IDEE 61 IDEE 63

Idee 62.



   't Was avend. Een vrouwspersoon hield me aan. Kunt ge niet beter doen dan u verkopen? zei ik, en stootte haar weg. De volgende avend stond ze weer voor my en wierp me myn IDEEËN in 't gezicht. Dat deed me pyn.
   Toen ik 'r weerzag, heb ik haar enig geld gegeven, en de hand.



 

VOETNOTEN

De volgende avend
Met de beste wil kan ik in 't woord avend geen o plaatsen. De gewone uitspraak: avend is  -- op de d na --  geheel in overeenstemming met betekenis en etymologie. Noch in venire noch in abend komt 'n o voor. Ook in aventuur komt die letter niet te pas.
Het gebruiken van de d als slotletter is 'n onwaarheid. De Friezen zeggen  -- op z'n Engels --  avend, brood, bed, enz. en zy hebben dus het recht die d te schryven. Doch byna overal elders sluiten wy zulke woorden met 'n t: "het broo-t-is gaar".
Toch laat ik die ongelukkige d staan, omdat ik anders te veel woorden te veranderen heb, waardoor ik weer vervallen zou in de ongewoonheid die ik, om redenen van hoger belang dan letterziftery, vermyden wil.

(1872)

(terug)


 
..., en de hand
Met verwyzing naar 79 en 134, en als bydrage tot de gegrondheid myner verachting voor Publiek, deel ik hier mede dat dit IDEE is aangevoerd als blyk van onzedelykheid. Gelyk lot viel te beurt aan enige regels uit het zevende hoofdstuk van de Havelaar. In de Arnhemse Courant van 12 December 1870 wordt de Volke, gedeeltelijk met m'n eigen woorden ( 447!) meegedeeld dat ik: "het schone en goede najaag tot in de donkere avond, waarin meisjes over straat gaan om een weinig eer voor een weinig voedsel te verkopen". Even tevoren had de schryver  -- de achtenswaardige man noemt zich Q. --  verzekerd dat ik m'n "tijd doorbreng in het koffiehuis met geborgde sigaren, bittertjes, partijen biljart, enz. enz." Uit welk gedeelte myner werken dit bericht ontleend werd, bleek my niet. Zo ver my bewust is, heeft niemand die zo goed geïnformeerden schryver op z'n plaats gezet. Integendeel. In het onmiddellyk daarop volgende nummer van de Arnhemmer, noemt Dr. Van Vloten  -- wat al te liberaal, vind ik --  het artikel van Q. een "praktisch stuk".

Daar nu die Q. en z'n vrinden niet in-staat schynen uit myn werken te besluiten tot de wyze waarop ik, van m'n kindsheid af, gewoon ben myn tyd door te brengen, voel ik my genoopt tot enigen twyfel of ze wel zeer huishoudelyk hebben omgegaan met hún tyd? Enige oefening in lezen schynt nog altyd niet aan de beurt gekomen te zyn.

(1872)

(terug)