Fragment uit:

De brave Hendrik

een
leesboekje
voor
jonge kinderen

Uit de twaalfde druk (1833)

N. Anslijn

Kent gij Hendrik niet, die altijd zoo beleefd zijnen hoed afneemt als hij voorbij gaat?

Vele menschen noemen hem de brave Hendrik, omdat hij zoo gehoorzaam is, en omdat hij zich zoo vriendelijk jegens ieder gedraagt. Hij doet nooit iemand kwaad. Er zijn wel kinderen, die hem niet liefhebben. Ja, maar dat zijn ook ondeugende kinderen. Alle brave kinderen zijn gaarne bij Hendrik. Kinderen, die met Hendrik omgaan, worden nog braver, want zij leeren van hem, hoe zij handelen moeten.

Als Hendrik zoo braaf is, dan zal hij ook zijne ouders wel liefhebben. Alle brave kinderen hebben hunne ouders lief. Ja, hij heeft zijne ouders zeer lief, daarom is hij ook altijd zoo vrolijk en vergenoegd.

Hij krijgt toch geen lekker eten en drinken, en hij heeft geene mooije kleederen: hoe kan hij dan zoo vergenoegd zijn?

Gelooft gij dan dat men lekker eten en drinken, en mooije kleederen moet hebben om vergenoegd te wezen? - Ik niet. Maar daaar komt Hendrik aan, wij zullen het hem zelven vragen.

Jan: `Ha, goeden morgen, vriend Hendrik! Hoe komt het toch, dat gij altijd zoo vrolijk en vergenoegd zijt?'

Hendrik: `Wel, dat is een zonderlinge vraag. Zijt gij dan niet tevreden? Ik heb alles, wat ik noodig heb, en zou ik dan niet vroolijk en vergenoegd zijn?'

Willem: `Ja, maar gij hebt toch geen lekker eten en drinken?'

Hendrik: `Ei! Zijt gij zulk een vriend van lekker eten en drinken? Ik lust het ook wel. Maar mijn vader zegt, dat het lekkerste eten en drinken dikwijls schadelijk is, en dat men matig moet zijn om gezond te wezen.'

Willem: `Ik geloof dat uw vader u maar iets wijs maakt.'

Hendrik: `Neen, dat doet mijn vader niet. Hij zegt het tot mijn best. Hij weet ook beter wat nuttig is, dan ik het weet.'


Kees, die in de school zijne plaats naast Hendrik heeft, zag er onlangs op eenen morgen zeer droevig uit. Hendrik zag hem gedurig aan en wilde hem telkens naar de reden zijner droefheid vreagen; doch hij werd daarin verhinderd.

Toen zij beiden uit school gingen, sprak Hendrik hem aan en vraagde wat toch de reden was, dat hij er zoo droevig uitzag. Kees wilde zich in het eerst niet verklaren, maar omdat Hendrik toch bleef aanhouden, zoo vertelde hij hem eindelijk toch alles.

Kees: `Ik heb sedert gisteren middag niets gegeten. Mijne moeder heeft geen geld om eten te koopen. Ik heb zulk eenen honger en mijne moeder ook, en dat maakt mij zoo bedroefd.'

Hendrik: `Arme jongen! Zult gij dan dezen middag ook niets te eten krijgen?'

Kees: `Dat geloof ik niet. Mijne moeder zal zeker nog geen geld ontvangen hebben.'

Hendrik: `Gebeurt het wel meer, dat gij niets te eten hebt?'

Kees: `Ja, dikwijls.'

Hendrik: `Ik wenschte dat ik iets voor u had. - Wacht - ik heb nog een kwartgulden. - Daar, neem dien: kunt gij daarvoor eten koopen?'

Kees: `Ja! Ik dank u, lieve Hendrik! O, wat zal mijne moeder blijde zijn, die heeft ook zulk een' honger.'

Hendrik: `Ik ben blijde, dat ik u helpen kan. - Maar nu hebt gij nog niets voor morgen. Hoor! Ik zal mijne vader vragen, of hij u iets geven wil. Wacht, ik bedenk daar nog iets! Kom mij elken morgen afhalen, dan zal ik met u mijnen boterham deelen.'

Kinderen! wij zouden u nog veel meer van den braven Hendrik kunnen vertellen; maar als hij dit boekje eens in handen kreeg, dan zou hij maar beschaamd worden, als hij zag, dat hij zoo zeer geprezen werd, en dat willen wij niet, - wij willen den goeden Hendrik niet beschaamd maken.

Lieve kinderen! volgt slechts het voor beeld van Hendrik, en het zal u altijd welgaan.



[Coster Pagina]

Overgenomen uit: "Bloempjes der vreugd", een bloemlezing van 18e en 19e eeuwse kinderliteratuur, samengesteld door Leonard de Vries

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.