IDEE 160 IDEE 162

Idee 161


   Er ligt 'n bevestiging myner mening over de domheid van de Natuur, in het by zo velen bestaand geloof dat het intelligent-goddelyke aanvangt waar van haar wetten wordt afgeweken door 'n "wonder".
   Men begrypt eerst de verstandelyke zelfbewuste wil van 'n "God" als de Natuur schynt op te houden.



 
 

NOOT

   Daar die werking der Natuur nooit ophoudt, geen grenzen heeft, is er alzo voor 'n God geen plaats. Wie aan God gelooft, moet wonderen aannemen, op-straffe van inkonsekwentie. Een God zonder wonderen  -- d.i. 'n God die niet mag, kan of wil afwyken van de wetten der Natuur --  is 'n overbodig Wezen. Dit wordt in de volgende IDEEËN betoogd, alsmede in 530, 899, 907, vlgg. Zie ook 1256, vlgg.

(1872)