IDEE 101 IDEE 103

Idee 102.


   Als 't bestaan van God moet bewezen worden uit de Natuur, hangen wy weer af van 'isten' en 'anen' en de begrippen over God, van een vlekje in de lens van 't mikroskoop, van 'en millimeter fout in de graadmeter van 'n thermometer of 'n andere meter, van 't yzer in de nabyheid van 'n kompas, van verkeerd berekende straalbreking, van gebrekkig achromatisme in 'n kyker, van... van...
   Ja, van wat al niet!

Sirius is zóveel mylen vér, dus: God is groot.

Dat infuziediertje houdt redevoeringen tegen z'n mede-infuziediertjes, die hem verstaan en begrypen, dus: God is groot.

Die vis heeft een vin die hem in staat stelt volte te maken met een hoek van 1/1000000 graad, dus: God is groot.
   Dit alles is ontdekt door Professer A., Dokter B. en Prosektor C., en deze drie goddienende natuurheren zyn de theologen van de dag.
   De volgende dag blykt er:
Dat Sirius één myl verder staat: God is 'n myl groter.

Dat het infuziediertje verkeerd verstaan is: God is verkeerd verstaan.

Dat die vis minder vlug is dan men dacht, en tot wenden een hoek nodig heeft met 'n nul minder in de breuk: er is een nul minder in 't cyfer der waardering van God.

   Als ik dan toch wil dromen en gissen en mymeren over wat ik niet weet, houd ik 't met de dromerige ouwerwetse theologie. De studie der Natuur is de beste studie, maar men leert er niets uit kennen... dán de Natuur, dat is: alles! En juist omdat God is buiten alles, kan men hem niet leren kennen uit die natuur. (71)