IDEE 137 IDEE 139

Idee 138.

(Vervolg van 132)


   Ik ontvang van de heer Höveker 't volgend briefje:

Weledele Heer,

Ik begrijp niet recht UEd's bedoeling. Gaarne echter zag ik van het bewuste stukje geen gebruik gemaakt.
Ik heb de eer, enz.

   De heer Höveker begrypt m'n bedoeling niet? Ik ben zeer gewoon aan gebrek aan begrip, zowel by anderen als in mezelf, maar ditmaal...
   Eilieve, wat kan er duisters liggen in m'n bedoeling? De Heer Höveker heeft, met loffelyke zucht om z'n medemensen te waarschuwen tegen de verderfelyke invloed des Bybels, 'n boekje uitgegeven waarin die invloed in vry scherpe omtrekken wordt geschetst. Ik schryf hem dat z'n waarschuwend werkje ondanks de lage prys niet genoeg verspreid is, en vraag vergunning het overtenemen in m'n IDEEËN die door 't land gaan.
   M'n bedoeling? Wel, m'n bedoeling is meetewerken tot de verspreiding van nuttige wenken die in dat boekje worden gegeven, anders niet.

   Hoe, de Heer T.M.Looman  -- zo heet de vertaler van het in 't Duits geschreven werkje --  geeft in eenvoudige doch indrukwekkende taal, 'n tafereel van de vreselyke gevolgen der bidstonden, van bybellezing en dergelyke tot krankzinnigheid leidende  -- of van krankzinnigheid getuigende --  uitspattingen, en de heer Höveker, de uitgever, staat my niet toe gebruik te maken van de nuttige wenken die hy verkrygbaar stelt tegen drie gulden de honderd exemplaren?
   Hoe, ik hoor brand roepen, en mag niet herhalen: brand!
   Hoe, de schryver van 't verhaal der "geestelyke opwekking" te Elberfeld, zegt ons dat er 'n leeuw op ons pad is, en de heer Höveker handhaaft z'n kopyrecht op die waarschuwing?
   Waarlyk, ik begryp de heer Höveker niet.

   Van geldelyk voordeel kan hier geen sprake zyn. Een werkje dat voor vyf centen te verkrygen is, komt me als fondsartikel niet zeer belangryk voor. En al ware dit anders, er ligt wreedheid in 't tegengaan der verspreiding van zo nuttige waarschuwingen als in dat kleine boekje worden gegeven.
   Een kort verslag evenwel  -- altyd in het belang der zaak --  zal my geoorloofd zyn. Misschien zal men na 't lezen daarvan, het Spaanse vonnis waarvan ik sprak in 132, minder ongerymd gaan vinden.

   Er schynt 'n Evangelisch Verbond te bestaan, dat in de publieke bladen Christenen heeft opgeroepen om bedestonden te houden in de week van 6-13 januari 1861. Achttienhonderd 61, achttienhonderd, niet vyftienhonderd, niet dertienhonderd, niet zeshonderd, niet éénhonderd, Ik spreek van 't één en zestigste jaar der negentiende eeuw!
   In die week dan van dat jaar zouden alle Christenen gemeenschappelyk bidden. Of alle Christenen 't gedaan hebben, weet ik niet. Ik denk, neen. Ik althans heb weinig of niets gehoord van de gevolgen die zo'n biddery blykt na zich te slepen.

   De suppoosten van 't stadsweeshuis te Elberfeld "voelden zich opgewekt, om ook van hunne zijde gemeenschappelijke bidstonden te houden, en de Heer, behalve in de door het verbond voorgeschreven algemene aangelegenheden van het Godsrijk..."
   Sic. Dat "Verbond" schynt de aangelegenheden van 't Godsryk voorteschryven. Behalve dáárin alzo:
   "De Heer inzonderheid aanteroepen om de bekering van de aan hunne zorg toevertrouwde kinderen, wier verregaande lichtzinnigheid hun reeds sedert lang menige zucht had afgeperst, en hun gemoed ter neder gedrukt had..."
   Ik ben innig begaan met die zuchtende, ter-neder-gedrukte suppoosten, en tuchteloos als ik ben, wil ik even ter-zy springen om wat te zeggen over exordia.
   Een exordium, voor wie 't niet weet, is de eerste akte van 'n drama. Knoop, ontwikkeling, beloonde deugd, toepassing, baasspelend fatum en ryke ooms... dat alles komt later.

   Hebt ge nu ooit 'n zo schoon "eerste bedryf" gelezen als ik u gaf in de weinige kursief gedrukte regels waarmee 't weeshuis-drama aanvangt? Al de dramatis personae werden u in één pennestreek voorgesteld en geschilderd. Ge voorziet stryd. Stryd tegen de lichtzinnigheid van die kindertjes. Ge voorziet droefheid. Zeker, de suppoosten hadden al jaren gezucht. Ge voorziet overwinning in de vyfde akte. Ja, overwinning, want alle Christenen zullen tegelyk bidden van 6-13 januari. Als dát niet hielp, mocht de drommel-zelf dramaas maken en bidstonden uitschryven.
   En toch  -- want  ik wil rechtvaardig zyn, zelfs jegens schryvers van  toneelspelen --  toch is er 'n fout in de aanhef. De boze tante, de onverbiddelyke voogd, de valse knecht, de tegenwerkende kracht is vergeten. Dat is in dit geval, zoals in veel gevallen, de duivel.

   Gegeven: 'n "Evangelisch Verbond", zuchtende en saamgevouwen suppoosten, biddende Christenen en 'n "Heer"... zie, dat alles wil dezelfde weg op. De stryd van al die elementen tegen de lichtzinnigheid van weeskindertjes zou wat al te gemakkelyk wezen, zou te weinig kans bieden op de in christelyke bedestonden en toneelspelen zo onmisbare katastroof, wanneer niet de lichtzinnigheid werd gesteund door zekere macht, sterk genoeg om vyf akten lang de stryd voltehouden. Welnu, die macht komt dan ook wel degelyk in 't stuk voor, maar ik had gewenst die met 'n enkel trekje aangeduid te zien in 't overigens schone exordium. By herdruk stel ik voor, aldus te beginnen:
   "De duivel, die niet begrypt hoe ernst en deftigheid past aan weeskindertjes, had de wezen te Elbersfeld lichtzinnig gemaakt."
   Daarop zou dan heel geleidelyk volgen: 't biddend Christendom, de suppoosten en de welbekende "Heer".
   Doch dit kleine vlekje ontneemt niets aan de waarde van de diamant.

   De aanhef eindigt met de geruststellende verklaring dat de Heer het gebed verhoort, dat Hij helpt boven bidden en denken, dat geen arbeid in Hem te vergeefs is.
   Zeer juist! De "Heer" en de suppoosten, en al die biddende Christenen zullen de stryd tegen de duivel winnen. De arme duivel die altyd wordt overwonnen  -- en altyd op-nieuw gereed is ten-stryde --  moet ook hier alweer de stryd opgeven. Hy wordt gedwongen de lichtzinnige geest van de weeskinderen te doen uitvaren, die ter schadeloosstelling worden bedeeld met 'n grote maat van vrome, suppoostbehagende, christelyk-bidstondächtige, de "Heer" welgevallige krankzinnigheid.

   Ik betreur zeer dat my 't verlof geweigerd is het pronkstuk in z'n geheel te geven. Ik mag maar 'n paar punten aanstippen.
   Reeds op de dertiende januari was een van de meisjes "stil, en zigtbaar inwendig aangedaan". Die datum geeft stof tot nadenken, en tot bewondering van de wysheid der Evangelische Verbonden. Men had bidstonden uitgeschreven van zes tot dertien januari, en ziet, reeds op de dertiende was een van de meisjes stil.
   Het nut der gebeden-zelf ga ik nu even voorby, om alleen te wyzen op de maat der gebeden. De kunde van 'n arts toch openbaart zich evenzeer in de hoeveelheid als in de soort der geneesmiddelen die hy toedient.
   Men zou bidden. Goed, maar hoeveel, hoelang? Wat was de nodige dosis van 't gebed? Het Evangelisch Verbond zeide: van zes tot dertien januari. Niet: van zeven tot veertien. Niet: van vyf tot twaalf. Een volle week, en juist die week.
   Wanneer werd een der meisjes "stil en inwendig aangedaan"?
   Op de twaalfde? Neen, 't Zou schynen of het bidden van de dertiende overkompleet was.
   Op de veertiende? Nogmaals neen. Men zou in dat geval mismoedig zyn geworden op de laatste biddag.
   Een van de meisjes moest "stil worden, en inwendig aangedaan", juist op 't ware ogenblik. Niet later, opdat men niet vertwyfelde aan 't effekt. Niet vroeger, opdat niet de hoeveelheid gebeds te groot voorkwam.

   "Tegen de avond klaagde zij de vader of directeur, over ziele-angst..."
   Heel braaf!
   "De volgende dag werd zy weder even onrustig."
   Heerlyke onrust!
   "Kort daarna kwam een tweede meisje bij de vader, en klaagde over angst en zondennood. Zij verzocht om de sleutel ener vrije kamer, om in stilte te bidden. Er werd van de zaak geen gewag gemaakt."
   Waarom niet? Ik begryp dit niet recht. Ook vind ik 't nogal moeielyk voor bestuurders van weeshuizen, om by zulke gelegenheden ieder kind 'n lokaal à part te geven.

   Nu kwamen er verscheidene meisjes die "aangegrepen" waren, en de "vader" begon meetebidden.
   Maar ziet, 'n afzonderlyk lokaal, 'n "vrye kamer" scheen niet meer aan het doel te beantwoorden. De "vader" werd geroepen by 'n jongen "die op de keldertrap lag". Deze "had een hevige zielestryd". Men wenste dat "allen zich alzo mogten neerwerpen voor de Heer".
   Ik vrees dat dit de passage naar de kelder zou belemmerd hebben.
   De "vader" bad met de "aangevochten jongen".
   Hier eerst komt de Duivel in 't spel, die we zo ongaarne misten in 't exordium.
   Nu liepen vier jongens, "mede aangegrepen, naar de badkamer".
   Ik prefereer die kelder boven de trap.

   "Thans waren zeven jongens aangegrepen, en wel zó krachtdadig dat ze niet konden slapen."
   "De ganse nacht bragten zij door met bidden en smeken" en 't hielp zó "dat ze smaad en spot konden verdragen".
   Dat zou my te-pas komen! Zodra mogelyk maak ik 'n uitstapje naar die kelder. Maar... wie smaadde hen? En waarom toch?
   "Zij baden over dag in ieder vrij kwartiertje, lazen en verklaarden (!) de H. Schrift."
   Die "verklaringen" zullen kurieus geweest zyn.
   "Toen werden er zeven andere jongens overtuigd van hunne zonden."
   De volgende avend lagen "zestien jongens op de knieën of op het aangezicht".

   In gewone gevallen keur ik 't af dat men z'n aangezicht gebruikt om er op te liggen. Ik geloof dan ook zeker dat het daarvoor niet gemaakt is. Maar zo'n drama heeft byzondere eisen.
   Op 31 januari werd er door 'n kind van tien jaar 'n toespraak gehouden die klonk als 'n klok, en door 'n veertienjarige jongen 'n gebed uitgesproken: "waarvan men met verbazing bemerkte dat de H. Geest het had gewerkt:.
   Die verbazing is overkompleet. Na al 't bidden om die Geest, verbaas ik my over die verbazing.
   Daarna las dezelfde jongen Openbaring 21, en het tienjarig kereltje hield daarover 'n "uitweiding, waarbij men dikwijls moest denken: vanwaar komen deze zulke dingen?"
   Wél, van de Geest, dat 's klaar!

   's Avends baden er dertig jongens en even zoveel meisjes. Na die bidstond gingen de "aangegrepen jongens weder naar de kelder, en baden..."
   Ter afwisseling zeker. Onder ons, ik denk dat er ook meisjes naar de kelder gingen, maar dat de gewyde schryver dit verzwygt omdat de wereld boze gedachten heeft.
   Eén jongen was "verstokt"... als Koning Faro, denk ik. Hy "wou niet zalig worden", had hy gezegd, "al werd ook ieder zalig".
   Daar is originaliteit in die Elberfeldse Radboud, maar 't bekwam hem slecht, dat zult ge zien.
   Door bidden en weerbidden kreeg ook hy 't eindelyk te-kwaad. Eerst klaagde hy "dat zijn kracht half gebroken was". En 'n ogenblik later "gaat hij ook naar de kelder".
   "Hij valt ogenblikkelijk neder, kermt en valt in de hevigste stuiptrekkingen neder (tweemaal vallen: sic) zodat hij weer naar boven moest gedragen worden".
   "De stuiptrekkingen duurden meer dan drie uren."
   "Tegen vier uren vertoonden zich  -- voor de verandering al-weer --  de stuiptrekkingen."
   "Toen uitte hij dat hij nú geloven kon."
   Parbleu, il était payé pour cela! Na zoveel stuipen!
   " 's Avonds te zeven ure viel hij weer in..."
   In wát? denkt gy? Ditmaal in:
   "Stuipen, die tot elf uur duurden. Hij had een geweldige honger..."
   Honger, appetyt, trek, begeerte... naar wat? vraagt ge weer. Raad eens. Ik  geef 't u in drieën, in zessen, in tienen...
   "Honger naar... zielespijs."
   "Hij zocht met krampachtig bevende vingers kapittels uit de bijbel op, onder anderen Ps. 23."
   "Hij geraakt in verrukking. Hij nam in handen een tabel waarop een gezangvers stond uitgedrukt, en maakte de indruk als wilde hij de inhoud verslinden."
   Ik geloof 't graag. Met zo'n honger!

   Na achten hielden de stuiptrekkingen eensklaps op. Een weinig later kwamen ze terug. Toen werd hy "kalm, en bad". De stuipen lieten zich weder niet wachten. Eindelyk ontving hy de "behoorlyke vrede des gemoeds, die hij tot nog toe behouden heeft".
   Nu... gestolen heeft de arme jongen die vrede niet!
   Maar nu wierpen zich vele anderen neder voor de "Heer". 's Namiddags baden 37 jongens. Er staat ditmaal niet by of 't in de kelder was. Maar we vernemen by deze gelegenheid "dat de Geest blaast waarheen hy wil".
   Dat vind ik pleizierig voor de Geest. Verbeeld u de onaangename pozitie van 'n Geest die maar mag blazen in één richting. Of van 'n Geest die niet vry is in zyn blazen. Of van 'n Geest die in 't geheel niet blazen mag.

   "Grotere beweging onder de meisjes. 's Avends algemene bidstond."
   Wat al variatie in de stoffering. Bidden en stuipen. Stuipen en bidden! Maar nu gebeurde er iets dat lastig wezen zou in vergaderingen, als 't mode werd. Meer dan zestig jongens en even zoveel meisjes hielden zich ditmaal bezig met bidden:
   "Na 't gezang bad de voorganger eerst; terstond na hem een der suppoosten, en daarna sloeg een opzichter een gedeelte der Heilige Schrift ter lezing voor, waarna hij  -- ter afwisseling altyd --  een gebed wilde doen."
   Maar die opzichter had gerekend buiten 'n "elfjarig jongetje" dat vóór hem begon te bidden, en wel zó: "dat hij er niet toe komen kon".
   A la bonne heure!.
   En hoe bad dat kereltje? Hy bad zo "schriftuurlyk dat het allen door de ziel ging". Vervolgens begonnen er anderen te bidden, namelyk:
   "Vier of vijf jongens, ook de knaap die de vorige avond in stuiptrekkingen gelegen had."

   De arme opzichter kon maar niet aan de slag komen. Er is 'n schone dramatische spanning in 't vruchteloos streven van die man om te verlossen van z'n gebed. Maar zie, 't jongetje, dat de vorige avend "stuiptrekkingen" had gehad, kreeg ditmaal... "stuiptrekkingen". Dat komt er van als men 'n opzichter niet aan 't woord laat komen! Gelukkig duurden de stuipen ditmaal niet lang, want kort daarop:
   "zong hij lofliederen." "Allen waren ontroerd." "Niemand kon zich inhouden." "Ieder liet zijn tranen de vrije loop." "De meisjes snikten en weenden luid." "Er moesten twee volwassenen en verscheiden kinderen naar buiten gebragt worden."
   Wat 'n levendigheid in de aktie! Naar binnen, naar buiten, naar boven, naar beneden, naar de kelder, op de trap... gedurig verandering van toneel. Later:
   "baden enige jongens." "De beweging werd hoe langer hoe sterker."
   De plus fort en plus fort!
   "Over de tijd was men geen meester meer.I
   Waarom denkt ge? Omdat de horloges verzet waren? Omdat er verwarring was in 't klokkespel van het Elberfeldse weeshuis? Volstrekt niet! Men was:
   "over de tijd geen meester meer, omdat de Heer zelf het bestuur in handen had genomen, en zo kon de bidstond eerst te 101/2 uur gesloten worden."

  Die Heer, die Heer! Is dát nachtbraken!
   "Men hoorde overal lof- en dankliederen weêrgalmen. Maar hier en daar lag er ook een die over zijn zonden jammerde! " "In deze nacht werden de Here vele kinderen geboren."
   En, lezer, wat denkt ge dat er plaats vond, de volgende avend? Wel:
   "Een bidstond." "Opwekking onder de kleinere meisjes." "Zeven- of achtjarige kinderen riepen om genade, om een rein hart (!) om de H. Geest voor zich zelve, voor andere kinderen, voor de suppoosten, voor de onderwijzer." "Een der kinderen viel daarbij ALS DOOD NEDER, en bleef lange tijd in koude verstijving." De "vader" moest met drie grote meisjes "bidden". Voor hy daarmee "gedaan had" werd hy geroepen by de andere meisjes "die op de slaapplaats naar hem verlangden".
   En wat vond hy daar? De oude geschiedenis. Neen, niet geheel. De meisjes lagen ditmaal "op hare knieën in de bedden" wat dan ook makkelyker is dan op 'n trap of in de kelder. Maar overigens  -- o heerlyke overeenstemming in verscheidenheid! --  overigens: "luid roepen om genade en ontferming, wenen en snikken en jammeren", en tussen dat alles in: "bidden". "Op de naaste gangen gebeurde..."
   Wat zou er nu op de naaste gangen gebeuren, denkt ge? Wel, op de naaste gangen gebeurde: "hetzelfde". Merk op, lezer, hoe de schryver éénheid van handeling weet te huwen aan verscheidenheid van plaats. Men weent, huilt, jammert, stuipt en bidt op de trap, in de kelder, in 'n "vrye kamer", in de bedden, en nu eindelyk in de gangen.

   "Na middernacht kwamen de meisjes tot rust."
   Ge meent misschien dat ze naar bed gingen pour tout de bon ditmaal... mis!
   "De meisjes kwamen tot rust, plaatsten zich in groten getale op een der trappen in de naaste gang, en zongen", een liedje, waarin zy de "Koning der ere" uitnodigden te zien "hoe zij zich nederwierpen aan de voet van zijn troon..." d.i. op die trap. Dit wordt door de schryver het "aandoenlijkst toneel" genoemd.
   De volgende morgen hadden vele meisjes vrede gevonden, maar anderen "lagen nog in worsteling". Er moest weer 'n jongetje weggebracht worden, en nog drie anderen "die zeer over hunne zonde kermden". De kinderen wensten die avend...
   Weer moet ge raden. Welnu? De kinderen wensten die avend: een "bidstond". Tegen zo'n hardnekkige biddery is geen Duivel bestand. "Vier kinderen vielen neder, en moesten weggedragen worden." Onder dezen was een leerling die niet tot het huis behoorde maar die binnengeleid was "door een onzichtbare macht". Op weg werd hy "gedwongen hard te lopen". "Vele dagen achtereen had hij moeten worstelen, en was daarbij letterlijk BRULLENDE". (Hu)! "De volgende dag viel 't ene kind na 't andere in zwijm". "De kinderen hadden stuipachtige aanvallen... verloren de spraak... sloegen voortdurend met de handen... alle engelen in de hemel zullen zich verblijd hebben."

   Ik heb er niets tegen, maar blyf er by dat het 'n zonderling amuzement is, en dat die engelen met weinig tevreden zyn.
   Een jongen van zeventien jaar had zich onvoorzichtig uitgelaten. By 't zien van 'n kermende knaap had hy gezegd "ik wilde wel dat ik ook eens in zulke worsteling viel". Dit had hy niet moeten zeggen, want "plotseling zakt hij in een, stampt met de voeten, weent en steunt, slaat met de handen, en klaagt hoe de SATAN hem heeft aangegrepen, en hem de mond toehoudt als hij bidden wil". Hy zag er "ijzingwekkend" uit. Een jongen, die hy omarmde, riep "hij krabt mij! " Hij waarschuwde deze, die niet wilde gekrabt worden, tegen de Duivel: "Th." riep hy, "bid, hij krijgt u gewis".

   De 7de februari lagen twintig jongens gelyktydig te-bed, en konden grotendeels niet spreken. Voortdurend stuipen. "Hoe hoger de nood, hoe krachtiger 't verlangen naar 't gebed. Zij baden de Here, dat hij als de sterkere, niet meer toelaten wilde dat zij door de boze vijand nog langer aangevochten werden."
   Ik voor my vind dat de Here daaraan al lang 'n eind had moeten maken.
   Eindelyk bidt 'n tienjarig jongetje heel aardig. Hy zegt dat zoveel jongens "lauw" zyn in 't gebed.
   Ik vind, dat schikte nogal.
   Vervolgens betuigt hy "dat hijzelf zo lauw geworden is, maar dat hij niet weer lauw worden wil". Hy vraag om zegen op 't weeshuis "waarin wij 't zo goed hebben".
   O, die kleine vleier!
   Maar hy vindt niet goed "dat men zo weinig dacht aan..."
   Weer geef ik 't u te raden in drieën!
   "Dat men zo weinig dacht aan de Syrische Christenen."
   Hoe vindt ge 't toch lezer? Zo'n kleine politikus!
   "Help hen toch!" zegt hy tot de Heer. Maar hy doet ook een goed woordje voor de Mohammedanen "die een valse profeet hebben, maar trouw in hunne godsdienst zijn. Zij gaan waarlijk met hun koran trouwer om, dan veel Christenen met de bijbel!" Ei?
   Eindelyk bidt hy voor de Hollanders in watersnood.
   De heilige schryver verzekert ten-slotte, als bewys van de rykdom der genadegaven Gods, dat van de 295 kinderen in 't Elberfeldse weeshuis, het grootste gedeelte AANGEGREPEN IS, en dat... o hé, 't zal nu wel genoeg zyn!

   Lezer, zonder u te willen overhalen tot goedkeuring van 't Spaanse vonnis, durf ik u toch, ná dat alles vragen of ge u niet kunt voorstellen dat mensen die veel houden van hun kinderen, mensen die minder zachtmoedig zyn dan gy en ik, mensen die misschien bericht ontvingen van de toestand der Elberfeldse wezen... dat zulke mensen boos zyn op de verspreiders van boeken die zúlke krankzinnigheid teweegbrengen?