IDEE 134 IDEE 136

Idee 135.


   In die kiesregeling dan is 'n radikale fout. Ik weet wel dat alle menselyke zaken gebrekkig zyn, en 't is al ongelukkig genoeg dat ook de beste inzichten van 'n wetgever vaak worden verydeld door verkeerde toepassing, door afwyking, door ontduiking, door bedrog. Maar juist dit is 'n reden te-meer om de wet-zelf zo volmaakt mogelyk te doen wezen, opdat althans het goede voorgeschreven zy, en 't kwade uitzondering blyve.
   Door de Kieswet nu wordt het kwade tot regel gemaakt, en 't goede tot uitzondering.
   In de gehele Tweede-Kamer zyn hoogstens vyf of zes leden die gekozen zouden zyn door 't Nederlandse Volk, als dat Volk inderdaad z'n afgevaardigden kiezen mocht. Zonder allen te noemen, die door de gehele natie zouden uitverkoren worden om haar te vertegenwoordigen indien de Kieswet haar dit niet belette, en slechts om m'n bedoeling duidelyk te maken, vraag ik of niet de namen van Thorbecke en Van Hall, van Groen en Van Hoëvell altyd zouden voorkomen onder hen die de meeste stemmen hebben? Zo bestaan er nog 'n paar namen, maar niet meer dan 'n paar.

   Ik plaats de namen van Thorbecke en Van Hall, van Groen en Van Hoëvell met voordacht naast elkaar, om te doen in 't oog vallen hoe hier geen spraak is van zogenaamde staatspartyen. De vier mannen die ik noemde, zyn in Nederland bekend, door 'n groot gedeelte der Nederlanders geacht, en kunnen worden opgegeven als vertegenwoordigers der mening van velen.
   By konkurrentie evenwel in 't ouderwets-behoudend kiesdistrikt zouden de heren Van Hoëvell en Thorbecke de stryd verliezen tegen iemand die  -- hoe onbekend en onbeduidend ook overigens --  meer geestverwanten telde in dat distriktje, en zo zou 't ook gaan met de heren Groen en Van Hall, wanneer ze tegenover deze of gene liberale nietigheid moesten worden gewogen door 'n kiesdistriktje waar 't zogenaamd liberalismus à l' ordre du jour was.
 Van misbruiken spreek ik thans niet, ik spreek van de wet. Hoe gebrekkig die is, hoe schadelyk, hoe gevaarlyk, zal, meen ik, ieder in 't oog vallen zonder verder betoog. Toch zal ik 't verder betogen, maar om welwillend gehoor te mynen voor 't bewys a priori  -- het bewys dat zo'n Kieswet geen goede uitslag hebben kán --  wil ik u even vooraf en a posteriori aantonen, dat die wet inderdaad 'n zeer ongelukkige uitslag heeft.

   In m'n stuk over "Vrye Arbeid" val ik zeer laag neer op de Tweede-Kamer. Daar bewys ik niets, ik schets maar, en men heeft het recht die schets karikatuur te noemen. Doch ook 'n karikatuur heeft waarheid nodig tot grondslag.
   Een tekenaar, byv. van de Charivari, stelt Dupin voor  -- Dupin, de ex-president van de Assemblée Nationale --  als 'n boers-gekleed man. Z'n schoene zyn breed, lomp, grof, ware schuiten.
   Nu is de vraag niet, of Dupin wel zulke schoenen draagt? De vraag is: ligt er waarheid in de mening die de artist heeft willen uitdrukken, dat de heer Dupin zich kleedt als 'n buitenman? Zulke waarheid nu zoeke men in karikaturen, die wanneer ze goed worden begrepen, groot nut kunnen doen.
   De vraag over m'n charge van de 'geachte leden' is alzo niet: spreken en handelen die leden zo als ik ze daar spreken laat? De vraag is: staat onze Tweede-Kamer inderdaad op zo'n lage trap als ik heb willen te kennen geven in m'n overdreven schets?
   En dit is zo. De schoenen van Dupin zyn iets minder lomp dan de Charivari die tekent, maar dat Dupin zich voordoet als 'n boer, is de waarheid.

   Onze Tweede-Kamer is inderdaad, op vyf of zes uitzonderingen na, 'n verzameling van nietigheden. En wat zulk 'n verzameling kan tot-standbrengen, is afteleiden uit 456 en 9. De geschiedenis van die Kamer zou 'n treurige staalkaart wezen van Nederlandse hoedanigheden, als we moesten aannemen, dat de leden waren gekozen door 't Nederlandse Volk. Laat ons dus ter ere van dat volk zo dikwyls mogelyk de vreemdeling toeroepen: beoordeel ons niet daarnaar! Niet wy hebben die heren gekozen... zie onze Kieswet.
   Maar het schryven van die geschiedenis zou 'n groot en tevens 'n ondankbaar werk zyn. Ik wil trachten de nietigheid van de Kamer op korter wyze aantetonen, en beroep me op de zaken waaromtrent partyen in confesso zyn.

   Ik heb gezegd: er is verrotting in de Staat !
   Tegenspreken zou niet bewyzen dat de Staat gezond was, maar ik zou verplicht wezen m'n stelling te verdedigen, en de uitslag zou aantonen of ik recht had.
   Doch zie... men spreekt niet tegen. Ik behoef niet te bewyzen. Men bekent dat ik gelyk heb!
   Men? Wie?

   Ik beschouw de dagbladen  -- zoals ze thans zyn --  volstrekt niet als vertegenwoordigers van de publieke opinie. Maar wanneer die bladen, zó kort na 'tgeen ik hun toevoegde in m'n stuk over Vrye Arbeid, zó kort nadat ik afstand deed van alle sympathie of hulp van hun kant, volmondig toestemmen dat ik gelyk heb in de hoofdzaak: bedorvenheid der politieke atmosfeer, dan geloof ik ze te mogen aanhalen als bewys dat ik eenvoudige ronde waarheid zeide, waar men my ouder-gewoonte verdacht hield van excentriciteit.
   En, zoals althoos, ik maak geen onderscheid tussen staatkundige partyen. Alle getuigenissen aantehalen zou my te veel plaats wegnemen, ik verzoek dus my te mogen bepalen tot het citeren van twee geheel verschillende bladen, die in zekere zin kunnen geacht worden de twee richtingen te vertegenwoordigen, waarin de stroom der publieke opinie zich verdeelt.

   In de Arnhemmer van 12 februari 1862, wordt betoogd dat wel-is-waar de Tweede-Kamer allerellendigst is saamgesteld, maar dat men die  -- om meer of min goede redenen --  op dit ogenblik niet behoort te ontbinden. Om goed begrepen te worden, zal ik 't hele stuk hier laten volgen, met onderstreping van wat ik meer rechtstreeks nodig heb voor m'n doel, nl. te doen zien dat niet alleen ik verontwaardigd ben over de onbekwaamheid, de onbeduidendheid, de middelmatigheid onzer vertegenwoordigers.
   De drie woorden op 'heid' had ik kunnen samenvatten in dit ene: misdaad. Want, ook zonder te spreken van omkoping of ogendienst, het is misdadig plichten op zich te nemen van welker goede vervulling zoveel afhangt, zonder tot dat vervullen instaat te zyn.
 

   Nu hoop ik dat men zeggen zal: die Arnhemmer is verdacht van partydigheid. Zyn oordeel over de Kamer kan voortvloeien uit byredenen, onverschillig welke. Goed. Ik wys dus op 'n ánder orgaan, op 'n blad dat het Volk tracht voorttedryven in ándere richting dan de Arnhemmer. Ik kies daartoe de oude Amsterdamsche Courant, die zich nooit schuldig gemaakt heeft aan radikalismus of excentriciteit. Laat zien wat zy te zeggen heeft over de algemene zaak en de Tweede-Kamer. Waarschynlyk zal men inzien dat ik slechts wáár was, toen ik werd gehouden voor ál te fors. "Er is verrotting in de Staat" had ik gezegd...
   Verrotting is 'n sterk woord, dat alleen by overdryving kan gezegd worden door iemand die persoonlyk diep gekrenkt, eigen smart neemt voor redenering, eigen grief voor bewys. Door iemand die z'n oordeel niet put uit z'n verstand, maar uit exceptionele indrukken...
    Verrotting is 'n woord dat alleen kan gebruikt worden door 'n persoon die door lang lyden z'n taal vergat. Die de waarheid overzet in b dur. Door iemand die klacht geeft in-plaats van betoog, en voor 'n woord, 'n gil...
    Verroting zou niet gezegd zyn door 'n kalm, bedaard, bezadigd mens. Er is pyn nodig, en overdryving door smart, om zo'n woord uittespreken...
    Zegt ge zo?
    Welnu, luister dan en verneem hoe de bezadigde Amsterdamsche spreekt:

 


 

   Tot dusver de Amsterdamsche Courant. Een weinig verder herhaalt ze de verklaring dat er "een volslagen bedorven geest heerst in de Vertegenwoordiging", ze spreekt van de karakterloosheid der Tweede-Kamer, en alsof dit alles niet genoeg ware, alsof ze er aan hechtte myn woord: 'verrotting' te yken, door 't nogeens natespreken op andere wyze en in andere taal, betuigt zy: 'de Tweede Kamer is... hetgeen de Engelsen zeggen van hun Parlement in gelyke omstandigheden... a rotten Parliament!'
   Ter-loops wys ik hier op de aanhaling uit de Nieuwen Rotterdammer, 'n "geacht blad". M'n woorden worden dus herhaald, bevestigd, versterkt door drie organen van de publieke opinie, door:

   Zy allen roepen om 't luidst: karakterloos, bedorven, verrot!
   Ik, die zo excentriek scheen voor weinig tyds, zal weldra moeite hebben om sterker uitdrukking te vinden voor m'n verontwaardiging, dan al die zeer incentrieke verkondigers en voorlichters van de openbare mening.
   Bedorven... verrot!
   Dat zyn nu niet meer mijn woorden alleen, Nederlanders  -- wél waren 't myn woorden 't eerst ! --  dat zeggen thans uw couranten. Ik ga nu voorby hoe diezelfde couranten dapper hebben meegewerkt om u aantesporen tot het byeenbrengen van al de bestanddelen die oorzaak waren der verrotting van 't geheel. In m'n Vry-Arbeid zyn uw kranten voorlopig genoeg bedeeld.

   Bedorven... verrot!
   Uw Vertegenwoordiging, Nederlanders, is bedorven.
   Neemt ge daarmee genoegen?
   Het lichaam dat waken moet voor uw dierbaarste belangen, voor uw bezittingen, voor uw staatkundige waardigheid, voor uw vryheid en voor uw eer  -- ik heb geen tyd tot rechtzetten van de klimax, die verkeerd is, helaas! --  dat lichaam is verrot...
  Neemt ge daarmee genoegen, Nederlanders?

   In m'n Vry-Arbeid zeg ik: de vreemdeling zal vragen wat hy te denken hebbe van de rest, als de élite van 't Volk...
   Ja, als de élite van 't Volk, de gekozenen, de uitverkorenen, en bloc genomen  -- jammer genoeg voor de enkelen die 'n eervolle uitzondering maken --  als de élite saamgenomen, door mannen van allerlei inzichten, door henzelf die 't hunne toebrachten tot dat kiezen...
   Als de élite van 't Volk door die mannen met touchante eenstemmigheid wordt uitgemaakt voor 'n verrotte boel?
   Ja, vreemdeling, ik vraag als gy: wat heeft men dan te denken van de rest?

   Ik zeide dat de Tweede-Kamer 'n verrot lichaam was... ik 't eerst!
   Toen werd ik gehouden voor plat, triviaal, onbeleefd, voor onfatsoenlyk misschien...
   't Doet me genoegen dat nu zoveel anderen even onfatsoenlyk zyn geworden, even triviaal.
   M'n IDEEËN zullen langer leven dan 'n krant. Ik heb door 't overnemen van beide artikelen uit de Arnhemmer en de Amsterdamsche, gezorgd dat men later by 't lezen van m'n filippika in Vrye Arbeid inzie: qu' il y avait de quoi!

   Zodra mogelyk kom ik op dit onderwerp terug, en ik zal 'i nog dikwyls doen. Het moet wel.



 
 

VOETNOTEN

Van misbruiken spreek ik thans niet
   Dit wordt wel gedaan in de voor omstreeks een jaar by de uitgever De Graaf te Haarlem verschenen brochure van de heer Van Vloten, 'n stuk dat de behartiging overwaardig is. Het daarin tentoongesteld voorbeeld van de mogelykheid  -- ik zeg: van de waarschynlykheid, jazelfs van de zekerheid --  dat de uitdrukking van de Volkswil vervalst wordt, is sprekend.

(1879)

(terug)


 
er is verrotting in de Staat
   In m'n "Over Vrye Arbeid en de Koloniale Agitatie". Men vindt in dat werkje de oorzaak die my aandreef tot het schryven dezer IDEEËN

(1872; in 1879 geschrapt))

(terug) 


 
...het vormen van nieuwe politieke gevoelens.
   Zonder het te willen, want de Arnhemmer laboreert nog altyd aan de stelselziekte, zegt hy hier wat ik op 't slot van m'n stuk over Vrye Arbeid bedoel met de DERDE PARTY. Juist: nieuwe politieke gevoelens!

(1862)

(terug) 


 
wij twijfelen aan die zamenwerking geen ogenblik
   Die gerustheid is niet vererend voor 't ministerie. Ik zeg dat ik van de heer Thorbecke te hoge dunk heb, dan dat ik hem in-staat zou achten iets uitterichten met deze Kamer. Ik zie in de heer Thorbecke een man die kracht heeft om tegenstanders te overwinnen, geen man die medestanders begeert of nodig heeft uit het grote kamp der onbeduidende middelmatigen.

(1862) 

   De ondervinding heeft aantoond dat ik van de heer Th. te goede mening had. Hy doet (deed) in middelmatigheid niet onder voor de rest. Hoe die man aan z'n renommee kwam, is my een raadsel. En 'n raadsel zal 't ook zyn voor ons nageslacht.

(Noot van 1872, met de meeste nadruk in 1879 herhaald!)

  (terug)


 
de meeste kans om een meerderheid te vinden
   Ik zou 't betreuren als de heer Thorbecke de moeite nam zich hierop toeteleggen. De Arnhemmer zegt eigenlyk: "die Kamer is zo laag gezonken, dat ieder daarvan maken kan wat hy wil."  't Is de scherpste veroordeling der zedelyke waarde, die men uiten kan. 

(1862)

  (terug)


 
er zou tussen beiden een wederkering mistrouwen heersen
   Alsof dat niet ook nu 't geval was!

(1862)

(terug)


 
terwijl er zoveel dringend werk voorhanden is
   Kurieus! Er is veel dringend werk. Uw werklui deugen niet. Maar roept geen ander werkvolk want... er is zoveel dringend werk! Zo redeneert alleen een dagblad.

(1862)

(terug)


 
...van 'politieke lafhartigheid' beschuldigd heeft
   Wat leert men hieruit? Dat die hele zogenoemde politieke richting gekheid is, en duitenplatery. Er is maar één richting, dat is: de richting naar waarheid. Wat daar-buiten is, daar-boven, daar-beneden, daar-bezyden, is uit den boze.

(1862)

(terug)


 
...nimmer in voorname kiesdistricten
   Ei... men stemt dus toe dat de vertegenwoordigers niet zyn de vertegenwoordigers van 't Nederlandse Volk? Ik neem er akte van, en stel voor te bepalen: "voortaan zal ieder lid van de Kamer niet hebben een gehele stem, maar slechts zoveel zeventigste gedeelten van 'n stem als z'n distrikt delen voornaamheid bezit". Dit is de onvermijdelijke konklusie van die distriktskiezery. De heer Thorbecke is gekozen door Kralingen. Kralingen staat tot Nederland gelyk 1 : 1000. De stem van Mr. Thorbecke geldt voor 1/1000 stem.
Quod absurdum.

(1862)

(terug)


 
dagbladen-fiktie
   Weer neem ik daarvan akte. Een dagbladschryver  -- en 'n geacht dagbladschryver, de heer De Bull is niet le premier venu --  spreekt van "dagbladen-fiktie". Heb ik ooit iets anders gezegd?

(1862)

(terug)


 
kiezers van de voornaamste districten
  Adstruktie van de voorlaatste noot. 

(1862)

(terug)


 
niet de vervulling van een algemene nationale wens achten
  Goed! Akte, akte! Zó doet de Vertegenwoordiging, maar zó en heel anders, wil 't Volk!

(1862)

(terug)


 
Neemt ge daarmee genoegen, Nederlanders?
   O ja, nog altyd! En de ziekte is verergerd. Uit de tekst blykt dat men in '62 nog besef had van de kwaal, en op herstel aandrong. Thans is ze chronisch geworden en men berust er in.

(Noot van 1872 en... 1879)

  (terug)