|
Slavische talen en culturen Tsjechisch
Tsjechische taal en cultuur» Taalverwerving» Cultuur » Leerboeken » Grammatica » Interactieve oefeningen » Uitspraak » Algemene informatie Navigatie» Home Tsjechisch» Links » UvA
|
Tsjechische cultuur
Het hoofdaccent bij de bestudering van de Tsjechische cultuur is de Tsjechische literatuur. Deze wordt echter behandeld - voor zover relevant – binnen het bredere kader van de cultuur en de geschiedenis. In de Bachelorfase zijn er drie modules van 5 ECT studiepunten, verdeeld over de eerste twee jaren van de Bachelor-opleiding, t.w. I in het eerste semester van het 1ste jaar, II en III in het eerste en tweede semester van het tweede jaar.
Tsjechische literatuur I (1ste jaar)In het eerste blok van dit college wordt een overzicht gegeven van de ontwikkeling van de Tsjechische cultuur en geschiedenis sinds de komst van Slaven op het grondgebied van de hedendaagse Tsjechische republiek. In het tweede blok wordt de literatuur en cultuur van de negentiende eeuw, d.i. de tijd van de Nationale Wedergeboorte, behandeld.
De literaire taal was verschrompeld tot een taal van ‘dienstmeisjes en koetsiers’. Tegen het einde van de achttiende eeuw werd het Tsjechisch herontdekt, er werden grammatica’s en woordenboeken geschreven en geleidelijk ontwikkelde die taal zich tot een instrument waarmee ook op hoog peil literatuur kon worden bedreven. Dat hoge peil werd in de Romantiek (jaren 30-40) bereikt. Omdat taal en nationale identiteit nauw met elkaar zijn verweven, werd die ontwikkeld gesteund door een golf van patriottisme. Men voelde zich pas Tsjech wanneer men ook Tsjechisch sprak en schreef. Toch zou het nog tot in de 2e helft van de negentiende eeuw duren voordat het Tsjechisch ook als taal een dominante positie in de maatschappij kon innemen. Zo begon de grootste Tsjechische dichter van de negentiende eeuw, K.H. Mácha (1810-’36) zijn carriere in het Duits en ook de beroemde ‘nationale’ componisten Smetana en Dvořák bedienden zich aanvankelijk nog van het Duits.
Doordat de Tsjechische literatuur en cultuur niet los te denken zijn van de Europese, kwamen er ook Europese stromingen zoals de Preromantiek, Romantiek en realisme – zij het met enige vertraging – op gang. In het kader hiervan verschilt bijvoorbeeld het Tsjechische gedachtegoed niet veel van de Europese en zijn er tal van dwarsverbanden en gemeenschappelijke inspiraties aan te wijzen. Zo is er in de Tsjechische literatuur een schat aan folkloristisch geinspireerde teksten (liedjes, ballades, sprookjes), die bijvoorbeeld door K.J. Erben (1811-1870) zijn verzameld en tot literaire vorm bewerkt. Ook het prozawerk van de eerste vrouwelijke Tsjechische auteur, Božena Němcová (1820-’62), vertoont nog duidelijk sporen van die ethisch-folkloristische belangstelling, ook al ligt haar werk op de grens van het Realisme. Hetzelfde kan worden gezegd van het toneelwerk van J.K. Tyl (1808-’56) en het dichtwerk van de patriottische journalist K. Havlíček (1821-’56), die de spot dreef met het Habsburgse bestel. Deze schrijvers komen in hun literaire en maatschappelijke context op college aan de orde en daarbij zullen (vertaalde) teksten van hen worden gelezen en geanalyseerd. Dit laatste gebeurt in aansluiting op basisbegrippen uit de algemene literatuurwetenschap. Deze opleiding verzorgt parallel in dat semester een verplicht college literatuurtheorie. Tsjechische literatuur II (2e jaar, 1e semester)De hier te behandelen periode strekt zich uit van 1880-W.O.-II en omvat
globaal het Symbolisme, Postsymbolisme, Poëtisme (historische avant-garde)
en modernistisch proza.
Als reactie hierop ontstond een heel scala van literaire werken waarin
weer werd teruggegrepen op de concrete werkelijkheid, ofwel in protest
tegen sociale misstanden (P. Bezruč, 1867-1958), Na de stichting van de eerste republiek Tsjechoslowakije (de eerste president werd in 1918 T. G. Masaryk) breekt in de literatuur de avant-garde door met provocerende, poëtische teksten. Het leven zelf werd tot poëzie verklaard en de experimentele vorm vierde hoogtij.
In de culturele sfeer werd dit streven ondersteund door
het constructivisme (beeldende kunst) en door pogingen verschillende kunstrichtingen
met elkaar te verbinden. Deze beweging was dominant aanwezig in de Tsjechische
literatuur en knoopte aan bij verwante richtingen in het buitenland (Bauhaus,
De Stijl, Russische en Franse avant-garde). De belangrijkste vertegenwoordigers
waren K. Teige (theoreticus, 1900-‘51) en de dichters V. Nezval (1900-’58)
en J. Seifert (1901-1986), de latere Nobelprijswinnaar. Vanuit deze baanbrekende
experimenten ontstond in feite het Surrealisme en de moderne, naoorlogse
Tsjechische poëzie, die daarna hun eigen ontwikkeling kenden.
Zijn verdere werk valt in twee delen uiteen: één deel vertoont een anti-utopische inslag (toneel, proza), met als centraal thema angst voor het einde van de menselijke beschaving (met o.a. robot of een monsterachtige salamander als krachten die de mensheid bedreigen). Het andere deel geeft uiting aan een relativistische houding tegenover de werkelijkheid, waarbij de onmogelijkheid om tot de vaststelling van een absolute waarheid omtrent iets te komen, centraal staat (detective-verhaal).
Vančura schreef naast een groot aantal dikke romans of romankronieken ook een novelle, die in zekere zin weer bij het Poëtisme aansluit door de absurdistische stijl en het thema van de acrobaat :'Een wispelturige zomer', succesvol verfilmd in de jaren zestig.
Opmerkelijk in het Interbellum is verder de opkomst van de Tsjechische literatuurwetenschap, die zich bevrijdde van de literaire kritiek en op zoek ging naar autonome literatuurwetenschappelijke waarden. Zo ontwikkelde zich in het kader van de Praagse Linguistische Kring - hand in hand dus met de taalwetenschap – het Tsjechische structuralisme en de semiotiek (J. Mukařovský). Tsjechische literatuur III (2e jaar, 1e semester)De periode die hierbij behandeld wordt, is de naoorlogse. Deze begint algauw met de gecompliceerde situatie waarbij de literatuur ondergeschikt gemaakt wordt aan de ideologische principes van het sinds Februari ’48 ingevoerde communistische bestel en het daarmee gepaard gaande systeem van censuur en sancties tegen oppositionele schrijvers. In de jaren zestig wordt het politieke klimaat geleidelijk gematigder totdat het uitmondt in de beroemde Praagse Lente van 1968. In die periode wierpen zich vele schrijvers op als het geweten van het volk en probeerden de vinger te leggen op tekortkomingen van het communistsiche bestel. Een reeks schrijvers van formaat diende zich aan: V. Havel (toneel), Bohumil Hrabal, J. Škvorecký, L. Vaculík, I. Klíma, P. Kohout, M. Kundera enz., van wie inmiddels veel werk ook in het Nederlands werd vertaald.
Deze betrekkelijk vrije culturele situatie gedurende 1968 werd echter bruut afgesloten na de inval van de Warschaupactlegers in augustus van dat jaar. Degenene die zich daarvoor met het ‘socialisme met het menselijk gezicht’ hadden breed gemaakt, trokken zich nu terug uit de officiële politieke en literaire verbanden en vormden de zgn. dissidenten. Zij moesten op eigen kracht en in het geheim hun teksten zien te vermeerderen om aan een groter publiek bekend te maken. Dankzij Tsjechische uitgeverijen in het buitenland, waar een deel van de dissidenten zich gevestigd had, konden die teksten toch in hun oorspronkelijke taal worden gedrukt. In eigen land moest het publiek het stellen met zgn. samizdat-uitgaven (zelfgemaakte boekjes). Dat publiek bestond echter alleen nog maar uit de naaste kringen van diverse dissidente schrijvers. Een belangrijke rol speelde hierbij aan het begin van de jaren ’70 L. Vaculík. Vanuit deze dissidente kringen ontstond de beweging Charta 77,
die probeerde aan te knopen met de mensenrechtenbeweging van Helsinki om
daarmee aandacht te vragen voor de eigen onderdrukte positie. Een voorname
rol hierbij speelde V. Havel, de latere president, die tevens met zijn
‘officieuze’ fonds van dissidente teksten Vaculík enigszins van het podium
verdrong.
De literatuur en het literaire bedrijf moesten zich sindsdien hervinden. Enerzijds werd veel dissidente literatuur nu beschikbaar gemaakt voor het eigen publiek, anderzijds probeerde men af te rekenen met het nabije verleden (M. Viewegh). Daarnaast werd veel buitenlandse literatuur vertaald die vroeger niet was toegestaan. Sindsdien proberen sommige schrijvers zich los te maken van deze politieke en morele thema’s, die samenhangen met het verleden, en beogen ze een veel autonomere literatuur. Onder hen kan men (relatief) jonge schrijvers rekenen als Jáchym Topol, M. Urban e.a. |