IDEE 164 IDEE 166

Idee 165


   Elk voorwerp bestaat uit de som van z'n eigenschappen. De som der eigenschappen van de Noodzakelykheid stelt 'n éénheid daar, die we by nadering trachten uittedrukken door allerlei naamwoorden met het versterkend al daarvoor. Alwysheid, algoedheid, almacht, alwetendheid... ja, hoe onwetend ook, is toch diezelfde Noodzakelykheid in zekere zin alwetend.
   Voeg de inhoud van twee zakken meel by elkaar. In de eerste zak waren x meelstofjes. In de tweede x + ( of - ) y. Na 't byeenvoegen zullen er samen juist: 2x + ( of - ) y stofjes.
   Ja, maar er zyn stofjes gebroken, gedeeld... de Noodzakelykheid weet dit precies, en heeft voor elk stofje dat gekneusd werd, gebroken in byv. 100 delen, 99 stofjes méér berekend.
   Maar, er zyn stofjes verloren gegaan, d.i. verwyderd. De Noodzakelykheid heeft ze naar behoren afgetrokken.
   Een boekhouder, een rekenaar, kan zich vergissen. De Noodzakelykheid nooit.

   Ander voorbeeld. Gegeven 'n schip met zóveel diepgang, zóveel tegenstand, zóveel zeilen, enz.  De wind blaast op die zeilen met gegeven kracht, en uit 'n gegeven hoek. Stel alle nodige opgaven bekend, dat ze niet kúnnen wezen omdat er zoveel faktoren aan ons gebrekkig waarnemingsvermogen ontsnappen. Wordt gevraagd : de snelheid van 't vaartuig ? Die berekening is niet gemakkelyk, en wat volkomen juistheid aangaat onmogelyk. De Noodzakelykheid weet het. Haar ontsnapt niets. Zy breng alles in rekening, tot de wryving van 't visje dat zich schuurde tegen 't scheepsboord, tot de invloed van de wind op 'n hoofdhaar van de schepeling, tot de tegenstand van 'n zwevend schuimbolletje voor de boeg, tot de verplaatsing van 'n atoom gas in de lading... alles! Zy weet de snelheid waarmee 't schip zich moet bewegen volgens de háár alleen bekende gegevens, en ze noemt die snelheid, drukt ze uit: door het feit !



 
 
 

NOOT

   De klacht in 162 is dus ongegrond, daar geen Wezen zo redelyk zou kúnnen zyn, als de logika der feiten, die de Rede-zelf is. Dat smachten naar 'n persoonlyke God is opstand tégen de Rede. Ik kom daarvan dan ook reeds in 177 terug. Myn 'Gebed van de Onwetende' is nog met die ziektestof besmet. 't Is inderdaad niet gemakkelyk zich te onttrekken aan de invloed der biologie waarmee men onze jeugd bedierf! Het zyn juist de oprechtste gemoederen die 't meest onder die overgang lyden. Lauwe gelovers wagen zich niet aan die vermoeienis van twyfel, en slechts uit 'n zeer hoge maat van innige religie kan men de moed scheppen tot het loochenen van Gods bestaan. Niets is ongodsdienstiger dan vasthouden aan 't Geloof. Als er 'n God ware, zou hy de eerste zyn die 't kwalyk nam.

(1872)


   Zie overigens ter gedeeltelyke aanvulling van de laatste IDEE╦N, de aansporing tot ware godsdienst in 899, vlgg.

(1872, in 1879 weer geschrapt)