhavige groep jonge vrouwen, en wel om verschillende redenen. Ten eerste komt hij ook voor bij oudere vrouwen, ik bedoel ouder dan 40, en verder ook, maar wel veel minder, bij mannen, het meest nog bij een bepaalde categorie.4   Bij radiomedewerkers en journalisten, o.a. van de VPRO is hij te horen, bijvoorbeeld.

Een ander verschilpunt tussen het spreken van aai en van [£] is dat het eerste volstrekt onbewust gebeurt, terwijl de sprekers van de retroflexe r zich er terdege van bewust zijn dat ze hem gebruiken; ze cultiveren hem zelfs. Ze kunnen ook goed aangeven, zo is mijn ervaring, waar en door wie hij wel en niet gesproken wordt. Waar hij oorspronkelijk vandaan komt, is niet met volledige zekerheid te zeggen. Maar dat hij uit het Gooi stamt, is beslist niet waar. Zeker zijn de omroepen (= media) er niet mee begonnen, al dragen ze wel bij aan de verspreiding. Uit mededelingen van sprekers en niet-sprekers kan ik afleiden dat de r in kwestie al heel lang (minstens 50 jaar) in Amsterdam-Zuid voorkomt. Toen was Hilversum beslist nog niet spraakmakend eerder spraakvolgend.

Wat de verbreiding betreft, als die plaats zou vinden door of onder invloed van de media, waarom zou die r dan elders ook niet vaker opduiken, in dezelfde mate als in Amsterdam-Zuid. In elk geval is de [£] dus een echt bewust overgenomen uitspraakvariant, overgenomen omdat hij kenmerkend geacht wordt blijkbaar voor een maatschappelijke status of kring en dat is ook weer iets dat we eerder zien gebeuren in het werkelijke taal- en cultuurverkeer dan door de ether of de kabel. In bepaalde kringen legt men er zich op toe: hij heet daar een teken van beschaving te zijn. Maar het is geen exclusief kenmerk van het Nederlands van jonge vrouwen, net zomin als de stemloze fricatieven dat zijn. Over wat er wel exclusief is aan dat Nederlands, dat ik om nog te presenteren redenen Poldernederlands gedoopt heb, gaan de volgende paragrafen.

3.3. Specifieke kenmerken van het Poldernederlands

De nu volgende opmerkingen over het Poldernederlands zijn gebaseerd op persoonlijke waarnemingen. Die zijn vooral gedaan tijdens het beluisteren van een aantal opnames van gesprekken en interviews voor radio en tv. In dit stadium is het nog niet mogelijk om me te baseren op een breed opgezet onderzoek.5   Mijn taalkundige observaties worden overigens gestaafd door collega's die ook mijn sociologische interpretaties onderschrijven.6   Het opvallendste kenmerk van het Poldernederlands is - zoals gezegd - de uitspraak van de klinker die als ei of ij gespeld wordt, namelijk: aai [a:i]. Voorbeelden die ik ontleen aan geluidsopnames die ik recentelijk gemaakt heb: Opzaai, vraaihaaid, taaid, twaaifelen, verwaaiten, aaigelijk, en vele meer.7  

Ik heb gemerkt dat deze aai nogal eens als 'Amsterdams' beschouwd wordt; dat is ten onrechte. Er is een groot verschil tussen deze aai en de manier waarop het Amsterdams de ei's representeert. Het Plat-Amsterdams kent om te beginnen twee representanten van de ei, maar bovendien zijn die alle twee monoftongisch, pijn is [pa:n] of [pE:n] (Daan 1949, 19; Schatz 1986, 65), terwijl de [a:i] van het Poldernederlands een lange, wijde diftong is.

Het Poldernederlands heeft, behalve de wijde (lage) uitspraak van de ei, van beide ei's natuurlijk, nog meer opmerkelijke kenmerken. Zoals in het verleden de ontwikkeling van de lange monoftongen [i:] en [y:] en hun latere stadia [Ei] en [9y] parallel verliep, zodat die als een collectieve verandering beschouwd moet worden, is dat nu ook het geval in het Poldernederlands. Dezelfde verlaging die de [Ei] vertoont, is te horen bij de [9y]. De uitspraak die hier veld wint, is die van een lage, geronde achterdiftong: [au]. Voorbeelden uit mijn collectie: Authof ( = Uithof te Utrecht), Maude (Muiden), haus, bauten.

Ook de derde diftong, de ou, ondergaat in het Poldernederlands een wijziging. Hij wordt opvallend wijder en lager en klinkt als aau [a:u]. Hij verschilt van de veranderde ui (zie hiervoor) doordat hij meer midden, lager en (dus) niet gerond is; bovendien is hij langer: jaauw (jou), vraauw (vrouw), Paaul (Paul).

Op het eerste gezicht lijkt er overeenkomst te bestaan met verschijnselen uit de Hollandse dialecten, in het bijzonder die ten zuiden van het IJ, en die uit westelijk Utrecht. De klinker in gelijk en klein wordt in het aangegeven gebied uitgesproken als [ai]; deze klinker komt wat zijn articulatieplaats betreft, ontegenzeggelijk overeen met de [a:i] van het Poldernederlands, maar is kort (ANKO kaart 14 en 17). De klinker van uit is in die dialecten een andere dan in het Poldernederlands althans in dialectmateriaal tot de jaren zeventig (ANKO kaart 12). Hetzelfde geldt voor de diftong in gauw, koud, vrouw, jou, enz. (vgl. Weijnen 1991, 290). Maar in het materiaal van het Project Goeman-Taeldeman, dat van jonger datum is, heeft koud meestal een [a:u], net als in het Poldernederlands; uit is in die gebieden bij Goeman-Taeldeman soms met centrale [eu].8  

De collectieve verlagingen van het Poldernederlands hebben de nodige consequenties, zoals te verwachten, want ze halen het hele netwerk van betrekkingen in de klinkerdriehoek overhoop. De belangrijkste consequentie is dat de drie verlaagde diftongen een lege plek achterlaten, zouden achterlaten is misschien een betere formulering, want van verlaging van een klinker kan een aanzuigende werking uitgaan, waardoor een andere hogere klinker naar omlaag gehaald wordt. Maar ook het omgekeerde kan zich voorgedaan hebben: dat eerst een hogere klinker verlaagd werd, waardoor een lage werd weggedrukt, nog verder naar omlaag. Hoe dan ook, de veranderingen van de ei staan in verband met die van de ee. Zoals teit taait geworden is, wordt geven geiven, beet beit, enz.; zie de hieronder afgebeelde klinkerdriehoek.

Er is nog een ander kenmerkend verschijnsel dat gedeeltelijk verband houdt met de geconstateerde algehele verlaging, namelijk dat van de ontronding, de delabialisering. In het Nederlands zijn alle achterklinkers en een deel van de voorklinkers gerond. Bij de eerste groep is die ronding redundant of fonetisch gesproken inherent: achterklinkers zijn namelijk altijd [+rond]. Anderzijds kan van alle achterklinkers gezegd worden dat ze ook met weinig of geen lipronding te realiseren zijn zonder dat ze hun identiteit verliezen. Bij de voorklinkers is dat niet zo: ronding is hier een extra identificerend kenmerk. Bij weglating van de ronding ontstaat een andere klinker: beuk > beek; buur > bier; put > pit. Door ontronding zou er een onwenselijke samenval ontstaan met een andere klinker die functioneel flink belast is. De extra 'inspanning' die de noodzakelijke lipronding (labialisering) bij de voorklinkers vereist, is te vermijden en wel door verlaging. Als de geronde eu [Ý] verlaagd wordt, komt hij uit op de plaats van de ui [9y], waar lipronding voor identificatie niet meer essentieel is. De verlaging van de eu is mogelijk doordat de 'oorspronkelijke' ui verlaagd wordt of is tot [au]: leuk > luik en daardoor uit > aut; zie de klinkerdriehoek.

klinkerdriehoek gif

Schematische klinkerdriekhoek van de uitspraak van de klinkers, gebaseerd op de articulatieposities in de mondholte. Bij aa is de mond het verst geopend, bij ie en oe is het meest gesloten. Links vóór in de mond, rechts achter. De gebruikte woorden in de driehoek zijn alleen een voorbeeld, het gaat telkens om de klinker in alle voorkomende gevallen.
Cursief = klinkers van het ABN die veranderen; vet = hun representanten in het Poldernederlands.
De pijlen geven de verandering van de positie aan; het betreft dus steeds een verlaging.

Het natuurlijke gevolg van verlaging is feitelijk steeds een toenemende ontronding. Dat is niet aan de orde bij de ei>aai- ontwikkeling, omdat de ei [-rond] is, maar wel bij de twee andere. De ontronding van ui en ou is niet spectaculair omdat de ronding hier weinig pertinent is, maar de ontronding is er wel degelijk en maakt deel uit van een algemeen kenmerk van het Poldernederlands, namelijk collectieve ontronding van lange klinkers en diftongen, naast of in samenhang met de al geconstateerde collectieve verlaging van dezelfde categorieŽn. Misschien zijn beide veranderingen wel het gevolg van een streven naar articulatorisch gemak.

Ik heb in mijn klinkerdriehoek geprobeerd de verschillende veranderingen en hun onderlinge relaties in beeld te brengen, met deze kanttekening: voorlopig nog gebaseerd op persoonlijke observaties. Een belangrijke vraag is nog wat het karakter is van de gerelateerde veranderingen, push-chain of drag-chain. Op grond van de opmerkelijke mate van verlaging van de diftongen ben ik geneigd aan te nemen dat de ontwikkeling daarmee begonnen is, en dat de veranderingen van de hoger gelegen klinkers een gevolg van aanzuiging zijn, van 'drag' dus. Verwijding van een al bestaande diftong is bovendien natuurlijker dan diftongering van een monoftong als ee. Maar zeker dit aspect moet nader onderzocht worden (zie ook Goeman 1994, blz. 32 en vv.).

Tenslotte is er in het Poldernederlands ook iets met de e voor l, een verhoging namelijk: opbillen, vertillen (= vertellen). Dit verschijnsel is naar mijn indruk inderdaad weer uitsluitend bij jonge vrouwen waar te nemen. Ook voor n is deze verhoging of vernauwing merkbaar, maar nog lang niet zo sterk als bij [E] voor l. Wel hoorde ik op een zaterdagmorgen een radiopresentatrice een boektitel noemen: Sinten graaien. Omdat het vlak voor Sinterklaas was, was ik even in de war; bij navraag bleek dat het een boek over geld was en dat het ging over het witwassen van 'centen'. Maar ook de [A] vertoont sporen van verhoging (en palatalisering): dakloos wordt bijna dekloos. Het zou me niet verbazen als de verhoging van korte klinkers, verband houdt met de verlaging van de lange klinkers; dan zouden we hier met een soort spiegelbeeldreactie te maken hebben, die een polarisering teweegbrengt of zelfs tot doel heeft: lange klinkers en diftongen worden verlaagd, korte klinkers worden verhoogd, te beginnen voor sonoranten (zie Stroop 1984).

Ook al is er op het punt van de verhoging van korte klinkers wel enige overeenkomst met het Plat-Amsterdams, het Poldernederlands is een op zichzelf staande taalvariŽteit die met het Amsterdams niets te maken heeft. De vrouwen die het spreken komen voor het grootste deel niet uit Amsterdam. Er zijn trouwens ook maar weinig sprekers van het Plat-Amsterdams in Amsterdam meer en bovendien, die er zijn, zijn geen model voor onze groep vrouwen.

De ontwikkelingen in het Poldernederlands krijgen nog extra reliŽf als we ze vergelijken met die in het Nederlands uit andere kringen. Daar gebeurt het omgekeerde: korte klinkers worden verlaagd: krengen (= kringen), in economisch opzecht (Troonrede 1997), opballen, tannes, ik zag neks (ik zeg niks), terwijl lange klinkers juist worden verhoogd: sociael, jaeren, jaegen, stoet (= stoot), kuus (= keus). Een en ander is trouwens al eerder opgemerkt door Van Donselaar (1987, 82). Hij geeft als totale set van geaffecteerde afwijkingen die hij onder andere in zijn woonplaats Bilthoven heeft geconstateerd (een pijltje betekent: neigt naar-): ee>ie, ij/ei>ee, e>a, i>e, oo>oe, ou>oo, eu>uu, ui>eu. Van Donselaar, geen taalkundige zegt hij zelf, veronderstelt dat deze afwijkingen een reactie zijn op de platte uitspraak. De taalkundige stelt vast dat de door Van Donselaar zo kundig geconstateerde en geÔnterpreteerde afwijkingen allemaal van het type zijn: lange klinkers en diftongen worden verhoogd, korte klinkers worden verlaagd; ze kunnen beschouwd worden als een reactie op al dan niet virtueel Poldernederlands. Deze vorm van reageren hoeft namelijk mijns inziens niet eens te maken hebben met een door een spreker bij anderen geconstateerde vorm van plat spreken, maar kan evengoed opgewekt zijn door een bij zichzelf bespeurde neiging tot verslapte of slordige articulatie.

Over observeren gesproken: de eerste die in Nederland de aandacht gevestigd heeft op de verandering ei>ai in de Nederlandse taal, specifiek bij 'jongere, vrouwelijke vertegenwoordigers uit de wereld van kunst, wetenschap en politiek' is Siemon Reker. Hij deed dat in zijn radioprogramma AHA, Radio Noord (Groningen), op zondag 5 september 1993. De ether- en kabelfrequentie van die Groningse zender sluiten uit dat ik Reker zijn programma gehoord heb. Onze observaties en bevindingen zijn onafhankelijk van elkaar ontstaan. Ze frapperen door hun overeenkomst.

Nog eerder is door Harrie Scholtmeijer, in zijn dissertatie uit 1992, opgemerkt dat de [ai]-uitspraak van de diftong ei bij jongeren steeds meer voorkomt. Op grond daarvan waagt hij de voorzichtige voorspelling dat de [ai] de variant van de toekomst wordt (Scholtmeijer 1992, 53).

Ter illustratie dient bijgaand geluidsbestand dat korte spraakfragmenten bevat van achtereenvolgens een universitair docent, een hoogleraar (beide zijn 40-ers en resp. afkomstig uit Overijsel en Zuid-Limburg) en een presentatrice van RTL 4, die in de dertig is en uit de Randstad komt. Klik op het speakertje
om het geluidsfragment
te starten

4. Waardoor kon Poldernederlands ontstaan?

De verlaging van de diftong ei is - zoals bekend - het gevolg van onze natuurlijke spreekneiging. Onze buurtalen, het Engels en het Duits laten zien wat er gebeurt als die neiging maar zijn gang mag gaan: Engelsen en Duitsers zeggen waain voor 'wijn', terwijl het Nederlands van wein spreekt; zij: faain, wij fein voor 'fijn'; zij raaid/raaiten, wij reide voor 'rijden', en zo nog vele andere gevallen. Het heeft niet veel gescheeld of in het Nederlands was het ook ai geworden. Maar dankzij de ingrepen en de stelligname van grammatici in de 16e en de 17e eeuw, met uitzondering van Winschooten dan, is aan de natuurlijke ontwikkeling van de ei een halt toegeroepen, althans wat het ABN betreft (Van der Wal 1992, 260-261). Een aantal vooral Hollandse dialecten hebben de ontwikkeling van hun diftongen voortgezet; sommige hebben het stadium van het Engels en het Duits bereikt (blaiven, kaiken, maisie), andere zijn zelfs nog verder gegaan en hebben nu velare diftongen als oi (bloiven, konkeltoid, moissie, Andoik). Vanuit het gezichtspunt van klankontwikkeling is de aai van het Poldernederlands dus heel normaal (Jansen 1977-1978).

Het Poldernederlands is feitelijk het resultaat van een in het Nederlands altijd al aanwezige 'natuurlijke' tendens om lange klinkers en diftongen te verlagen. Deze tendens is minstens al in de 16e eeuw aanwijsbaar. Het opvallendste product van deze tendens, aai in plaats van ei, werd door de grammatici veroordeeld en door het onderwijs en het gezag dat het ABN had, steeds onderdrukt, mede omdat die aai in de dialecten voorkwam en dus min of meer besmet was; men vond hem lelijk (Hellinga 1938, 203). De ei is dus een cultuurverschijnsel, het resultaat van beschavend onderwijs. Dank zij de medewerking van het moderne onderwijs, dat geen aandacht en tijd meer heeft voor spreekonderwijs, is het ABN zijn voorbeeldfunctie volledig kwijt geraakt. De meeste leraren (= onderwijzers) in het basisonderwijs zijn niet eens in staat ABN te spreken of zelfs maar iets wat er in de buurt komt, als ze het al zouden willen of durven. Het hoeft trouwens ook niet want zuiver en correct spreken van het Nederlands komt in het officiŽle onderwijsprogramma in Nederland niet meer voor.

Doordat sturing of beschaving van het spreken in Nederland op alle niveaus ontbreekt, krijgen natuurlijke spreekneigingen alle kans om zich te laten gelden en breekt de aai met een vertraging van vier eeuwen eindelijk door. Misschien speelt de vertrouwdheid met het Engels bij veel jongeren daarbij ook nog wel enige rol. Het ABN kent geen aai, het Engels dat de jeugd bereikt bij monde van o.a. de Spaais Girls en bij gelegenheden als haausparties des temeer. Die aai maar ook de aau krijgen daardoor voor de Engelssprekende en Engels-horende Nederlander iets gewoons.9   De spreeksters van deze aai hebben die in elk geval niet uit een eventueel dialect overgehouden. Ze komen immers uit alle windstreken vandaan; ze hebben ook meestal geen dialect gesproken.

Naast de natuurlijke neiging tot verlaging en de afwezigheid van het corrigerende onderwijs, waardoor een eenmaal gevormde uitspraakvariant zich kan consolideren, is hier zeker ook invloed van de mode aanwezig. De opvallendste spreeksters van het Poldernederlands zijn namelijk allemaal belangrijke jonge vrouwen, vrouwen beneden de veertig, met succes als schrijfster, beeldend kunstenares, wetenschapster, componiste en mediamedewerkster. Ze spreken goed en formuleren op niveau. Het zijn vrouwen die hun eigen leven plannen en vorm en inhoud geven. Maatschappelijk geslaagd en vaak in de belangstelling. Vrouwen ook die weten te profiteren van de maatschappelijke en economische veranderingen die op het conto geschreven worden van ons poldermodel, dat ultieme gevolg van de egalisering van de samenleving, waardoor werkgevers en werknemers het bijna altijd met elkaar eens zijn.

Wanneer Schröder daar nog aan toevoegt dat "beide Sprechweisen nebeneinanderhergehen", "auf der einen Seite die alte, die "mustergültige"; d.h. die unnatürliche [!] der Oberschicht, auf der anderen Seite die neue, die sogen. "vulgäre", "ungebildete", die natürliche Sprechweise der Unterschicht, die meistens auch die Zukunftssprache der Oberschicht ist", dan denkt men reeds met huivering aan den tijd, dat beschaafde Hollanders besjlisjt, me~s (mensch), sjich (zeg) en loupe (loopen) zullen zeggen. Een zoodanige taalbeschouwing getuigt in den grond van de zaak van een zoo zwartgallige kijk op de expansieve kracht der beschaving, dat men aan allen vooruitgang zou wanhopen.... wanneer deze pessimistische conclusie ten opzichte van de taal niet ten eenen male in strijd was met de opvatting, die wij omtrent de verspreiding van andere cultureele waarden hebben.
(G.G. Kloeke in Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 43e deel, blz. 178, Leiden 1924)

5. Waarom vrouwen nu voorop lopen

Het is bekend, Trudgill wees er al op, dat de vrouwen zich in de samenleving in het algemeen meer dan mannen waarmaken door hun taal en zodoende in zeker opzicht ook extremer zijn dan mannen. Of beter, waren, want door de al vaak bezongen egalisering van de samenleving, met alles wat ermee te maken heeft, is de positie van de vrouw ook sterk veranderd en daardoor is de statusbevorderende functie die de taal had weer gereduceerd. Tegenwoordig ontleent men status aan andere zaken dan de taal. En zoals te verwachten, is de reactie op deze nieuwe situatie bij vrouwen extremer dan bij mannen. Wie altijd al een beetje slonzig sprak, kan dat blijven doen, maar wie zich eerst heeft ingespannen om correct, bijvoorbeeld ABN, te spreken en zich nu - ik overdrijf een beetje - bevrijd weet uit het keurslijf van dat keurige spreken, die gooit alle remmen los en geeft zijn natuurlijke spreekneiging de ruimte. Het is in de ware zin een reactie. Vandaar veel meer en veel extremere aai's bij vrouwen dan bij mannen.

Het is het Nederlands van de eerste dochters in de taalgeschiedenis, die zich in hun spraak zo opvallend onderschaaiden van hun ouders en hun broers, nu eens niet door voorop te lopen in wat de sociolinguÔsten prestigevormen noemen, zoals de schoondochters van Van Ginneken (1923) dat vroeger nog deden, maar door het spreken van een variŽteit met extreem verlaagde klinkers, die normaal de kwalificatie 'plat' zou krijgen.

6. Wordt het Poldernederlands model?

Op de vraag of het Poldernederlands model wordt, is nog geen definitief antwoord mogelijk. Zo is het Poldernederlands in fonetisch opzicht nog weinig uitgekristalliseerd. Duidelijk is dat het voornaamste en essentiŽle kenmerk ervan is een verwijdering van de ABN-norm, door een algehele verlaging van de diftongen. Die verlaging heeft zich nog niet gestabiliseerd tot een nieuwe norm; er zijn allerlei gradaties hoorbaar, vaak zelfs bij ťťn spreker.

Het Poldernederlands lijkt op dit ogenblik dus eerder het gevolg van de afwezigheid van de wil om een bepaald soort Nederlands (ABN) te spreken dan van de wil om een bepaald soort ander Nederlands te spreken. Met andere woorden, de aai is tot op heden meer het gevolg van natuur dan van cultuur. 10  

Het maakt de realiteit van de verlaagde diftongen bij vrouwen er niet minder op, zoals ook overduidelijk is dat steeds meer vrouwen dit Poldernederlands gaan spreken. Cijfers die nodig zijn om dat keihard te bewijzen zijn er nog niet. Maar opvallende en gemakkelijk te observeren feiten spreken al duidelijke taal. Van de groep oudere jonge vrouwen, zo tussen 30 en 40 jaar, spreekt voornamelijk de categorie vrouwen die aan tafel zit bij Groenteman dit Poldernederlands. Dat zijn de vrouwen die een belangrijke rol spelen in kunst en cultuur, precies dezelfde groep die eerder al door Reker aangewezen is (Reker 1993). Bij jongere meisjes komt het Poldernederlands veel algemener voor (ik beluister het bij mijn studentes, de meisjes in de winkels, aan de telefoon of op de radio, de omroepsters in het Centraal Station en de presentatrices van The Music Factory). Ze spreken het ook onder alle omstandigheden. Eigenlijk druk ik me nog te zwak uit, want vrijwel alle jonge meisjes spreken altijd Poldernederlands. Het kan niemand meer ontgaan, dunkt me.

Een veelzeggend signaal is dat je ook in reclamespots steeds vaker meisjes en vrouwen hoort die zo spreken, bijvoorbeeld in de 'jongeren'-versie van de spot van de (Nederlandse) Belastingdienst, of de radioreclame van het Uitzendbureau ('Heb je HBO of Universitaait, bel dan.....) of Spaarbeleg ('Sparen op topsnelhaaid). Blijkbaar vinden reclamemakers het normaal. Met andere woorden: het Poldernederlands lijkt al min of meer geaccepteerd te zijn of zelfs model te worden, nu nog vooral voor jonge meisjes, straks ook voor hun vriendjes. Die vriendjes, jongens in het algemeen, doen het al wel, maar zowel quantitief als qualitatief veel minder dan meisjes of vrouwen uit vergelijkbare categorieŽn.11   Maar dat onderscheid gaat verdwijnen en later zullen al hun kinderen en kleinkinderen Poldernederlands spreken. Dan noemen we het gewoon weer Standaardnederlands of misschien wel ABN.

7. De naam Poldernederlands

Ik heb dit ABN van de toekomst Poldernederlands genoemd om de volgende redenen. Ten eerste en vooral omdat ik meen het te kunnen verbinden met de Nederlandse maatschappij van dit moment, die zich verheugt in het economische succes dat wordt toegeschreven aan het befaamde 'poldermodel'. Dat is een maatschappij waarin het begrip Algemeen Beschaafd Nederlands tot een anachronisme geworden is, zoals trouwens meer vormen van beschaving. De artikelenreeks in De Volkskrant (1998) over (het verdwijnen van) Normen en Waarden is in dit verband veelzeggend. Ik waag de stelling dat de mentaliteit die inherent is aan het poldermodel, namelijk die van individualisme, privatiseren, flexibiliseren en dat-maak-ik-zelf-wel-uit, ook de opkomst van het Poldernederlands bevorderd heeft.

De tweede reden is dat ik wil benadrukken dat het Poldernederlands zijn oorsprong in elk geval niet in een stadsdialect gevonden heeft, zeker niet in het Amsterdams, maar - zo al - hoogstens indirect in verband gebracht kan worden met (Hollandse) plattelandsdialecten. Recente ontwikkelingen van die dialecten maken de kans op een rechtstreeks direct verband overigens alleen maar kleiner (Goeman 1984, blz. 123-126). Ontlening uit de dialecten lijkt me daarom uitgesloten, wel is er overeenkomst in die zin dat beide aai's het resultaat zijn van dezelfde verlagingstendens, alleen in de dialecten heeft die zich vier eeuwen eerder kunnen en mogen manifesteren dan in het Algemene Nederlands.

De derde reden waarom ik voor de naam Poldernederlands gekozen heb, is, als ik eerlijk moet zijn, dat ik het zelf ook nogal plat vind, dat Poldernederlands, maar dat mag ik natuurlijk niet zeggen als objectief taalkundige. Hoewel, de onderzoekers van NASA hoeven dat puin op Mars ook niet mooi te vinden om er laaiend enthousiast over te kunnen zijn.



** Voor de fonetische notatie gebruik ik SAMPA
** For the phonetic notations I use the computer readable phonetic alphabet SAMPA       Terug

Noten

1. Ik heb veel profijt gehad van opmerkingen van Renée van Bezooijen, Ton Goeman en Johan Taeldeman. Terug

2. Toen ik de verantwoordelijke instantie vroeg of dat geen vergissing was, werd mij te verstaan gegeven dat men er vanuit ging dat voor alle kerndoelen Nederlands automatisch geldt dat het ABN uitgangspunt is. Wat de ambtenaar met 'uitgangspunt' bedoelt, is mij niet duidelijk, wat ik zeker weet, is dat het niet uitdrukkelijk vermelden van een kerndoel ABN betekent dat er totaal geen aandacht aan besteed zal worden. In het hele Nederlandse onderwijsbestel, van laag tot hoog, is het onderdeel 'correct spreken' totaal afwezig. Wat dat gaat betekenen voor de kansen val die kindertjies van onze kleurrijke samenleving laat zich raden. Terug

3. Er is trouwens al eens eerder gewezen op het merkwaardige feit, dat de meeste personen die in Amsterdam de aandacht trekken (terecht of ten onrechte) daar niet geboren en opgegroeid zijn. Amsterdam heeft ze naar zich toegetrokken, maar neit voortgebracht. Terug

4. Mij meegedeel door mevrouw S.Leydesdorff, die vanaf de jaren vijftig in Amsterdam-Zuid gewoond heeft. Terug

5. Er bestaan plannen het Poldernederlands tot onderwerp van een onderzoeksproject te maken, waarin naast taalkundige ook fonetici. Terug

6. De dochter (27) van Mevrouw F. Koopmans-Van Beinum (Instituut voor Fonetische Wetenschappen, Amsterdam), die arts, spreekt het beschreven Nederlands; vooral de opvallende aai.
Haar broer (22) spreekt een ander Nederlands.
Ook de dochter van de heer A. Goeman (Meertens-Instituut, Amsterdam), die studeert aan de Academie voor Bouwkunst, spreekt vanaf haar Lyceumtijd deze variant van het Nederlands. Haar vriendinnen die van buiten Amsterdam komen, spreken hetzelfde. Deze vrouwen spreken zo in alle denkbare (ook offiële) omstandigheden, zonder dat iemand er zich aan stoort. Hij is het met mij eens dat het beslist geen Amsterdams is.
De zoon van Goeman volgt HBO aan dezelfde instelling als zijn zuster maar spreekt anders, ook in het gezelschap van zijn vrienden en voetbalteamgenoten.
Overbodig te zeggen dat ik mijn beide informanten zeer erkentelijk ben. Terug

7. Om enige idee te geven van de categorie vrouwen waar het omgaat, enkele gegevens:

  1. Historica (27), geboren in Haarlem, vanaf haar 19e woonachtig in Amsterdam;
  2. Grafisch ontwerpster (35), geboren in Groningen, vanaf haar 18e woonachtig in Amsterdam;
  3. Radiomedewerkster (32), geboren in Zandvoort, woonachtig in Hilversum;
  4. Politica (40), geboren in Leidsendam, daarna woonachtig in Den Bosch, tenslotte in Amsterdam;
  5. Radiomedewerkster (45), geboren in Rotterdam, daarna woonachtig in Twente, nu Amsterdam.
Verder bezit ik opnames van nog een aantal vrouwen, waarvan de spraak onmiskenbaar Poldernederlands is, maar waar ik nog geen nadere gegevens van heb. Terug

8. Dat heeft Johan Taeldeman me meegedeeld; ik dank hem vriendelijk. Terug

9. Harrie Scholtmeijer wees me op een reclamespreuk van zowat zes jaar geleden: 'Dit is de tijd // voor een Coca Cola Light' (Zie Scholtmeijer 1992, 53). Terug

10. Hellinga stelt zich op blz. 193 de vraag 'Of niet ai klankwettig is en ei ... een cultuurverschijnsel?' (Hellinga 1938, 193), die hij op blz. 203 'met een gerust "ja" beantwoordt. Terug

11. Met categorieèn bedoel ik ook bepaalde situaties waarin mannen en vrouwen in dezelfde functies werkzaam of aanwezig zijn.
Vergelijk bijvoorbeeld eens de spraak van mannen en vrouwen:

  • in het Radio-1-Journaal
  • bij de wegenverkeersinformatie op de radio
  • bij de meteo-consult, idem
  • bij de presentatie van TV-programma's
  • in de collegezaal (studenten maar ook docenten!!)
  • in het huisgezin (broers en zusters)
Terug

Bibliografie

Bezooijen 1994, R. van
'Aesthetic evaluation of Dutch language varieties' in: Language and Communication, 14, 253-263.
Bezooijen 1995, R. van
'De esthetische beoordeling van taalvariŽteiten als functie van leeftijd en regionale herkomst van luisteraars' in: Proceedings Tweede Sociolinguistische Conferentie, Lunteren, 67-81.
Brouwer 1978, D.
'Taalgebruik van vrouwen en mannen in de westerse maatschappij', in: Brouwer (e.a.) 1978, blz.105-146.
Brouwer (e.a.) 1978, D.
Vrouwentaal en mannenpraat, Amsterdam, Van Gennep.
auteurs: Instituut voor Leerplanontwikkeling (SLO) Enschede 1996
Concept Herziene kerndoelen basisonderwijs
Cornips 1994, L.
Syntactische variatie in het algemeen Nederlands van Heerlen, Amsterdam, IFOTT.
Daan 1949, Jo
Hij zeit wat! Grepen uit de Amsterdamse volkstaal, Amsterdam, Jacob van Campen.
Daan 1977, J. en M. Francken
Atlas van de Nederlandse Klankontwikkeling I en II, Amsterdam, B.V. Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij.
Donselaar 1987, J. van
'Klinkers in de randstad', in Onze Taal, jrg. 56, nr. 6, blz. 82.
Elias 1977, M.
Plat-haags, Amsterdam, Instituut Algemene Taalwetenschap.
Gerritsen 1978, M.
'Het dialekt van vrouwen, nu eens ouderwets dan weer modern', in Brouwer (e.a.) 1978, blz. 40-68.
Ginneken 1923, J. van
Nederlandsche Dialectstudie, Utrecht-Nijmegen, N.V. Dekker & v.d. Vegt en J.W. v. Leeuwen.
Goeman 1984, A.C.M.
Klank- en Vormverschijnselen van het Dialect van Zoetermeer, Amsterdam , P.J. Meertens-Instituut.
Goeman 1994, A.
'Geen Great Vowel Shift in de Nederlandse dialecten', in Dialectfonologie (red. G.E. Booij en J. van Marle), Amsterdam, P.J.Meertens-Instituut.
Hellinga 1938, W.
De opbouw van de algemeen beschaafde uitspraak van het Nederlands, herdrukt in: Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse taalcultuur, Arnhem 1968.
Houtermans 1996-1997, M.
'De standaarduitspraak: theorie en attitude'; licentiaatsverhandeling Universitť catholique de Louvain (niet gepubliceerd).
Jansen 1977, F.
'Verandering van diftongen: een kwantitatieve benadering van de Zaanse [ai] en [Bi], in Spektator 7, blz. 1-15.
Reker 1993, S
'Een verandering in de Nederlandse taal'; persbericht Radio Noord, Groningen 30 augustus 1993.
Schatz 1986, H.
Plat Amsterdams in its social context: A sociolinguistic study of the dialect of Amsterdam, Amsterdam, P.J.Meertens-Instituut.
Scholtmeijer 1992, H.
Het Nederlands van de IJsselmeerpolders, Leiden diss..
Smakman 1998, D. en R. van Bezooijen
'Een verkenning van populaire ideeŽn over de standaardtaal in Nederland', in dit themanummer.
Stroop 1984, J.
'Polariserende Regels', in: Spektator 13, blz. 346-360.
Stroop 1991, J.
'Welk Nederlands na 1992?', in Het Nederlands na 1992; teksten van lezingen, Congres november 1991, Amsterdam, LVVN.
Stroop 1998, J.
Poldernederlands: Waardoor het ABN verdwijnt. Amsterdam. Bert Bakker.
Taeldeman 1996, J.
'Taalattitudes, taalgebruik en sekse in Vlaanderen', in Verslagen van het RUG-centrum voor genderstudies, nr. 5, blz.7-32.
Velde 1996, H. van de
Variatie en verandering in het gesproken Standaard-Nederlands (1935-1993), Nijmegen, diss.
Voortman 1994, B.
Regionale variatie in het taalgebruik van notabelen. Een sociolinguÔstisch onderzoek in Middelburg, Roermond en Zutphen, Amsterdam, IFOTT.
Wal 1992, M. van der
Geschiedenis van het Nederlands (in samenwerking met Cor van Bree), Utrecht, het Spectrum.
Weijnen 1991, A.
Vergelijkende klankleer van de Nederlandse dialecten, 's-Gravenhage SDU.




uit: Taal en Tongval, Standaardisering in noord en zuid. Themanummer 10 (1997). Amsterdam, pp. 10-29.



Article published on the WWW: October 1999
j.stroop@hum.uva.nl