IDEE 158 IDEE 160

Idee 159


   Ja, wél legt ze zonder 't minste oordeel des onderscheids al haar goederen naast elkander. Evenals die domme schaar in de plettery knipt ze lucht, koper en meisjes door, en hapt naar meer, onverschillig wát. Zy zet 'n hansworst op de nek van de martelaar, alsof daar z'n plaats was!
   Uw bruid sterft... 't is heerlyk weer. Ge hebt uw kind begraven... de Natuur hagelt op z'n graf. Gy schreit... de Natuur lacht. Uw gemoed is ontstemd, springt, slingert, stuift... zy gaapt en byt altyd maar voort met laffe lamme lauwe geesteloze onverschilligheid.
   Of, gy juicht... de Natuur vermaakt zich met misten.
   Gy jubelt... zy huilt motregen. Gy voelt u zacht, vriendelyk en goedig... zy buldert donder. Gy zyt in rust... zy jaagt en stormt. Gy streelt, liefkoost en bemint... zy plaagt, sart, zweept, geselt en orkaant, altyd even onaangedaan, altyd even werktuiglyk, altyd even dom, dat is: altyd even natuurlyk.