IDEE 157 IDEE 159

Idee 158


   Ik wil iets zeggen over humor, en wat daarby behoort. Alle definitiën zyn moeielyk. (10, 13)

   Verbeeld u dat de maanbewoners die geen onderlyf hebben, geen benen en geen voeten  -- omdat er geen maanbewoners zyn --  verbeeld u dat zo'n maanbewoner, die als gevolg van 't gemis dier dingen  -- wellicht ook uit gebrek aan existentie --  nooit 'n stoel gezien had, u vroeg: wat is by u, aardlingen, 'n stoel? Ik zou 't hem niet kunnen uitleggen. Of, als hy tevreden was met myn uitlegging, zou 't alleen bewyzen dat-i even weinig verstand had van "bepalingen" als van stoelen.
   Toch kan ik u  -- nagenoeg altyd --  zeggen wat humor is. Humor is 't weergeven van de Natuur, anders niet. Dit is zeer eenvoudig. Maar als 't ingewikkeld was, zou 't primo: niet waar wezen, en secundo: dan had ik 't u niet hoeven te zeggen, want ingewikkelde waarheden zyn van algemene bekendheid. Zie de man die met z'n kind voor me uitging te Brussel, en veel andere mannen en kinderen.
   Humor is 't weergeven van de Natuur. De Natuur-zelf namelyk is zeer humoristisch. Ja, zy alleen is humoristisch, en meer nog, ze is altyd humoristisch. Dat zal ik straks aantonen. Wat wy humor noemen, is slechts kopy daarvan.
   Dat weergeven van de Natuur kan geschieden op velerlei wyze. Men doet het in klanken, in kleuren, in vormen, in blik, wenk, gebaar, kortom, we kunnen die Natuur konterfeiten op zoveel manieren als we middelen hebben om 'n indruk meetedelen.
   Waarin bestaat nu de humor van de Natuur? In haar domheid in-verband met haar algemeenheid.

   Haar domheid.
   De Natuur is zo dom als elk ander werktuig dat naar vaste afmetingen, naar bepaalde  -- neen, naar gegeven --  krachten: hakt, snydt, stampt, drukt, heft, draait, maalt, samenstelt, verbryzelt. Zo'n werktuig is schoon, zegt ge? Ja, als werktuig. Dat is: 't blyft een werktuig, meer niet. 't Is 'n tuig dat werkt, of juister: dat door zekere kracht wordt gedwongen zich zó te bewegen als noodzakelyk is voor 'n doel dat geheel en al ligt buiten 't bewustzyn van dat tuig zelf. Er zou juistheid liggen in de uitdrukking: 't horloge wordt gelopen.
   In 'n koperplettery ziet men, onder andere toepassingen van de stoomkracht, 'n grote schaar die voortdurend gaapt en hapt. Als men niets daartussen steekt, knipt zy de lucht. Doch haar eigenlyk bestemming is koperen platen doorteknippen, dat ze dan ook trouw doet zonder 't minste blyk te geven dat ze 't verschil begrypt tussen die platen en de lucht. Reik die schaar 'n papiertje toe, ze knipt het. Een boek, ze knipt het. Men kan het haar niet aanzien dat ze onderscheid maakt tussen 'n taaie preek of 'n onsamenhangende redevoering.
   Ga verder nog. Ge bezoekt met dames die plettery. De schaar knipt... knipt...
   Dat meisje naast u is achttien jaar. Ze is lief, bevallig, haar middel zoudt ge omspannen...
   Vat haar hals tussen duim en vinger van de linkerhand, gryp haar met uw rechterhand by de enkels, houdt haar horizontaal, strek ze vooruit, breng de taille die ge zo lief vondt...
   De schaar knipte... knipte lucht, gedurende de tyd die ge nodig hadt om 't lieve kind optenemen.
   Breng haar  -- maar voorzichtig, want als gy de schaar aanraakt zoudt ge u bezeren --  breng haar op 't ogenblik als de beide lemmeten de grootstmogelyke hoek vormen, als de schaar gaapt...
   Nu is het tyd... nu... juist... daar hebt ge 't!
   Het meisje is doorgeknipt. Ge houdt in elke hand 'n helft, en de schaar heeft alweer vyfmaal lucht geknipt met dezelfde onverschilligheid, voor ge tyd hadt die twee helften weer byeen te brengen, en u met het doorgeknipte kind te verwonderen over de werktuigeluike domheid van de schaar, die niet weet wat ze knipt. Zo dom als die schaar is de Natuur.

   De Natuur is algemeen.
   Haar domheid hebben we gezien in de koperplettery. Om u opmerkzaam te maken op de algemeenheid der Natuur, nodig ik u uit tot 'n bezoek van 't verkoophuis, of beter van 'n Bataviase toko. Voor niet-Indiërs moet ik hier even zeggen dat 'n toko staat tot 'n winkel als alles tot niets. Het woord winkel, dat eigenlyk betekent: inspringende hoek, stamt uit de tyd toen de ruimte tussen twee uitspringende vleugels van 't een of andere gebouw gebruikt werd tot het verkopen van goederen. Liefst koos men daartoe kerken, wyl die door de kruisvorm en de uitstekende kapellen de meeste 'winkels' vormden. Dit in 't voorbygaan.
   In 'n winkel verkoopt men iets, een soort van goederen. In 'n toko verkoopt men allerlei soorten, alle goederen, alles. Vraag naar schoensmeer, ham, tandpoeder, muzenalmanakken, domineesportretten, bonhommes, duikelaartjes, schaatsen, rouwlint, aandelen in 'n schip, of kuitgespen... dat alles levert u 'n rechtgeaarde toko.
   Zo'n toko is de Natuur. Zy heeft in haar oneindig magazyn: alles ! Lucht, zee, leven, liefde, zwaarte, ziekte, vreugd, schoonheid, karakter, pyn, klank, spoed, traagheid, kracht, groei, ontbinding, dood. 't Doet er nu niet toe of ze dat alles teweegbrengt door één middel: beweging, even als 't ons onverschillig is of 't verkoophuis z'n waren ontvangt in één fabriek. Genoeg, de waren zyn er.
   Maar in 't grote verkoophuis van de Natuur ligt alles door elkander. Die polichinel zit schrylings op de nek van 't bronzen vrouwtje dat haar kind beweent, Napoleon in gips staat tussen twee spellen kaarten, en 'n fles konjak is gewikkeld in 'n traktaatje van de afschaffers.

   Want de Natuur is dom. Ze heeft geen verstand van étalage. Daardoor is ze humoristisch, en wie dat goed natekent is 't ook.