IDEE 161 IDEE 163

Idee 162


   Maar... hoe moet het anders wezen? 't Moest niet anders wezen. Ik klaag niet ómdat het zo is, maar juist dáárover dat het zo wezen moet. Het is Gods wil. Dit beduidt, naar myn opvatting van de versleten zinsnede: 't is alles 'n gevolg van de noodzakelykheid. Ik had liever te doen met 'n God die vatbaar was voor rede. Maar dit kán nu eenmaal niet.
   Wanneer men zeker voorwerp legt naast 'n ander voorwerp, dan aanschouwen, bezitten of tellen wy: twee voorwerpen. Doch ook waar wy niet aanschouwen, bezitten of tellen, geheel buiten ons om: de twee voorwerpen zyn er. Dit is Gods wil, namelyk: 't is noodzakelyk dat 1 + 1 = 2 is. Die som kan niet meer wezen dan twee, ze kan ook niet minder zyn dan twee, ze is dus twee.
   De noodzakelykheid die dit wil, voorschryft en handhaaft, is almachtig, eeuwig, onveranderlyk, is God. Die God bouwt zonnestelsels...

   Er is geen bol aan 't firmament, die niet z'n bestaan te danken heeft aan 'n reeks van feitelyke syllogismen, even eenvoudig als 1 + 1 = 2.
   Die God voegt samen. ontbindt, maakt, vermaakt, richt, wendt, buigt, heft, perst en plet...
   Ja, plet! En knipt, als  -- in die andere plettery --  de schaar, die ook niet weet wat ze doet!



 

Maar dit kán nu eenmaal niet
Zie de Noot onder 165

(1872)